Kinder- en jeugd psychopathologie 2026/2027 (GGZ2021)
,
,Taak 1a – Verstandelijke beperking
Leerdoel 1: Wat is een verstandelijke beperking?
Een verstandelijke beperking (intellectual disability/intellectual developmental disorder) is
een neuro-ontwikkelings stoornis die ontstaat (voor het 22e levensjaar) tijdens de
ontwikkelingsperiode. Er zijn significante beperkingen in zowel het intellectueel
functioneren als het adaptief functioneren.
● Intellectueel functioneren omvat onder andere redeneren, problemen oplossen,
plannen, abstract denken, oordelen, leren en leren uit ervaring.
● Adaptief functioneren bestaat uit drie domeinen: conceptueel, sociaal en praktisch.
○ Het conceptuele domein omvat bijvoorbeeld taal, lezen, schrijven, rekenen,
geheugen en problemen beoordelen en/of oplossen.
○ Het sociale domein omvat empathie, communicatie en sociaal
beoordelingsvermogen.
○ Het praktische domein heeft betrekking op zelfzorg, zelfmanagement, werk
en het uitvoeren van dagelijkse taken.
Een verstandelijke beperking is dus meer dan alleen een laag IQ: ook het functioneren in het
dagelijks leven is beperkt.
Leerdoel 2: Wat zijn de kenmerken van een verstandelijke beperking? (gedrag)
De kenmerken zijn vooral zichtbaar in problemen met leren, plannen, oordelen,
probleemoplossen en het toepassen van vaardigheden in nieuwe situaties.
Bij kinderen kunnen ontwikkelingsachterstanden en een vertraagde psychomotorische
ontwikkeling voorkomen. Ook kunnen problemen ontstaan met het herkennen van sociale
signalen, het inschatten van risico’s en het reguleren van emoties en gedrag. Een beperkte
communicatie kan frustratie versterken en daardoor bijdragen aan agressief of ander
probleemgedrag. Goedgelovigheid en verminderd sociaal oordeelsvermogen kunnen
iemand bovendien kwetsbaar maken.
Het gedrag verschilt sterk per persoon en hangt onder andere samen met de ernst van de
beperkingen, de oorzaak en comorbiditeit. Bij ernstige vormen kunnen agressie, storend
gedrag en zelfbeschadiging voorkomen. Bij bepaalde genetische syndromen bestaat
daarnaast een gedragsfenotype: een karakteristiek patroon van gedrag dat samenhangt met
het betreffende syndroom.
, Leerdoel 3: Wat zijn de oorzaken van een verstandelijke beperking?
Oorzaken kunnen genetisch zijn en kunnen optreden voor, tijdens of na de geboorte. Er zijn
zowel organische oorzaken (biologisch > genetische en constitutionele factoren, ook wel
nature), en cultuur familiaire oorzaken (sociale, gedragsmatige, educatieve risicofactoren,
nurture).
Nature (50%) & Nurture (50%)
● Prenatale oorzaken zijn onder andere genetische syndromen,
chromosoomafwijkingen, afwijkingen van 1 gen, aangeboren
stofwisselingsstoornissen, zuurstoftekort, drugs, hersenafwijkingen en ziekten van de
moeder. Ook omgevingsfactoren tijdens de zwangerschap kunnen een rol spelen,
zoals prenatale blootstelling aan alcohol.
● Perinatale factoren zijn gebeurtenissen rondom de geboorte. Een stuitbevalling kan
hierbij relevant zijn wanneer hierdoor complicaties rond de geboorte ontstaan, maar
het is belangrijk om dit niet als zelfstandige oorzaak te zien.
● Postnatale oorzaken zijn onder andere zuurstoftekort met hypoxisch-ischemische
hersenschade, traumatisch hersenletsel, infecties, vergiftigingen en epilepsie. Ook
encefalitis en meningitis kunnen vooral op jonge leeftijd bijdragen aan het ontstaan
van een verstandelijke beperking. Daarnaast kunnen armoede en onvoldoende
gezinsondersteuning de ontwikkeling beïnvloeden doordat zij de kwaliteit van zorg en
stimulering kunnen verminderen.
Problemen bij de moeder die de kans op een verstandelijke beperking verhogen zijn onder
andere een leeftijd van 35+, ernstige stress tijdens de zwangerschap, anorexia tijdens de
zwangerschap, of een moeder met astma of diabetes.
Leerdoel 4: Wat zijn de diagnose en behandeling van een verstandelijke beperking?
De DSM onderscheidt 3 criteria:
● Criterium A: beperkingen in intellectuele functies, zoals redeneren, problemen
oplossen, plannen, abstract denken, oordelen en leren. Deze worden vastgesteld
door klinische beoordeling en een individuele, gestandaardiseerde
intelligentietest.
● Criterium B: beperkingen in adaptief functioneren, waardoor iemand
onvoldoende zelfstandig kan functioneren volgens ontwikkelings- en sociaal-
culturele normen. Dit moet zichtbaar zijn in het dagelijks leven, bijvoorbeeld bij
communicatie, sociale participatie of zelfstandig wonen.
● Criterium C: beperkingen tijdens de ontwikkelingsperiode zijn ontstaan.
Het IQ is relevant, maar vormt niet de enige basis voor de diagnose of ernst. De
DSM-5/DSM-5-TR bepaalt de ernst voornamelijk aan de hand van het adaptief functioneren
en de mate van ondersteuning die iemand nodig heeft.