SEOR — Oefententamen per week
60 meerkeuzevragen • 12 open vragen • met antwoordmodel
Gebaseerd op jouw samenvatting en de meegeleverde examenvoorbeelden. Dit zijn nieuwe
oefenvragen, geen officiële of voorspelde tentamenvragen. De vragen staan in het Nederlands;
centrale vaktermen blijven in het Engels.
Per week: 10 MC-vragen met steeds één juist antwoord (a–d), gevolgd door 2 open vragen. Bij
MC-vragen zijn de vier opties bewust ongeveer even lang. De juiste letters zijn over de volledige
set gelijk verdeeld. Antwoorden en bronverwijzingen staan achterin.
De vragen zijn gericht op academisch masterniveau: theoretische mechanismen,
grensvoorwaarden, interpretatie van onderzoeksbevindingen en toepassing op korte cases. Let
ook op het onderscheid tussen samenhang en causaliteit, conceptuele proposities en empirisch
bewijs, en niet-significante resultaten en bewezen afwezigheid van een effect. Open vragen
kunnen meerdere weken verbinden. Gebruik bij elke open vraag a–d als antwoordstructuur;
reken voor oefenen op maximaal 250 woorden, behalve waar 100 woorden staat.
Oefenbeoordeling: 5 punten per MC-vraag en 20 punten per open vraag (5 punten per deel). Dit
is een uitgebreide oefenset: de voorbeeldslides beschrijven voor het echte examen 24 MC-
vragen en 1 open vraag. Oudere voorbeelden illustreren alleen de vraagstijl; vragen over niet-
opgenomen oude artikelen zijn niet overgenomen.
SEOR • Oefenvragen • Samenvatting + examenvoorbeelden
,Week 1 — Why innovate and why so difficult?
Meerkeuzevragen
1.1 Een onderneming is zeer succesvol met bestaande producten, maar reageert traag op een
nieuwe markt. Welke verklaring volgt het sterkst uit de tyranny of success?
a. Eerdere successen leveren middelen op die de interpretatie van nieuwe kansen automatisch
verbreden.
b. Eerdere successen verlagen marktonzekerheid waardoor organisatorische vernieuwing
minder afhankelijk wordt van identiteit.
c. Eerdere successen vergroten specialisatie waardoor strategische beliefs geen zelfstandige
invloed meer hebben.
d. Eerdere successen legitimeren routines en overtuigingen die de interpretatie van nieuwe
kansen beperken.
1.2 Een fabrikant verbetert zijn bestaande productieproces, maar ontwikkelt geen nieuwe
activiteiten. Welke typering past het best?
a. Adaptation, omdat bestaande activiteiten efficiënter worden zonder fundamentele
organisatorische vernieuwing.
b. Discontinuity, omdat bestaande activiteiten sneller worden zonder nieuwe technologie te
ontwikkelen.
c. Renewal, omdat bestaande activiteiten efficiënter worden zonder fundamentele
organisatorische vernieuwing.
d. Exploration, omdat bestaande activiteiten goedkoper worden zonder nieuwe markten te
verkennen.
1.3 Wat maakte Polaroids overgang naar digitale fotografie volgens Tripsas & Gavetti
bijzonder moeilijk?
a. De digitale divisie bleef vasthouden aan uitsluitend analoge technische vaardigheden.
b. De digitale divisie ontwikkelde geen prototypes voor de nieuwe fotografiemarkt.
c. Het topmanagement kon onvoldoende investeren in kennis over digitale beeldvorming.
d. Het topmanagement bleef vasthouden aan overtuigingen over het bestaande verdienmodel.
1.4 Een technologie maakt de bestaande expertise van marktleiders grotendeels onbruikbaar.
Welk begrip past hierbij?
a. Een competence-destroying discontinuïteit die andere competenties nodig maakt voor
marktdeelname.
b. Een organisatorische routine die bestaande competenties stabiliseert bij toenemende
marktonzekerheid.
SEOR • Oefenvragen • Samenvatting + examenvoorbeelden
,c. Een competence-enhancing discontinuïteit die bestaande competenties versterkt bij alle
marktleiders.
d. Een incrementele procesinnovatie die bestaande competenties benut voor hogere productie-
efficiëntie.
