Deel 3 Hoofdstuk 1: paradigmatisch
pluralisme ‘een orientatie’
1.1 Een veelheid aan scholen, stromingen en paradigma’s
Wat nemen we als studieobject?
Hoe komen we tot kennis?
Welke methoden?
gaat terug op aantal fundamentele vragen:
Mens goed/slecht?
Gedetermineerd/ vrije wil?
filosofische reflectie
niet empirisch te staven
mens- en maatschappijbeeld van mensen hangt af van antwd van die persoon op deze vragen
antwden niet waardevrij
geen gemeenschappelijk standpunt over basisveronderstellingen
op metaniveau
theoretische oriëntaties aan basis vd sociologie:
belangrijk wrm?
1. Theoretische controverses en discussies dragen bij tot vollediger begrip vd wetenschap
2. Weten binnen welk paradigma theorie zich situeert (SH kunnen kaderen)
3. Paradigmatisch pluralisme
men kan eenzelfde probleem door verschillende brillen bekijken
vollediger beeld van complexe soc realiteit
professioneel handelen hierop baseren
toont meerdere waarheden
interpunctieaxioma van communicatieleer
Een paradigma= specifieke combinatie van uitgangspunten, theorieopvattingen en voorschriften van
methodologische aard en van waaruit naar de werkelijkheid wordt gekeken.
THOMAS KHUN (the structure of scientific revolutions)
wetenschapsbeoefening wordt beïnvloed door sociale processen (micro, meso, macro)
BV succes ve theorie dominant, dat succes niet alleen bepaald door waarheidsgehalte maar ook door
ideologische klimaat.
wetenschapsbeoefening geen gewone cumulatie van kennis (alleen bij de ontw vh paradigma)
periodes van strijd tss referentiekaders
regulerende functie ve bepaalde periode binnen bepaalde discipline
kan evolueren tot ideologie= voorstelling vd de werkelijkheid die het belang, dat als algemeen
belang wordt voorgesteld, behartigd.
levensbeschouwing ,loyaliteit aan een bepaalde groep belangrijker dan open/kritische geest
29
,paradigma als middel om kritiek af te schermen
als symbolische wapens, gebruikt om financiële middelen, macht en status te verwerven
WIPPLER: 3 onderscheidingen in stromingen, referentiekaders,…
1. Taakstelling:
Empirisch-theoretische taak:
Opstellen informatieve theorieën
Sociologie als autonome wetenschap
Filosofisch-kritische taak:
kritisch bekijken van maatschappelijke gebeurtenissen of sociologische
verschijnselen
Praktische taakstelling:
handelingsstrategieën ontwerpen
op basis van doelvoorstellingen en beschikbare kennis
maatsch strategieën verwerven met oog op voeren van beleid
2. Als aanduiding meningsversch over algemene wetenschapsconcepties
versch manieren van kennisverwerving
splitsing tss ‘verstehende’ en positivistisch manier om soc werkelijkheid te
bestuderen
3. Verschillen in aandacht voor probleemgebieden en oplossingen binnen empirisch-
theoretische soc
versch in theoretische oriëntaties
1.2 een oriëntatiemodel voor sociologische stromingen
tal van ordeningen
Ordening hier besproken:
ordent
verdeeld niet zomaar in hokjes
geeft weer hoe sociologen naar menselijke interacties kijken
30
, boven, onder, tegen samen zijn neutrale begrippen
• in welke mate • posities met
instituties van Boven/systeem versch in macht
elkaar
afhankelijk zijn
Structureel
conflictsociologie
functionalisme
Harmonie/
SC SS
consensus
Tegen/ Conflict
denken
Symbolisch Ruiltheorie
interactionisme Speltheorie
Onder/ Actor
Bovenhandelen vanuit systeemperspectief
Onder handelen vanuit actorperspectief
Samen SH als coöperatie
Tegen SH als conflict
2 manieren om met schema te werken:
1. Pragmatische manier
= kiezen voor een bepaald paradigma op basis van het probleem, men laat zich leiden door
probleemoplossend vermogen.
2. Normatieve manier
= kiezen voor bepaald paradigma op basis van zijn mens- en maatschappijbeeld
coöperatief competitief M&M beeld
deterministisch(bepaald) constructivistisch(verworven) M&M beeld
1. De filosofische tegenstelling tussen
matrealisme(objectivisme) vb MARX
dingen, mensen, sociale realiteiten bestaan los van menselijke geest
idealisme(subjectivisme) vb symbolisch interactionisme
realiteiten worden geconstrueerd door menselijke geest
2. Relatie tussen mens en maatschappij
Is de mens gedetermineerd door bv het systeem (=systeemperspectief)
OF is er sprake van een vrije wil(=actorperspectief)
3. Waarom sociale interacties?
uit eigenbelang: conflict 31
streven naar coöperatie: consensus
pluralisme ‘een orientatie’
1.1 Een veelheid aan scholen, stromingen en paradigma’s
Wat nemen we als studieobject?
