Introductie in onderzoeksmethoden H 1 t/m 9
Hoofdstuk 1
Metafysische/bovennatuurlijke verklaringen: beschrijven gedrag of ervaringen aan niet-fysieke
krachten zoals geesten of goden. 3 Categorieën hierin:
Animisme: geloof dat natuurverschijnselen bestaan en gedrag beïnvloeden.
Mythologie en religie: gelooft dat goden het menselijk gedrag beïnvloeden. Religie is ook
een manier om het menselijk gedrag te verklaren.
Astrologie: veronderstelt dat het menselijk gedrag is bepaald door de activiteit van
hemellichamen.
Filosofie: tegenwoordig betekent filosofie de studie van kennis, gedrag en werkelijkheid door middel
van logische, empirisch observaties. Vroeger baseerden filosofen hun ideeën vooral op de bijbel of
werk van Aristoteles of Plato (Animisme). Door Descartes werd er meer waarde gehecht aan empirie.
Positivisme: theorieën en kennis -over het menselijk gedrag- moeten gebaseerd zijn op
observaties die met absolute zekerheid gedaan worden.
Empirisme: de beste manier om te leren is om te observeren (systematisch).
Fysiologie: is de studie van de functies van- en relaties tussen verschillende delen van het brein en
het lichaam. Alles wat we hierover weten is door de experimentele methode ontdekt.
De 4 principes van psychologie:
Determinisme: het idee dat alle gebeurtenissen betekenisvol en systematisch zijn (theorieën
vormen). Alles heeft een oorzaak en dit kan worden onderzocht d.m.v. de wetenschappelijke
methode.
Illusie correlatie: idee dat er correlatie is tussen 2 gebeurtenissen terwijl dit niet zo is.
Empirisme: de beste manier om geordende principes te testen, observeren (systematisch)
Spaarzaamheid: Bij het formuleren van een theorie moet je spaarzaam zijn, kies de makkelijkste van
de 2 keuzes.
Occam’s razor : het is niet nodig om meer aannames te doen dan nodig.
Testbaarheid: theorieën moeten testbaar zijn (te bevestigen of af te keuren).
Falsifieerbaarheid: onderzoekers zouden moeten zoeken naar bewijzen die hun theorie
tegenspreken. > Karl Popper
Logisch positivisme: wetenschap en filosofie moet alleen gebaseerd zijn op dingen die met
absolute zekerheid kunnen worden geobserveerd en er actief moet worden gezocht naar
dingen die een theorie tegenspreken.
Operationele definities: begrippen die eigenlijk niet gemeten kunnen worden, worden
beschreven in concrete, observationele procedures.
4 manieren om dingen te weten:
Intuïtie: je gevoel zegt dat het gewoon zo is.
Logica: je denkt logisch na en baseert hierop conclusies.
Autoriteit: als iemand anders (belangrijk, powerful persoon) dat vindt dan is het zo.
Observatie: empirisch het idee testen.
Religie Overheid Filosofie Wetenschap
1. Authority Authority Logic Observation
2. Intuition Intuition Observation Logic
3. Logic Logic Intuition Intuition
4. Observation Observation Authority Authority
,Hoofdstuk 2
Law/Wet: universele verklaring van de aard van dingen waardoor men betrouwbare voorspellingen
kan doen. > Sir Isaac Newton
- Verschil tussen een law en een theorie: een theorie heeft boundary conditions, er zijn
momenten dat de theorie niet opgaat. Een wet geldt altijd
Equifinaliteit: principe dat het zelfde gedrag wordt veroorzaakt door vele verschillende oorzaken.
Hypothese: voorspelling van een iets die is afgeleid van 1 of meer theorieën.
Gedrag is moeilijk te voorspellen, omdat het per specifieke situatie verschilt en van vele factoren
afhangt. Maar dat betekent niet dat je gedrag zich niet houdt aan bepaalde betekenisvolle laws.
Science of observation
Inductie methode: veel observaties doen onder geconditioneerde omstandigheden en hieruit een
bewering trekken over hoe de dingen zijn (sterk bewijs, maar geen absoluut bewijs van de waarheid).
Steeds nieuwe observaties doen en kijken of ze juist zijn met de bewering> anders verwerpen of
aanpassen.
Van specifieke gevallen> algemeen principe.
Probleem van inductie: Om goed inductie te gebruiken moet een onderzoeker heel veel observaties
doen, maar hoeveel? Je kunt blijven doorgaan met de bewering onderbouwen met observaties en
moet doorgaan tot je eentje tegenkomt die het tegendeel van je bewering bewijst.