1.5 Welke conclusie over O'Connors zeven-elementenmodel is op basis van het artikel
methodologisch verantwoord?
a. Het model bevestigt onderlinge afhankelijkheden, doordat alle elementen afzonderlijk in een
gerandomiseerd experiment zijn onderzocht.
b. Het model bewijst voldoende werking, doordat iedere organisatie met zeven elementen
blijvend succesvolle innovatie heeft gerealiseerd.
c. Het model weerlegt onderlinge afhankelijkheden, doordat één champion zonder
infrastructuur altijd duurzame major innovation kan realiseren.
d. Het model formuleert onderlinge afhankelijkheden, maar de noodzakelijkheid en voldoende
werking zijn niet empirisch aangetoond.
1.6 Hoe moet het MI-systeem volgens O'Connor omgaan met projectmanagementprocessen
van de kern?
a. Het gebruikt dezelfde financiële processen die leidend zijn voor kernprojectmanagement.
b. Het gebruikt eigen exploratieve processen die losstaan van kernprojectmanagement.
c. Het gebruikt vaste productieroutines die rechtstreeks voortkomen uit bestaande
kernactiviteiten.
d. Het gebruikt uitsluitend externe processen die losstaan van iedere bedrijfsstrategie.
1.7 Een onderneming houdt exploratie en exploitatie structureel gescheiden. Welke hogere-
orde capability hoort hierbij volgens Birkinshaw et al.?
a. Resource-linking: middelen verbinden tussen afzonderlijke exploratieve en exploitatieve
organisatieonderdelen.
b. Context-shaping: medewerkers ondersteunen binnen één gezamenlijke exploratieve en
exploitatieve context.
c. Cost-cutting: uitgaven verminderen binnen afzonderlijke exploratieve en exploitatieve
organisatieonderdelen.
d. Focus-shifting: aandacht verschuiven tussen opeenvolgende exploratieve en exploitatieve
organisatieperiodes.
1.8 Welke organisatiewijze past het best bij de fluid phase van een technologie?
a. Een mechanistische structuur met stabiele taken en sterke verticale controle.
b. Een gecentraliseerde structuur met uniforme routines en voorspelbare operationele
resultaten.
c. Een bureaucratische structuur met vaste procedures en weinig externe contacten.
SEOR • Oefenvragen • Samenvatting + examenvoorbeelden
, d. Een organische structuur met flexibele taken en veel laterale communicatie.
1.9 Een manager wijst externe kennis af omdat interne expertise altijd beter zou zijn. Welk
mechanisme illustreert dit?
a. Not-invented-here, waarbij externe kennis wordt afgewezen ten gunste van eigen expertise.
b. Resource-linking, waarbij externe kennis wordt gekoppeld aan afzonderlijke interne
innovatie-eenheden.
c. Market pull, waarbij externe klantbehoeften worden vertaald naar nieuwe interne
productontwikkeling.
d. Double-loop learning, waarbij bestaande doelen worden bevraagd met behulp van externe
expertise.
1.10 Een bedrijf lanceert meerdere incubators zonder beloningssystemen of
leiderschapsgedrag te veranderen. Welke diagnose past het best bij het conditions–execution-
raamwerk?
a. Het bedrijf verbetert procesinstrumenten, waardoor strategische tegenstellingen vanzelf
verdwijnen zodra projecten starten.
b. Het bedrijf verbetert culturele voorwaarden, terwijl alleen ontbrekende technische kennis
verdere vernieuwing verhindert.
c. Het bedrijf verbetert structurele voorwaarden, waardoor organisatorische gedragsbarrières
hun invloed op innovatie verliezen.
d. Het bedrijf verbetert procesinstrumenten, terwijl organisatorische gedragsbarrières hun
effectiviteit kunnen blijven ondermijnen.
Open vragen
Open 1.1
Een gevestigde camerafabrikant bezit werkende digitale prototypes. De directie blijft echter
eisen dat ieder product geld verdient met verbruiksmaterialen. Nieuwe projecten worden
bovendien op kwartaalwinst beoordeeld.
a. Verklaar de stagnatie met Tripsas & Gavetti.
b. Leg uit hoe de tyranny of success hierbij speelt.
c. Onderscheid een probleem in conditions van een probleem in execution.
d. Adviseer twee samenhangende aanpassingen met O'Connor en/of Gilsing H2.
Open 1.2
Vergelijk de drie adaptation modes van Birkinshaw et al.
a. Beschrijf structurele scheiding en de bijbehorende hogere-orde capability.
b. Beschrijf gedragsmatige integratie en de bijbehorende capability.
c. Beschrijf sequentiële afwisseling en de bijbehorende capability.
d. Leg uit waarom het artikel geen universele set dynamic capabilities verwacht.
