Werkcollege 1 &2
Historiek (zeker vraag op examen)
Voorgeschiedenis
● Adam Smith (1723-1790 - niet kennen):
○ Filosoof
○ Grondlegger van de hedendaagse economie
○ boek: The wealth of nations:
■ Gehele taak in deeltaken verdelen (iedere medewerker één
deeltaak)
■ Comparatieve voordelen (= voordelen door specialisatie), zo
gaat het vlotter
■ ‘doe alleen hetgeen waar je goed in bent, de rest niet. Op deze
wijze wordt de welvaart maximaal’
Scientific Management
● Frederick Taylor (1856-1915): OP EXAMEN!!
○ Ingenieur
○ Wetenschappelijke bedrijfsvoering
○ The principles of scientific management:
■ Productie efficiënter maken; hoe kunnen we zo rap mogelijk zo veel
mogelijk produceren
■ Aandacht van technologie naar de werknemers
● Tijds- en bewegingsstudies: als je hele tijd van taak verandert hoeveel tijd verlies je
● TIJDSWINST heel belangrijk bij scientific management
● Medewerkers zijn van nature lui: prestatieloon
● Horizontale (elke taak wordt in hele kleine deel taakjes verdeeld) en verticale (je hebt
mensen die leiding geven en mensen die uitvoeren wat er gezegd wordt) arbeidsdeling:
● Selectie van medewerkers
○ Interindividuele verschillen: verschillen tussen mensen (de ene persoon is
meer geschikt op vlak van intelligentie dan een andere persoon)
○ Intra-individuele verschillen: een mens blijft niet hetzelfde doorheen de tijd
(jonge gast met spierkracht zetten ze aan machine waar je sterk voor moet zijn,
maar hij wordt ouder en dan is hij niet langer geschikt voor de job)
● Homo economicus: beeld dat ze toen hadden over medewerkers
○ MWs willen zoveel mogelijk verdienen,
○ Zo weinig mogelijk doen
○ Graag geleid worden door anderen, niet voor zichzelf denken
, ● Henry Ford:
○ Lopende band in autofabrieken: zo efficiënt mogelijk auto’s maken
○ Basisloon
○ Machines en massaconsumptie
-> de auto wordt betaalbaar
● Ging nadenken over wie staat er precies aan de band
● Welzijn van mensen werd nog totaal geen rekening mee gehouden
● Mens diende zich aan te passen aan de machine, aan de organisatie
● Hield geen rekening met sociale relaties, kwaliteit van het werk,
medewerkerstevredenheid
-> mens is verlengstuk van machine = Scientific Management
Human relations-beweging
● Elton Mayo:
○ Hawthorne-experimenten (1924-1933): Zeiden tegen groep mensen dat ze het
licht gingen aanpassen en zien wat het doet met hun productiviteit en ook
controlegroep waar ze het wel zeiden maar niet deden (bij beide groepen ging
de productiviteit omhoog -> Dit kwam omdat bij beide groepen ze beter gingen
werken puur omdat ze “aandacht” krijgen/ er wordt rekening met hen gehouden
■ Aandacht voor mensen loont
-> Hawthorne-effect: de verbetering van de prestatie wordt niet veroorzaakt door de
experimentele manipulaties, maar door de extra aandacht die aan de medewerkers
besteed wordt.
● Homo sociologicus:
○ mens reageert niet alleen op financiële prikkels maar ook op grond van sociale
normen en regels
○ belang van sociale relaties in ondernemingen
-> leiderschapscursussen: de leider dient informele normen en waarden af te
stemmen op de ondernemingsdoelstellingen
-> communicatietrainingen, groepstrainingen, …
,Revisionisme
= auteurs die zich afzetten tegen scientific management en human relations beweging
● Aandacht voor schrale arbeidsinhoud; werknemers staan nog steeds elke keer
hetzelfde werk te doen
● Kijken naar wat de mensen effectief doen
● Bijvoorbeeld Herzberg en Maslow (motivatietheorie 1943): de mens is op zoek naar
zelfontplooiing en zelfverwezenlijking
● Hedendaagse denken:
○ Medewerkers zijn belangrijke activa van de organisatie (human resources) ->
human resource management (HRM)
○ Organisaties zijn open systemen in nauwe relatie met de omgeving -> een
bedrijf is niet zomaar een plaats waar mensen binnen gaan en s avonds buiten
gaan -> het is een plaats waar sociale contacten gelegd worden
○ Optimale stijl van leiddinggeven is afhankelijk van de omstandigheden (zie
MW2)
○ Optimale organisatiestructuur is afhankelijk van de omstandigheden
Maatschappelijke ontwikkelingen
1. Industrialisering – rond de eeuwwisseling
-> werknemer volgt slaafs de instructies en heeft geen eigen mening; grote fabrieken
2. Scientific management, taylorisme
-> werknemers heeft vooral rationeel – economische motieven
3. Humanisering; Mayo, Hawthorne –
-> Werknemers hebben ook sociale behoeften, humanisering
4. Revisionisme; Herzberg (MW2), Maslow (behoeftepiramide)
-> Werknemers willen ook iets opsteken van het werk, willen zich ontwikkelen en bijleren
Aandacht voor welzijn en kwaliteit van de arbeid:
- arbeidsinhoud: wat laten we WN’s doen
- arbeidsrelaties: Hoe zit team in elkaar, wie zetten we samen?
- arbeidsvoorwaarden: Hoe zit het met de uren, vakanties, prestatiebeloning?
- arbeidsorganisatie: IS het een vlakke organisatie of hiërarchisch systeem?
- arbeidsomstandigheden: Zijn het aangename omstandigheden, werkdruk, te warm,
aangepaste stille ruimte,
- belang van autonomie, competentie en verbondenheid (zie verder motivatietheorieën)
“Robots nemen taken over. Wat betekent dit voor de vaardigheden die de medewerkers nodig
hebben?” -> AI ondersteunt en kan repetitieve taken over nemen, maar neemt niet hele jobs
over
, Werkcollege 3
1. Theoretische psychologie en arbeidspsychologie
Definitie psychologie volgens Miller (1966)
● Psychologie is de wetenschap van het mentale leven.
● Gedrag
● Gedachten
● Emoties
Biopsychologie: Relatie tussen ons lichaam en onze
geest (bv wat doet stress
Cognitieve psychologie: Wat wij denken en hoe we
informatie verwerken (mensen uitdagen op het
werk: analysevermogen, probleem oplossen,
informatie onthouden, conclusies bedenken
Ontwikkelings/ Levenslooppsychologie: Hoe
ontwikkel je als mens, welke veranderingen
gebeuren er
Sociale psychologie: Alle gedragingen en gedachten
bekijken we in sociale context; De omgeving
beïnvloed ons en wij beïnvloeden de omgeving
Persoonlijkheidsleer: Mensen kunnen verschillen;
welke profielen hebben we nodig in een bedrijf
-> deze 5 hebben allemaal invloed op het werkveld
Toegepaste psychologie: kijkt naar hoe het nu past binnen een specifiek
werkveld/vakgebied