Deductie methode: Een algemene bewering (theorie) gebruiken om voorspellingen te maken
(hypotheses) die worden getest d.m.v. observaties.
Van algemeen principe>specifiek geval
Het is mogelijk om een theorie te verwerpen, het is niet mogelijk om te bewijzen dat een theorie
waar is.
3 soorten aanpak om een hypothese te testen
Positieve test bias: de neiging van mensen die hypotheses aan het evalueren zijn om te proberen de
hypothese te bevestigen, meer dan de hypothese te ontkrachten.
Gedrag bevestiging bias: de neiging van waarnemers om bij proefpersonen gedrag uit te lokken dat
klopt met hun initiële verwachtingen van de persoon.
1. Validatie: aanpak om een hypothese te testen waarbij de onderzoeker probeert bewijs te
verzamelen dat een theorie/hypothese ondersteunt of verwerpt.
2. Falsificatie: aanpak om een hypothese te testen waarbij een onderzoeker probeert bewijs te
vinden dat een theorie/hypothese tegenspreekt of ontkracht.
3. Kwalificatie: aanpak om een hypothese te testen waarbij een onderzoeker probeert de
randvoorwaarden te vinden van een hypothese, wanneer is de hypothese wel en wanneer is
de hypothese niet waar. Eigenlijk komt validatie en falsificatie hierbij kijken>voordeel
Deze strategie kan leiden tot de integratie van 2 tegensprekende theorieën waarbij wordt
gekeken welke specifieke voorwaarden onder welke theorie correct is.
Experimentele paradigma: de gouden standaard van psychologie is: een ideale set van
onderzoeksmethoden (regels en methoden) dat dient als model voor bijna alle psychologische
onderzoeken.
Inductieve technieken om (creatieve) hypotheses te creëren.
-Case studies: hypotheses maken d.m.v. voorzichtig vastgelegde observaties van een specifieke
groep of persoon.
, -Paradoxale incidenten: hypotheses maken na een ongewone gebeurtenis (waardoor dingen zijn
veranderd).
-Vuistregel van de beoefenaar analyseren/Analyzing the practitioner’s rule of thumb: dingen
analyseren die experts op een bepaald gebied doen om bepaalde uitkomsten te bereiken.
-Serendipity: geluk of toeval om een hypothese te kunnen stellen. (Skinner)
Deductieve technieken om (creatieve) hypotheses te creëren.
-Redenering naar analogie: overeenkomst tussen 2 zaken als basis voor redenering.
-Van een functionele of aangepaste analyse > specifieke onderzoeksvraag
-Hypothetico-deductive methode: van een set basis aannemingen/observaties naar 1 of meer
logische consequenties van deze observaties.
-Verwerking van tegenstrijdige resultaten
-Verwerking van uitzonderingen op bestaande psychologische principes
Ethiek
APA (American Psychology Association) heeft richtlijnen sinds 1958.
Elke universiteit die onderzoek doet (door studenten of professors) moet een comité hebben die het
onderzoek in de gaten houdt: Internal Review Board (IRB)
Zo’n comité bestaat uit: groep instructeurs en onderzoekers die op de uni werken, 1 of meer uni-
personeelslid dat gespecialiseerd is op gebied van het onderzoek, 1 of meer leken uit de omgeving.
Als een onderzoeker mensen als deelnemers wil gebruiken, moet hij een formeel verzoek doen bij de
IRB. Dit moet bevatten: een duidelijke, niet technische samenvatting van de praktische en
theoretische doelen van het onderzoek en een gedetailleerde beschrijving van het onderzoek (welke
procedures).
Bij psychologie is onderzoek doen gebaseerd op means-end assumption: onderzoek is gebouwd op
de veronderstelling dat het toelaatbaar is om mensen te gebruiken tijdens onderzoek.
Het principe van de ethiek bij psychologische studies is: risk-benefit analysis. Hierbij moet er een
groter voordeel voor de mensen zijn dan de nadelen.
Verplicht bij een onderzoek:
- Voordat deelnemers toestemmen met de deelname aan het onderzoek moeten ze
geïnformeerd zijn over potentiële risico’s van het onderzoek.
- Vrijheid van deelname: je mag elk moment stoppen met het onderzoek, hoeft niet verplicht
deel te nemen, mag niet onder druk gezet worden (bijv. door autoriteit)
- Vertrouwelijkheid: elke deelnemer moet een nummer krijgen en er mag niet worden
gevraagd naar te persoonlijke gegevens (adres)
- Debriefing: Als er een misleiding in het onderzoek plaatsvindt, moet dit zo gauw mogelijk
worden vermeld aan de deelnemer (en waarom dit plaatsvond).
