Wolff chapter 1:
Morele filosofie is de naam voor het denken en reflecteren van moraliteit
- Is een praktisch onderwerp, het kan je helpen je eigen morele kijk op
het leven aan te passen
- Laat je nadenken over je relaties met anderen in het leven
Tradities van morele filosofie:
- Het is belangrijk om een beeld te hebben van de complexiteit
- Het is de basis van westerse denkbeelden dus zijn van grote invloed
- Ethiek en moraal worden als synoniemen gebruikt
De natuur van morele filosofie:
- Het natuurlijk reflecteren op filosofie
- Sommige dingen zijn meer gewenste omgangsvormen dan filosofie,
de lijn hiertussen is vaag
- Supererogation = het zijn daden die verder gaan dan wat je
redelijkerwijs van iemand mag verwachten. Het is goed als iemand
ze doet maar je kunt hem of haar niet verwijten als die persoon ze
niet doet.
- Hebben ze een hoge mate van objectiviteit; zijn in bijna alle plekken
voor alle mensen van toepassing? Of zijn ze meer subjectief? > we
bekijken dit via meta ethics, normatieve ethiek en toegepaste ethiek
Meta ethiek:
- Gaat over de aard en betekenis van morale uitspraken
Voorbeelden
- Is "liegen is verkeerd" een feitelijke uitspraak of slechts een mening?
- Bestaan morele waarheden echt?
- Waar komen morele normen vandaan?
- Kunnen morele uitspraken waar of onwaar zijn?
,Normatieve ethiek
Normatieve ethiek is het onderdeel van de filosofie dat onderzoekt hoe
mensen zouden moeten handelen en welke normen en waarden goed zijn
om te volgen.
Het probeert antwoord te geven op vragen als:
- Wat is het juiste om te doen?
- Wat zijn onze morele plichten?
- Wat maakt een handeling goed of slecht?
- Hoe moeten we een goed leven leiden?
Hierbij horen:
- Kant; Plichtethiek = zijn sommige handelingen goed of fout
ongeacht de gevolgen.
- Utilisme, gevolgenethiek = Een handeling is goed als zij leidt tot zo
veel mogelijk welzijn voor zo veel mogelijk mensen.
- Deugdethiek, Aristoles = Niet de handeling maar het karakter staat
centraal. De vraag is: Wat zou een deugdzaam mens doen?
Voorbeeld
Je ziet iemand verdrinken.
Plichtethiek: je hebt een morele plicht om te helpen.
Gevolgenethiek: helpen is juist omdat het een leven redt.
Deugdethiek: een moedig en zorgzaam persoon zou helpen.
Toegepaste ethiek
Toegepaste ethiek is het onderdeel van de ethiek dat onderzoekt hoe
morele principes moeten worden toegepast op concrete situaties in de
praktijk. Veel voorkomende onderwerp zijn: euthanasie, abortus,
armoedebeleid, klimaatbeleid, privacy en AI, mantelzorg, verdeling van
zorg en welzijn.
In het sociaal domein
Toegepaste ethiek helpt bij vragen zoals:
, Hoeveel eigen verantwoordelijkheid mogen we van inwoners
verwachten?
Wanneer moet de overheid ingrijpen?
Hoe wegen we autonomie af tegen bescherming?
Wat is een rechtvaardige verdeling van schaarse voorzieningen?
Moraal redeneren:
- Er is geen één vaste techniek, wel sommige veelgebruikte
- De methodologie discussie wordt uitgelegd in vier stukken
1. Formele logica
Formele logica probeert redeneringen te beoordelen op hun geldigheid:
volgt de conclusie noodzakelijk uit de premissen?
1. Premisse en conclusie
Een premisse is een aanname of uitgangspunt.
Een conclusie is wat je uit die uitgangspunten afleidt.
Voorbeeld:
Premisse 1: Alle mensen zijn sterfelijk.
Premisse 2: Socrates is een mens.
Conclusie: Socrates is sterfelijk.
In logische vorm:
Alle A zijn B.
C is A.
Dus: C is B.
Omdat de conclusie noodzakelijk volgt uit de premissen, is de redenering
geldig.
Een syllogisme is een klassieke logische redenering met:
een grote premisse
een kleine premisse
een conclusie
Voorbeeld:
, Grote premisse: Alle beleidsadviseurs zijn professionals.
Kleine premisse: Eeke is een beleidsadviseur.
Conclusie: Eeke is een professional.
Structuur:
1. Alle A zijn B.
2. C is A.
3. Daarom is C B.
Deze vorm heet een categorisch syllogisme.
3. Geldig versus waar
Een syllogisme kan logisch geldig zijn terwijl de premissen onwaar zijn.
Voorbeeld:
Premisse 1: Alle katten kunnen vliegen.
Premisse 2: Felix is een kat.
Conclusie: Felix kan vliegen.
De vorm is logisch correct:
Alle A zijn B.
C is A.
Dus C is B.
Maar omdat de eerste premisse onwaar is, is de conclusie feitelijk onwaar.
Dus:
Geldigheid gaat over de structuur.
Waarheid gaat over de inhoud.
Voorbeeld uit de ethiek
Neem een normatieve redenering:
Premisse 1: Alle handelingen die onnodig leed veroorzaken zijn moreel
verkeerd.
Premisse 2: Mishandeling veroorzaakt onnodig leed.
Conclusie: Mishandeling is moreel verkeerd.
Formeel:
Alle A zijn B.