Wat is ontwikkeling?
Verloopt in een vaste logische volgorde en is onomkeerbaar, waarbij dit
altijd van eenvoudig naar complex verloopt en elke fase al het voorgaande
bevat.
Waarom is kennis van ontwikkeling belangrijk voor pm’ers en
leerkrachten?
Om gedrag te begrijpen, ontwikkeling te stimuleren, problemen te
signaleren en de juiste begeleiding te bieden.
3 factoren van ontwikkeling:
Erfelijke factoren: heeft invloed op de basale functies zoals
aandacht, geheugen en schrikreacties.
Ontwikkelingsgeschiedenis: Hoe het kind zich in het verleden
heeft ontwikkeld.
Actuele omgevingsinvloeden: omvat gezin, school, wijk, SES,
culturele context en is een dynamisch interactief proces tussen 3
factoren.
Wat is rijping/ maturatie?
Biologisch proces, afhankelijk van de ontwikkeling van het zenuwstelsel,
relatief onafhankelijk van oefening.
Bijv: kunnen lopen bij voldoende rijping van zenuwstelsel,
tandwisseling, pubertijd.
Gen-omgevingsinteractie:
Verschillen in reactie op omgeving door genetische verschillen.
Gen-omgevingscorrelatie:
Genen beïnvloeden de omgeving waar je in terecht komt.
Piaget
4 stadia + leeftijden
Sensomotorische periode 0-2 jaar
Legt de nadruk op motorische reacties op input van zintuigen.
o Reflexen 0-1 maand: Geen nieuw gedrag alleen aangeboren
reflexen.
o Primaire circulaire reacties 1-4 maand: Gedrag dat een
plezierig effect heeft, zal worden herhaald.
o Secundaire circulaire reacties 4-8 maand: Baby ervaart
wat effecten op handelen zijn buiten het eigen lichaam.
o Coördinatie van secundaire schema’s 8-12 maand:
Doelgericht aaneengeschakelt gedrag.
o Tertiare circulaire reacties 12-18 maand: Kind gaat
variëren en experimenteren in het gebruik van voorwerpen.
o Het eerste denken 18-24 maand: Kind bedenkt oplossing
eerst in gedachte, ipv. Dit door lichamelijk handelen op te
lossen.
Pre-operationele periode 2-7 jaar
,Kind kan eenvoudige oorzakelijke verbanden in dagelijks leven leggen
bestaande uit:
Egocentrisme: Onvermogen om te verplaatsen in het gezichtspunt
van de ander.
Animisme: Leven toekennen aan niet-levende dingen.
Artificialisme: Geloven dat alles door mensen is gemaakt.
Realisme: Psychische fenomenen als echt zien (dromen).
Concreet operationele periode 7-11 jaar.
Kind is in staat tegenstrijden/onjuistheden te ontdekken.
Logisch denken:
o Rangorde: Klein naar groot > groot naar klein etc.
o Categorieen: weten dat dingen in bepaalde categorieen
thuishoren: Poedel= hond=dier.
o Conservatie van aantal: 10 blijft 10 ongeacht dat het
verspreid ligt.
o Volume en gewicht: inhoud van iets blijft hetzelfde.
Formeel operationele periode 11 jaar >
Vermogen om logische denkoperaties uit te voeren met het mogelijke of
hypothetische.
Schema’s Piaget
Schema’s zijn strategieen waarmee kinderen de buitenwereld benaderen
Grijpschema’s
Kijkschema’s
Zuigschema’s
Trial and error:
Net zolang proberen tot iets lukt.
Adapteren:
Gedrag of denken veranderen om effectiever te kunnen functioneren.
Bestaat uit twee processen:
Assimilatie:
Proces waarmee bestaande vaardigheden of kennis worden gebruikt in
nieuwe situaties.
Accommodatie:
Het proces van aanpassing van bestaande vaardigheden of kennis om met
een nieuwe situatie te kunnen omgaan.
Objectpermanentie:
Weten dat iets aanwezig blijft, ook als dit uit het zicht is verdwenen.
Freud en Erikson
5 fase van Freud:
Orale fase 0-1 jaar: Lustbeleving via de mond (zuigen, bijten).
, Anale fase 1-3 jaar: Controle over sluitspieren en
zindelijkheidstraining.
Fallische fase 3-6 jaar: Ontdekking van geslachtsdelen, focus op
oedipuscomplex
Latentiefase 6- puberteit: Seksuele driften worden minder,
energie naar sociale vaardigheden en school.
Genitale fase vanaf puberteit: Volwassen seksualiteit en
aangaan van intieme relaties.
*Het goed doorlopen van de diverse stadia van de driftontwikkeling is
afhankelijk van de hoeveelheid bevrediging of frustratie die het kind heeft
beleefd in elk stadium. Te veel of te weinig bevrediging kan beiden de
ontwikkeling stagneren. Dit noemen we fixatie.
Oedipuscomplex
Willen zijn van partner van een van de ouder (trouwen met papa/ mama).
Psychosociale fase Erikson
Vertrouwen vs. Wantrouwen 0-1,5 jaar.
Ontwikkeling van hoop en basisvertrouwen is afhankelijk van de zorg van
ouders. Tekorten kunnen zorgen voor een basaal wantrouwen, denk aan
verwaarloosde kinderen. Zij kunnen relatiepatronen ontwikkelen waarin zij
andere afwijzen.
Autonomie vs. Schaamte en twijfel 1,5-3 jaar.
Ontwikkelen van zelfstandigheid en wilskracht door verkenning. Stadium is
cruciaal voor de vorming van de balans tussen liefde en haat.
Initiatief vs. Schuldgevoel 3-6 jaar.
Leren initiatief te nemen, doelen stellen en ontwikkelen doelgerichtheid.
Gretigheid waarmee kinderen in activiteiten en ideeën ontplooien, kan hen
in conflict brengen met broertjes, zusjes, ouder of leeftijdgenoten. In deze
fase wordt de gretigheid en de eisen van de omgeving op elkaar
afgestemd.
Vlijt vs. Minderwaardigheid 6-12 jaar.
Vaardigheden, samenwerken en competentie leren op school. Als er geen
evenwicht is tussen de vermogens van het kind en de eisen die gesteld
worden, bestaat het gevaar dat gevoelens van tekortschieten of
minderwaardigheid ontstaan.
Identiteit vs. Rolverwarring 12 jaar>
Pubers zoeken eigen identiteit en plaats in samenleving. Het succes van
eerdere fasen is deels bepalend voor het succes waarmee het kind deze
fase goed doorkomt.
Visie Freud
Gedrag wordt niet primair gestuurd door rationele gedachten, maar door
onbewuste drijfveren, instincten en conflicten. Eindigt bij adolescentie.
Visie Erikson
Psychosociale ontwikkeling> invloed van sociale omgeving op levensloop
en identiteit. Gaat door tot volwassenheid.
Leertheorie