SEOR • Oefenvragen • Samenvatting + examenvoorbeelden
60 meerkeuzevragen • 12 open vragen • met antwoordmodel
Gebaseerd op jouw samenvatting en de meegeleverde examenvoorbeelden. Dit zijn nieuwe
oefenvragen, geen officiële of voorspelde tentamenvragen. De vragen staan in het Nederlands;
centrale vaktermen blijven in het Engels.
Per week: 10 MC-vragen met steeds één juist antwoord (a–d), gevolgd door 2 open vragen. Bij
MC-vragen zijn de vier opties bewust ongeveer even lang. De juiste letters zijn over de volledige
set gelijk verdeeld. Antwoorden en bronverwijzingen staan achterin.
De vragen zijn gericht op academisch masterniveau: theoretische mechanismen,
grensvoorwaarden, interpretatie van onderzoeksbevindingen en toepassing op korte cases. Let
ook op het onderscheid tussen samenhang en causaliteit, conceptuele proposities en empirisch
bewijs, en niet-significante resultaten en bewezen afwezigheid van een effect. Open vragen
kunnen meerdere weken verbinden. Gebruik bij elke open vraag a–d als antwoordstructuur;
reken voor oefenen op maximaal 250 woorden, behalve waar 100 woorden staat.
Oefenbeoordeling: 5 punten per MC-vraag en 20 punten per open vraag (5 punten per deel). Dit
is een uitgebreide oefenset: de voorbeeldslides beschrijven voor het echte examen 24 MC-
vragen en 1 open vraag. Oudere voorbeelden illustreren alleen de vraagstijl; vragen over niet-
opgenomen oude artikelen zijn niet overgenomen.
SEOR • Oefenvragen • Samenvatting + examenvoorbeelden
,Week 1 — Why innovate and why so difficult?
Meerkeuzevragen
1.1 Een onderneming is zeer succesvol met bestaande producten, maar reageert traag op een
nieuwe markt. Welke verklaring volgt het sterkst uit de tyranny of success?
a. Eerdere successen leveren middelen op die de interpretatie van nieuwe kansen automatisch
verbreden.
b. Eerdere successen verlagen marktonzekerheid waardoor organisatorische vernieuwing
minder afhankelijk wordt van identiteit.
c. Eerdere successen vergroten specialisatie waardoor strategische beliefs geen zelfstandige
invloed meer hebben.
d. Eerdere successen legitimeren routines en overtuigingen die de interpretatie van nieuwe
kansen beperken.
1.2 Een fabrikant verbetert zijn bestaande productieproces, maar ontwikkelt geen nieuwe
activiteiten. Welke typering past het best?
a. Adaptation, omdat bestaande activiteiten efficiënter worden zonder fundamentele
organisatorische vernieuwing.
b. Discontinuity, omdat bestaande activiteiten sneller worden zonder nieuwe technologie te
ontwikkelen.
c. Renewal, omdat bestaande activiteiten efficiënter worden zonder fundamentele
organisatorische vernieuwing.
d. Exploration, omdat bestaande activiteiten goedkoper worden zonder nieuwe markten te
verkennen.
1.3 Wat maakte Polaroids overgang naar digitale fotografie volgens Tripsas & Gavetti
bijzonder moeilijk?
a. De digitale divisie bleef vasthouden aan uitsluitend analoge technische vaardigheden.
b. De digitale divisie ontwikkelde geen prototypes voor de nieuwe fotografiemarkt.
c. Het topmanagement kon onvoldoende investeren in kennis over digitale beeldvorming.
d. Het topmanagement bleef vasthouden aan overtuigingen over het bestaande verdienmodel.
1.4 Een technologie maakt de bestaande expertise van marktleiders grotendeels onbruikbaar.
Welk begrip past hierbij?
a. Een competence-destroying discontinuïteit die andere competenties nodig maakt voor
marktdeelname.
b. Een organisatorische routine die bestaande competenties stabiliseert bij toenemende
marktonzekerheid.
SEOR • Oefenvragen • Samenvatting + examenvoorbeelden
,c. Een competence-enhancing discontinuïteit die bestaande competenties versterkt bij alle
marktleiders.
d. Een incrementele procesinnovatie die bestaande competenties benut voor hogere productie-
efficiëntie.
