Elke relatie tussen mensen heeft 4 lagen (dimensies)
> Elke laag geeft inzichten over deze relatie
Grondlegger: Ivan Böszormenyi – Nagy
> Van dimensies vies + de problematiek van de cliënten vast te leggen in 4 draden
> CONTEXTUEEL DENKEN
= naar de mens kijken in 4 draden (dimensies)
Het is nooit elke dag dezelfde soort relatie (niet statisch)
> Als PGO, mens zien als geheel (hoe doet die, denkt die, voelt die + hoe tov relatie)
Dirk De Wachter; belang van een relatie
‘Je weet niet dat je fantastisch … bent, op een eiland’
> Relaties met een andere van fundamenteel belang, zo weet je wie je bent
Dimensies!
> Elke dimensie is even belangrijk
> Respect voor heel het cliëntensysteem
> MINSTENS 3 GENERATIES
> Helpt om veel informatie over een cliënt te verzamelen en om lege gaatjes te
vullen
> Helpt gemeenschappelijke taal in hulpverlening
Gelaagd kijken
> Kijken naar 4 dimensies samen
> Je kan pas uitspraken doen over 4de dimensie als je draad 1,2 en 3 al kent
DIMENSIE 1: OBJECTIVEERBARE FEITEN
> Alles in het leven wat zwart/wit is
> Alles wat objectiveerbaar is
> Geen beleving, interpretaties, veronderstellingen, …
1.1THEORETISCH: 7 KADERS
1. Biologische/medische kader
Geslacht, leeftijd, geboorte, dood, …
Psychiatrische diagnose is voor Nagy geen feit
> Is een uiting van andere problemen
2. Financieel en materieel kader
Financieel: arbeid en tewerkstelling; inkomen/schulden
Materieel: huisvestiging, mobiliteit, materiele mogelijkheden
3. Wettelijk en juridisch kader
Burgerlijke staat, kinderen, nationaliteit
4. Economische en ecologisch kader
Economisch: macroniveau, hoge/lage conjunctuur, socio-eco
, ecologisch: milieu, natuurrampen, klimaat
5. Sociologisch en cultureel kader
Relatie- en samenlevingsvormen, kinderen, gender,
geschiedenis, …
6. Historisch kader
Micro: life – events (zwart – wit)
Macro: tijdvak, wereldgebeurtenissen
7. Religieus en spiritueel kader
Geloofsovertuigingen, levensfilosofie
Niet hetzelfde als cultuur
Kruispuntdenken: 14 assen; aanvullend op de kaders
EXAMEN: kaders uit een casus kunnen halen en benoemen
1.2 VORIGE GENERATIES
Feiten en gebeurtenissen in leven van (groot)ouders
consequenties voor het leven
Voorbeeld: bij dimensie; bij een echtscheiding kan er bezoekregeling worden uitgewerkt
dat vaststaand feit is in het leven van hun kinderen
1.3 METHODIEKEN EN INTERVENTIES
GENOGRAM (=STAMBOOM)
> Manier om feiten te verzamelen over families
> Stafkaart van existentiële feiten, familie- en gezinsrelaties
Pictogrammen Mentale of psychische stoornis alcohol- of
middelenmisbruik combinatie
Figuur 2: genogramsymbolen 2
(genopro.com)
,VISUALISERING VAN INTERACTIES IN EEN GENOGRAM
REGELS BIJ GENOGRAM:
1. Heteroseksuele relatie, man moet altijd links staan
Figuur 6: genogramregels 1
2. Kinderen worden gerangschikt van links naar rechts volgens geboortedatum
Figuur 7: genogram-regels 2
3. Er wordt met minstens 3 generaties gewerkt. Elke generatie staan ook op gelijke
hoogte
Figuur 8:
Genogram-regels 3
, 4. Namen en leeftijden worden indien gekend vermeld op de correcte wijze (zie
hierboven)
5. Centrale cliënt wordt altijd aangeduid en als er zicht is met wie de centrale cliënt
samenwoont duiden we dit als volgt aan
Voordelen:
> Vergroot relationele en culturele gevoeligheid
> Combineert (minder) bekende gegevens met belangrijke gebeurtenissen
> Inzicht in verband tussen gebeurtenissen, relaties in het leven, …
Kritische bedenkingen:
> Vertrekt vanuit bloedband zorgcultuur
> Veranderde maatschappij moeilijk te tekenen
> Niet voor alles een symbool
LEVENSLIJN (= TIJDSLIJN)
> Horizontaal of verticaal
> Cliënt krijgt inzicht in eigen geschiedenis
> Vaak belangrijk om generaties naast elkaar te zetten (zo ontdekt je patronen)
GOOGLE MAPS
> Kan woonplaats van iemand zichtbaar maken
DIMENSIE 2: PSYCHOLOGIE
Gaat over subjectieve, intrapsychische, psychodynamische innerlijke van het individu
> Niet de feiten staan hier centraal MAAR de manier waarop de individu feiten
waarneemt, ervaart, aanvoelt, …
> Binnenkant van de cliënt, niet wat waarneembaar is
> Gedachten; overtuigingen, motivaties, ervaringen, dromen, …
> Gevoelens; emoties, verlangens, …
> Gewaarwordingen; tintelingen, vlinders in de buik, …
> Behoeften; wat je nodig hebt
> Waarden; wat je belangrijk vind
2.1THEORIEËN EN BENADERINGEN