Hoofdstuk 1
Metafysische/bovennatuurlijke verklaringen: beschrijven gedrag of ervaringen aan niet-fysieke
krachten zoals geesten of goden. 3 Categorieën hierin:
Animisme: geloof dat natuurverschijnselen bestaan en gedrag beïnvloeden.
Mythologie en religie: gelooft dat goden het menselijk gedrag beïnvloeden. Religie is ook
een manier om het menselijk gedrag te verklaren.
Astrologie: veronderstelt dat het menselijk gedrag is bepaald door de activiteit van
hemellichamen.
Filosofie: tegenwoordig betekent filosofie de studie van kennis, gedrag en werkelijkheid door middel
van logische, empirisch observaties. Vroeger baseerden filosofen hun ideeën vooral op de bijbel of
werk van Aristoteles of Plato (Animisme). Door Descartes werd er meer waarde gehecht aan empirie.
Positivisme: theorieën en kennis -over het menselijk gedrag- moeten gebaseerd zijn op
observaties die met absolute zekerheid gedaan worden.
Empirisme: de beste manier om te leren is om te observeren (systematisch).
Fysiologie: is de studie van de functies van- en relaties tussen verschillende delen van het brein en
het lichaam. Alles wat we hierover weten is door de experimentele methode ontdekt.
De 4 principes van psychologie:
Determinisme: het idee dat alle gebeurtenissen betekenisvol en systematisch zijn (theorieën
vormen). Alles heeft een oorzaak en dit kan worden onderzocht d.m.v. de wetenschappelijke
methode.
Illusie correlatie: idee dat er correlatie is tussen 2 gebeurtenissen terwijl dit niet zo is.
Empirisme: de beste manier om geordende principes te testen, observeren (systematisch)
Spaarzaamheid: Bij het formuleren van een theorie moet je spaarzaam zijn, kies de makkelijkste van
de 2 keuzes.
Occam’s razor : het is niet nodig om meer aannames te doen dan nodig.
Testbaarheid: theorieën moeten testbaar zijn (te bevestigen of af te keuren).
Falsifieerbaarheid: onderzoekers zouden moeten zoeken naar bewijzen die hun theorie
tegenspreken. > Karl Popper
Logisch positivisme: wetenschap en filosofie moet alleen gebaseerd zijn op dingen die met
absolute zekerheid kunnen worden geobserveerd en er actief moet worden gezocht naar
dingen die een theorie tegenspreken.
Operationele definities: begrippen die eigenlijk niet gemeten kunnen worden, worden
beschreven in concrete, observationele procedures.
4 manieren om dingen te weten:
Intuïtie: je gevoel zegt dat het gewoon zo is.
Logica: je denkt logisch na en baseert hierop conclusies.
Autoriteit: als iemand anders (belangrijk, powerful persoon) dat vindt dan is het zo.
Observatie: empirisch het idee testen.
Religie Overheid Filosofie Wetenschap
1. Authority Authority Logic Observation
2. Intuition Intuition Observation Logic
3. Logic Logic Intuition Intuition
4. Observation Observation Authority Authority
,Hoofdstuk 2
Law/Wet: universele verklaring van de aard van dingen waardoor men betrouwbare voorspellingen
kan doen. > Sir Isaac Newton
- Verschil tussen een law en een theorie: een theorie heeft boundary conditions, er zijn
momenten dat de theorie niet opgaat. Een wet geldt altijd
Equifinaliteit: principe dat het zelfde gedrag wordt veroorzaakt door vele verschillende oorzaken.
Hypothese: voorspelling van een iets die is afgeleid van 1 of meer theorieën.
Gedrag is moeilijk te voorspellen, omdat het per specifieke situatie verschilt en van vele factoren
afhangt. Maar dat betekent niet dat je gedrag zich niet houdt aan bepaalde betekenisvolle laws.
Science of observation
Inductie methode: veel observaties doen onder geconditioneerde omstandigheden en hieruit een
bewering trekken over hoe de dingen zijn (sterk bewijs, maar geen absoluut bewijs van de waarheid).
Steeds nieuwe observaties doen en kijken of ze juist zijn met de bewering> anders verwerpen of
aanpassen.
Van specifieke gevallen> algemeen principe.
Probleem van inductie: Om goed inductie te gebruiken moet een onderzoeker heel veel observaties
doen, maar hoeveel? Je kunt blijven doorgaan met de bewering onderbouwen met observaties en
moet doorgaan tot je eentje tegenkomt die het tegendeel van je bewering bewijst.