Hoe komen we tot kennis?
Welke methoden?
gaat terug op aantal fundamentele vragen:
Mens goed/slecht?
Gedetermineerd/ vrije wil?
filosofische reflectie
niet empirisch te staven
mens- en maatschappijbeeld van mensen hangt af van antwd van die persoon op deze vragen
antwden niet waardevrij
geen gemeenschappelijk standpunt over basisveronderstellingen
op metaniveau
theoretische oriëntaties aan basis vd sociologie:
belangrijk wrm?
1. Theoretische controverses en discussies dragen bij tot vollediger begrip vd wetenschap
2. Weten binnen welk paradigma theorie zich situeert (SH kunnen kaderen)
3. Paradigmatisch pluralisme
men kan eenzelfde probleem door verschillende brillen bekijken
vollediger beeld van complexe soc realiteit
professioneel handelen hierop baseren
toont meerdere waarheden
interpunctieaxioma van communicatieleer
Een paradigma= specifieke combinatie van uitgangspunten, theorieopvattingen en voorschriften van
methodologische aard en van waaruit naar de werkelijkheid wordt gekeken.
THOMAS KHUN (the structure of scientific revolutions)
wetenschapsbeoefening wordt beïnvloed door sociale processen (micro, meso, macro)
BV succes ve theorie dominant, dat succes niet alleen bepaald door waarheidsgehalte maar ook door
ideologische klimaat.
wetenschapsbeoefening geen gewone cumulatie van kennis (alleen bij de ontw vh paradigma)
periodes van strijd tss referentiekaders
regulerende functie ve bepaalde periode binnen bepaalde discipline
kan evolueren tot ideologie= voorstelling vd de werkelijkheid die het belang, dat als algemeen
belang wordt voorgesteld, behartigd.
levensbeschouwing ,loyaliteit aan een bepaalde groep belangrijker dan open/kritische geest
29
,paradigma als middel om kritiek af te schermen
als symbolische wapens, gebruikt om financiële middelen, macht en status te verwerven
WIPPLER: 3 onderscheidingen in stromingen, referentiekaders,…
1. Taakstelling:
Empirisch-theoretische taak:
Opstellen informatieve theorieën
Sociologie als autonome wetenschap
Filosofisch-kritische taak:
kritisch bekijken van maatschappelijke gebeurtenissen of sociologische
verschijnselen
Praktische taakstelling:
handelingsstrategieën ontwerpen
op basis van doelvoorstellingen en beschikbare kennis
maatsch strategieën verwerven met oog op voeren van beleid
2. Als aanduiding meningsversch over algemene wetenschapsconcepties
versch manieren van kennisverwerving
splitsing tss ‘verstehende’ en positivistisch manier om soc werkelijkheid te
bestuderen
3. Verschillen in aandacht voor probleemgebieden en oplossingen binnen empirisch-
theoretische soc
versch in theoretische oriëntaties
1.2 een oriëntatiemodel voor sociologische stromingen
tal van ordeningen
Ordening hier besproken:
ordent
verdeeld niet zomaar in hokjes
geeft weer hoe sociologen naar menselijke interacties kijken
30
, boven, onder, tegen samen zijn neutrale begrippen
• in welke mate • posities met
instituties van Boven/systeem versch in macht
elkaar
afhankelijk zijn
Structureel
conflictsociologie
functionalisme
Harmonie/
SC SS
consensus
Tegen/ Conflict
denken
Symbolisch Ruiltheorie
interactionisme Speltheorie
Onder/ Actor
Bovenhandelen vanuit systeemperspectief
Onder handelen vanuit actorperspectief
Samen SH als coöperatie
Tegen SH als conflict
2 manieren om met schema te werken:
1. Pragmatische manier
= kiezen voor een bepaald paradigma op basis van het probleem, men laat zich leiden door
probleemoplossend vermogen.
2. Normatieve manier
= kiezen voor bepaald paradigma op basis van zijn mens- en maatschappijbeeld
coöperatief competitief M&M beeld
deterministisch(bepaald) constructivistisch(verworven) M&M beeld
1. De filosofische tegenstelling tussen
matrealisme(objectivisme) vb MARX
dingen, mensen, sociale realiteiten bestaan los van menselijke geest
idealisme(subjectivisme) vb symbolisch interactionisme
realiteiten worden geconstrueerd door menselijke geest
2. Relatie tussen mens en maatschappij
Is de mens gedetermineerd door bv het systeem (=systeemperspectief)
OF is er sprake van een vrije wil(=actorperspectief)
3. Waarom sociale interacties?
uit eigenbelang: conflict 31
streven naar coöperatie: consensus