OG 1: 20 september 2024
Oefening 1.
A Juist Enkel niet van toepassing tenzij er uitdrukkelijk van wordt afgewezen of in
afwezigheid van geschreven regels mogen de regels van het Gerechtelijk
Wetboek niet worden overgenomen of toegepast, als ze onverzoenbaar
blijken met “la nature de l’action exercée”.
Art. 736 Ger. W. is een voorbeeld hiervan.
Cursus p. 10
B Fout Er zijn zowel inquisitoire procedures, als ook accusatoire procedures
(gemengd systeem bevat kenmerken van beide systemen)
C Fout Probatiewet is van toepassing op de drugswet maar H7 is een uitzondering
waardoor deze normaal niet zou toebehoren, art. 6 staat dit wel toe waardoor deze
dus wel van toepassing op
Art. 100 Sw. laat Hoofdstuk VII van Boek I uitgezonderd, terwijl deze bij
art. 6 drugswet wel staat bepaald.
Art. 100 zegt dat Boek I (regels van algemeen strafrecht regels voor alle
bijzondere misdrijven // boek 2 bevat alle bijzondere misdrijven en alle straffen die
daaraan zijn verbonden) Sw. (1867) van toepassing is op boek II en bijzondere
strafwetten (buiten de strafwet vb. wegverkeerswet, drugswet, …) MAAR er
bestaan 3 uitzonderingen
- Wanneer de strafwet uitdrukkelijk afwijkt van Boek I Sw.;
- De bepalingen in Hoofstuk VII met beperking tot de strafbare deelneming;
en
- De bepaling met betrekking tot de verzachtende omstandigheden met
wanbedrijven.
Boek I moet worden aangevuld met probatiewetten (moeten aanschouwd worden
als wetten van algemeen strafrecht onder boek I)
D Juist Voorwaarden zijn voldaan:
- Delictstypiciteit;
- Wederrechtelijkheid;
- Schuld (iets juridisch verwijtbaar);
- Strafwaardigheid.
Men zal pas iemand kunnen bestraffen als er aan deze voorwaarden is voldaan
Deze voorwaarden zijn gelijkaardig aan de vereisten van een misdrijf aangezien
hier enkel de eerste twee voorwaarden moeten worden voldaan (om ook te kunnen
straffen moeten alle 4 voldaan zijn)
Cursus p. 35 -36 (randnr. 111)
E Fout Er zijn inderdaad drie types van objectieve strafbare gedragingen maar er zijn
verschillende leren gebruikt, voorkeur gaat naar equivalentieleer, waardoor de
rechter keuzenvrijheid heeft.
Er wordt een voorkeur gegeven aan de equivalentieleer (alle oorzaken zijn
equivalent)
Vb. je kunt een fout maken (iemand aangereden) waardoor er sprake is van
onopzettelijke slagen en verwondingen maar als die persoon vervolgens naar het
ziekenhuis gaat en daar een infusie krijgt, allergisch reageert, en sterft dan bestaat
er volgens de equivalentieleer een oorzakelijk verband tussen de aanrijding en de
dood in het ziekenhuis. De twee verschillende oorzaken worden dus als equivalent
beschouwd (dit zou bij andere leren anders kunnen zijn).
, Onderwijsgroep strafrecht en strafprocesrecht
Cursus p. 41 – 45
F Fout Het is geen voortgezet misdrijf (verscheidene gedragingen van dezelfde aard) maar
een collectief misdrijf (verscheidene gedragingen van verschillende aard elk afzonderlijk
strafbaar) want de diefstal en de verwonding zijn niet van eenzelfde aard.
Er is wel een eenheid van opzet ( ze zijn verbonden door één groot crimineel
project dus er is spraken van een voortgezet (gedragingen van zelfde aard 2
diefstalen) of collectief misdrijf (vb. dienstal en slagen en verwonding) ).
Cursus p. 46 (randnr. 151)
G Fout Er moet soms ook deels opzet en deels onachtzaamheid zijn (niet altijd het
één of het ander).
Schuldvorm: opzet of onachtzaamheid (schuldvorm is ander woord voor subjectief
bestandsdeel)
Gemengde schuldvorm vereist dat zowel opzet als onachtzaamheid
aanwezig is
Voorbeeld: art. 417/11 + 417/16 obj 1. Seksuele penetratie, obj
2.gepleegd op een persoon die er niet in toestemt (bij beide obj. is opzet
vereist wetens en willens) eventueel obj 3. minderjarigheid (bij obj 3.
(minderjarigheid) is slechts onachtzaamheid vereist, geen opzet nodig, er
wordt dus sneller vaststelling gemaakt van de overtreding je had
moeten weten dat deze persoon minderjarig zijn (onachtzaamheid = je
hoort het te weten))
Delictstypische gedraging: gedraging die voldoet aan de verschillende elementen
van een delictsomschrijving (vb. delictsomschrijving doodslag = art. 393 sw. obj
bestandsdeel = doden, subj best.= oogmerk om te doden)
Er moet aan alle delictsbestandsdelen zijn voldaan om aan een delictstypische
gedraging te voldoen.
Cursus p. 54 (randnr. 178)
H Fout Soms zal de wetgever uitdrukkelijk bepalen welke bestandsdelen er vereist zijn,
maar er zijn ook gevallen dat dit niet uitdrukkelijk wordt bepaald. Er kan dus niet
altijd uit de delicttypische gedragingen afgeleid worden welke bestandsdelen er
vereist zijn. Er is in dit geval sprake van onachtzaamheid (overtreding).