Deductie methode: Een algemene bewering (theorie) gebruiken om voorspellingen te maken
(hypotheses) die worden getest d.m.v. observaties.
Van algemeen principe>specifiek geval
Het is mogelijk om een theorie te verwerpen, het is niet mogelijk om te bewijzen dat een theorie
waar is.
3 soorten aanpak om een hypothese te testen
Positieve test bias: de neiging van mensen die hypotheses aan het evalueren zijn om te proberen de
hypothese te bevestigen, meer dan de hypothese te ontkrachten.
Gedrag bevestiging bias: de neiging van waarnemers om bij proefpersonen gedrag uit te lokken dat
klopt met hun initiële verwachtingen van de persoon.
1. Validatie: aanpak om een hypothese te testen waarbij de onderzoeker probeert bewijs te
verzamelen dat een theorie/hypothese ondersteunt of verwerpt.
2. Falsificatie: aanpak om een hypothese te testen waarbij een onderzoeker probeert bewijs te
vinden dat een theorie/hypothese tegenspreekt of ontkracht.
3. Kwalificatie: aanpak om een hypothese te testen waarbij een onderzoeker probeert de
randvoorwaarden te vinden van een hypothese, wanneer is de hypothese wel en wanneer is
de hypothese niet waar. Eigenlijk komt validatie en falsificatie hierbij kijken>voordeel
Deze strategie kan leiden tot de integratie van 2 tegensprekende theorieën waarbij wordt
gekeken welke specifieke voorwaarden onder welke theorie correct is.
Experimentele paradigma: de gouden standaard van psychologie is: een ideale set van
onderzoeksmethoden (regels en methoden) dat dient als model voor bijna alle psychologische
onderzoeken.
Inductieve technieken om (creatieve) hypotheses te creëren.
-Case studies: hypotheses maken d.m.v. voorzichtig vastgelegde observaties van een specifieke
groep of persoon.
, -Paradoxale incidenten: hypotheses maken na een ongewone gebeurtenis (waardoor dingen zijn
veranderd).
-Vuistregel van de beoefenaar analyseren/Analyzing the practitioner’s rule of thumb: dingen
analyseren die experts op een bepaald gebied doen om bepaalde uitkomsten te bereiken.
-Serendipity: geluk of toeval om een hypothese te kunnen stellen. (Skinner)
Deductieve technieken om (creatieve) hypotheses te creëren.
-Redenering naar analogie: overeenkomst tussen 2 zaken als basis voor redenering.
-Van een functionele of aangepaste analyse > specifieke onderzoeksvraag
-Hypothetico-deductive methode: van een set basis aannemingen/observaties naar 1 of meer
logische consequenties van deze observaties.
-Verwerking van tegenstrijdige resultaten
-Verwerking van uitzonderingen op bestaande psychologische principes
Ethiek
APA (American Psychology Association) heeft richtlijnen sinds 1958.
Elke universiteit die onderzoek doet (door studenten of professors) moet een comité hebben die het
onderzoek in de gaten houdt: Internal Review Board (IRB)
Zo’n comité bestaat uit: groep instructeurs en onderzoekers die op de uni werken, 1 of meer uni-
personeelslid dat gespecialiseerd is op gebied van het onderzoek, 1 of meer leken uit de omgeving.
Als een onderzoeker mensen als deelnemers wil gebruiken, moet hij een formeel verzoek doen bij de
IRB. Dit moet bevatten: een duidelijke, niet technische samenvatting van de praktische en
theoretische doelen van het onderzoek en een gedetailleerde beschrijving van het onderzoek (welke
procedures).
Bij psychologie is onderzoek doen gebaseerd op means-end assumption: onderzoek is gebouwd op
de veronderstelling dat het toelaatbaar is om mensen te gebruiken tijdens onderzoek.
Het principe van de ethiek bij psychologische studies is: risk-benefit analysis. Hierbij moet er een
groter voordeel voor de mensen zijn dan de nadelen.
Verplicht bij een onderzoek:
- Voordat deelnemers toestemmen met de deelname aan het onderzoek moeten ze
geïnformeerd zijn over potentiële risico’s van het onderzoek.
- Vrijheid van deelname: je mag elk moment stoppen met het onderzoek, hoeft niet verplicht
deel te nemen, mag niet onder druk gezet worden (bijv. door autoriteit)
- Vertrouwelijkheid: elke deelnemer moet een nummer krijgen en er mag niet worden
gevraagd naar te persoonlijke gegevens (adres)
- Debriefing: Als er een misleiding in het onderzoek plaatsvindt, moet dit zo gauw mogelijk
worden vermeld aan de deelnemer (en waarom dit plaatsvond).