COMMUNICATIE.
PUBLIEKGERICHT SCHRIJVEN
Doelgroep: je moet lezers-/publiekgericht schrijven.
Om de doelgroep te bepalen moet je kijken naar: ( = demografische kenmerken )
Woonplaats
Leeftijd
Geslacht
Opleidingsniveau
Beroep
Sociaal-economische status
Kennisniveau: Wat weet doelgroep al?
Relatie: vriend, klant, baas,…?
Culturele achtergrond: rekening houden met gevoeligheden.
Boodschap: inhoud van de tekst.
Volgende zaken moeten duidelijk zijn voor lezer:
Wie de schrijver is.
Waarover het gaat.
Wat het betekent voor de lezer.
Welke actie ondernemen + wanneer.
Wie contacteren bij vragen.
4 aspecten in een boodschap:
Appelerend: doel.
Expressief: zender.
Referentieel: inhoud.
Relationeel: ontvanger.
Tekstdoel:
Informeren
Overtuigen
Aansporen tot actie
Vragen om informatie
( Oefeningen p.14-17. )
SPELLING
1
, Basisregels:
OTT – onvoltooid tegenwoordige tijd.
> 1 enk: stam. ( ik drink )
> 2 enk: stam + t ( jij drinkt )
> 3 enk: stam + t ( hij drinkt )
OVT – onvoltooid verleden tijd.
> Stam + de/ te. ( hij blafte )
> Dubbele medeklinker als stam eindigt op d of t leid – leidde.
VD – voltooid deelwoord.
> Ge + stam + d/t ( geblaft )
Imperatief.
> Stam. ( drink )
Engelse werkwoorden:
Basisregel: engelse ww volgen de regels van ’t kofschip.
> Brunchen – brunchte – gebruncht.
Als de ‘e’ nodig is op het einde van een woord voor de uitspraak, blijft ze staan in
de vervoeging.
> Skaten – skatete – geskatet.
Dubbele medeklinker in de stam verdwijnt alleen als klank vernederlandst is.
> Crossen – croste – gecrost.
Een lange ‘o’ in infinitief wordt verdubbeld in vervoeging.
> Quoten – quootte – gequoot.
Moeilijke werkwoorden: lijst p. 28 en 29.
( oefeningen hierop p. 31- 34 )
SAMENSTELLINGEN:
Basisregel: samenstellingen schrijf je zoveel mogelijk aan elkaar. > 1 woord, 1
klemtoon.
Uitzonderingen:
2 woorden.
> Vb. middellands zeegebied.
Liggend streepje:
> Klinkerbotsing ( bruto-opbrengst )
> Eerste deel is in cijfers ( 3de-jaarsstudent )
> Eerste deel is niet, non, oud, ex,… ( ex-vrouw )
> Tweede deel begint met hoofdletter ( zaak-Clottemans )
> Aardrijkskundige namen ( Oost-Vlaming )
> Samenstellingen van gelijkwaardige delen ( geel-groen)
> Samenstellingen met afkortingen, symbolen, letteraanduidingen,
woordgroepen met cijfer en letterwoorden met hoofdletter ( €-teken )
> Woordenreeksen die als geheel aanvoelen ( kant-en-klaar )
> Samentrekkingen waar woorddeel wordt weggelaten ( op- en afrit )
TREMA: ¨
Om klinkerbotsing te vermijden in een woord. ( vb mozaïek, skiën,…)
2