Wanneer de subjectieve bestandsdelen niet kunnen worden afgeleid DAN moet er
gekeken worden naar de 3 soorten: wanbedrijf (opzet vereist in alg. strafwet /
opzet vereist in bijz. strafwet / onachtzaamheid vereist bij bijz. strafwet die geen
strafbepalingen bevat vb. WER), misdaad (opzet is vereist) en overtreding
(onachtzaamheid volstaat)
I Fout Art. 5 Sw. stelt dat alle rechtspersonen strafbaar kunnen worden gesteld,
zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk.
Cursus p. 59 (randnr. 192)
, Onderwijsgroep strafrecht en strafprocesrecht
Oefening 2.
2.1. A is fout want de Europese verordening heeft altijd voorrang
B is fout want de rechter kan soms een andere inhoud geven aan de inhoud,
het MAG maar het MOET niet
C is fout want enkel bij twijfel over de schuld krijgt de beklaagde het voordeel,
niet bij de draagwijdte van een bepaalde regel
D is juist want analogische interpretatie is mogelijk ten voordelen maar niet ten
nadelen van de beklaagde
2.2. A is fout want art. 11 BWHI bepaald dat de decreten de niet-naleving van hun
bepalingen wel degelijk strafbaar kunnen stellen wegens niet-naleving van de
bepaling. De bepalingen van Boek I Sw. zijn dus wel degelijk van toepassing.
Cursus p. 13 (randnr. 43)
B is fout want verzachtende omstandigheden vallen onder Boek I (art. 85
Sw.), hierdoor zijn ze dus wel van toepassing op de decreten van de Franse
gemeenschap (de wanbedrijven zoals in casu zijn een uitzondering + toepassing van
art. 11 BWHI stelt de uitzondering die normaal moest gelden, toch ongeldig) .
Waarom primeert art. 11 BWHI op art. 100? BWHI is een bijzondere meerderheidswet
waardoor ze in de normen hiërarchie boven de normale formele wetten zijn.
C is fout want art. 566 behoort niet tot boek I, art. 100 is dus niet van
toepassing.
Cursus p. 14 (voetnoot 17)
D is juist want bijzondere wetten moeten primeren op algemene wetten
waar de bijzondere wet afwijkt van de algemene wetten, moeten de bijzondere
wetten worden toegepast MAAR waar de bijzondere wetten niet afwijken van de
algemene wetten, moeten de algemene wetten worden toegepast
2.3. A is fout want er is in deze stellen sprake van indirect algemeen opzet
Algemeen opzet is wetens en willens (je wilt de handeling en het gevolg)
Indirect algemeen opzet (= eventueel opzet) (je wilt de handeling en weet dat het gevolg
kan plaatsvinden ondanks je wist dat het gevolg dan kon plaatsvinden, doe je het
toch)
B is fout want er is in deze stelling sprake van onachtzaamheid (een normaal
en vooruitziend persoon zou geen schietoefeningen uitvoeren in zijn tuin)
C is juist want hij wist dat hij haar kon raken, maar ging er van uit dat hij goed
genoeg kon schieten. Er wordt uitdrukkelijk vermeld dat hij er van uit ging dat hij
haar niet ging raken.
D is fout want hij had geen oogmerk om te doden (opzet = wetens en willens,
is in deze stelling niet het geval) (stelling is bewuste onachtzaamheid)
, Onderwijsgroep strafrecht en strafprocesrecht
Oefening 3. (p. 48 – 55)
3.1. Welk misdrijf: onopzettelijke doodslag
Schuldvorm: onachtzaamheid want Bruce handelt met een gebrek aan
voorzorg
Modaliteit: onbewuste onachtzaamheid
3.2. Welk misdrijf: brandstichting
Schuldvorm: opzet want hij wist dat brandstichten een inbreuk op de strafwet
is
Graad: algemeen opzet want hij deed het wetens en willens
Modaliteit: indirect direct onbepaald opzet want hij wou iemand doden maar
wist niet met zekerheid wie er binnen in het gebouw was (indien die zijn ex had
neergestoken was het ‘bepaald’ opzet omdat hij er dan zeker van was dat ze dood ging)
(direct want hij wou de dood) (indirect is als hij brandstichting wou maar de dood niet)
3.3. Welk misdrijf: slagen en verwondingen + doodslag
Schuldvorm: opzet want hij wist dat een explosie slachtoffers zou met zich mee
kunnen brengen
Graad: algemeen opzet want hij deed het wetens en willens
Modaliteit: indirect onbepaald opzet want hij wist niet zeker wat er zou
gebeuren en hij had niet de bedoeling slachtoffers te laten vallen
!! iets bedrieglijk doen is een bijzonder opzet dit volgt duidelijk uit de
delictsgevolgen !!
Oefening 4.
4.1. Fout Art. 5 Sw. bepaald dat een rechtspersoon strafrechtelijk
verantwoordelijk gesteld kan worden voor de misdrijven die zij pleegt
Art. 7bis Sw.
Cursus p. 58 (randnr. 189)
4.2. Juist Art. 5, lid 2 Sw. stelt maatschappen gelijk met rechtspersonen
Cursus p. 59 (randnr. 191)
4.3. Fout Feitelijke verenigingen (zoals politieke partijen) stelt de wet niet met
rechtspersonen gelijk.
Cursus p. 59 (randnr. 191)
4.4. Juist Art. 5, lid 4 Sw. + art. 7bis, lid 3 Sw.
In 2018 besliste het parlement deze uitzondering te schappen. Voor
misdrijven gepleegd vanaf 30 juli 2018 geldt dus de nieuwe regeling.
Art. 7bis, 1° Sw.
Cursus p. 59 (randnr. 190)
Oefening 5.
1. In beginsel kunnen rechtspersonen strafrechtelijk verantwoordelijk worden
gesteld voor alle misdrijven gepleegd voor rekening van de rechtspersoon.
Pagina 59 (randnr. 192)