1.5 Welke conclusie over O'Connors zeven-elementenmodel is op basis van het artikel
methodologisch verantwoord?
a. Het model bevestigt onderlinge afhankelijkheden, doordat alle elementen afzonderlijk in een
gerandomiseerd experiment zijn onderzocht.
b. Het model bewijst voldoende werking, doordat iedere organisatie met zeven elementen
blijvend succesvolle innovatie heeft gerealiseerd.
c. Het model weerlegt onderlinge afhankelijkheden, doordat één champion zonder
infrastructuur altijd duurzame major innovation kan realiseren.
d. Het model formuleert onderlinge afhankelijkheden, maar de noodzakelijkheid en voldoende
werking zijn niet empirisch aangetoond.
1.6 Hoe moet het MI-systeem volgens O'Connor omgaan met projectmanagementprocessen
van de kern?
a. Het gebruikt dezelfde financiële processen die leidend zijn voor kernprojectmanagement.
b. Het gebruikt eigen exploratieve processen die losstaan van kernprojectmanagement.
c. Het gebruikt vaste productieroutines die rechtstreeks voortkomen uit bestaande
kernactiviteiten.
d. Het gebruikt uitsluitend externe processen die losstaan van iedere bedrijfsstrategie.
1.7 Een onderneming houdt exploratie en exploitatie structureel gescheiden. Welke hogere-
orde capability hoort hierbij volgens Birkinshaw et al.?
a. Resource-linking: middelen verbinden tussen afzonderlijke exploratieve en exploitatieve
organisatieonderdelen.
b. Context-shaping: medewerkers ondersteunen binnen één gezamenlijke exploratieve en
exploitatieve context.
c. Cost-cutting: uitgaven verminderen binnen afzonderlijke exploratieve en exploitatieve
organisatieonderdelen.
d. Focus-shifting: aandacht verschuiven tussen opeenvolgende exploratieve en exploitatieve
organisatieperiodes.
1.8 Welke organisatiewijze past het best bij de fluid phase van een technologie?
a. Een mechanistische structuur met stabiele taken en sterke verticale controle.
b. Een gecentraliseerde structuur met uniforme routines en voorspelbare operationele
resultaten.
c. Een bureaucratische structuur met vaste procedures en weinig externe contacten.
SEOR • Oefenvragen • Samenvatting + examenvoorbeelden
, d. Een organische structuur met flexibele taken en veel laterale communicatie.
1.9 Een manager wijst externe kennis af omdat interne expertise altijd beter zou zijn. Welk
mechanisme illustreert dit?
a. Not-invented-here, waarbij externe kennis wordt afgewezen ten gunste van eigen expertise.
b. Resource-linking, waarbij externe kennis wordt gekoppeld aan afzonderlijke interne
innovatie-eenheden.
c. Market pull, waarbij externe klantbehoeften worden vertaald naar nieuwe interne
productontwikkeling.
d. Double-loop learning, waarbij bestaande doelen worden bevraagd met behulp van externe
expertise.
1.10 Een bedrijf lanceert meerdere incubators zonder beloningssystemen of
leiderschapsgedrag te veranderen. Welke diagnose past het best bij het conditions–execution-
raamwerk?
a. Het bedrijf verbetert procesinstrumenten, waardoor strategische tegenstellingen vanzelf
verdwijnen zodra projecten starten.
b. Het bedrijf verbetert culturele voorwaarden, terwijl alleen ontbrekende technische kennis
verdere vernieuwing verhindert.
c. Het bedrijf verbetert structurele voorwaarden, waardoor organisatorische gedragsbarrières
hun invloed op innovatie verliezen.
d. Het bedrijf verbetert procesinstrumenten, terwijl organisatorische gedragsbarrières hun
effectiviteit kunnen blijven ondermijnen.
Open vragen
Open 1.1
Een gevestigde camerafabrikant bezit werkende digitale prototypes. De directie blijft echter
eisen dat ieder product geld verdient met verbruiksmaterialen. Nieuwe projecten worden
bovendien op kwartaalwinst beoordeeld.
a. Verklaar de stagnatie met Tripsas & Gavetti.
b. Leg uit hoe de tyranny of success hierbij speelt.
c. Onderscheid een probleem in conditions van een probleem in execution.
d. Adviseer twee samenhangende aanpassingen met O'Connor en/of Gilsing H2.
Open 1.2
Vergelijk de drie adaptation modes van Birkinshaw et al.
a. Beschrijf structurele scheiding en de bijbehorende hogere-orde capability.
b. Beschrijf gedragsmatige integratie en de bijbehorende capability.
c. Beschrijf sequentiële afwisseling en de bijbehorende capability.
d. Leg uit waarom het artikel geen universele set dynamic capabilities verwacht.
SEOR • Oefenvragen • Samenvatting + examenvoorbeelden