Samenvattingen aanvullende artikelen
Algemene en bijzondere regelingen
Aangehaalde literatuur: W. H. van Boom, ‘Algemene en bijzondere regelingen in het
vermogensrecht’, RM Themis 2003, 297 – 307.
1. Algemeen is bijzonder?
In het vermogensrecht vinden wij algemene en bijzondere bepalingen. Algemene bepalingen
wekken de schijn dat zij inzetbaar zijn, maar uiteindelijk hebben de bijzondere bepalingen
voorrang. De algemene regels zijn steeds vaker een terugvaloptie en restregeling. In deze
bijdrage gaat Van Boom nader in op een aantal aspecten van de verhouding tussen algemene
en bijzondere bepalingen. Dit doet hij aan de hand van twee perspectieven:
Het wetgevingsperspectief: hier staat de onderlinge verhouding van de wetgeving centraal,
waar Europese invloeden steeds belangrijker worden.
Het gebruikersperspectief: hier staan de behoeften van het rechtsverkeer centraal, hebben
burgers behoefte aan algemene of bijzondere regels? Of is een andere onderverdeling
wenselijk?
2. Het wetgevingsperspectief
2.1 Waarom een bijzondere regel?
De vraag is wat voor bestaansreden bijzondere regelingen in het BW hebben. De redenen
hiervoor verschillen; soms is slechts sprake van bevestiging van wat ook al voortvloeide uit de
algemene regel, vaak worden dwingende regels afgekondigd ten behoeve van consumenten,
etc.
Ook is het niet altijd duidelijk waarom belangrijke rechtsverhoudingen juist niet uitgebreid met
bijzondere bepalingen worden geregeld. Er bestaat bijvoorbeeld geen specifieke regeling voor
de regels die moeten gelden tussen een bank en consument bij het verstrekken van een
krediet. Nu is dit bij bancaire relaties zo algemeen geregeld omdat zij al van begin af aan al
een goed georganiseerd stelsel had. De behoefte voor een bijzondere regeling was dus niet
heel groot. Ook bij andere branches dan de bancaire zijn de regelingen goed georganiseerd,
bijzondere regels zijn daarom overbodig.
Verder ziet Van Boom inconsistentie in de verhouding tussen bijzondere en algemene regels in
de kenbaarheid van het recht. Hij is van mening dat de kenbaarheid van het recht in het
geding is als regels die heel algemeen zijn geformuleerd, alleen maar onderverdeeld zijn in de
jurisprudentie en literatuur. Denk bijvoorbeeld aan de algemene regel van de onrechtmatige
daad (6:162 BW). Er zijn heel veel soorten van onrechtmatige daad te bedenken die amper
iets met elkaar te maken hebben, en toch allemaal onder dit artikel vallen (denk aan
letselschade en oneerlijke concurrentie). Het feit dat er geen nadere artikelen zijn voor de
onrechtmatige daad is in strijd met de kenbaarheid van het recht.
1
,2.2 Bedreiging van eenheid in het wettelijke stelsel
Eenheid van het vermogensrecht wordt door veel auteurs als centrale waarde gezien, die
bepalend is voor de verhouding tussen algemene en bijzondere regelingen. Voorspelbaarheid
van het recht en rechtszekerheid zijn volgens hen gebaat bij die eenheid. Van Boom verwijst
hier naar de auteur Hartlief, die meent dat het algemene deel van het verbintenissenrecht
door de bijzondere regelingen minder zeggenschap krijgt. Er komen steeds meer bijzondere
bepalingen voor de consument waardoor de klassieke contractsvrijheid steeds meer in het
geding komt, en het merendeel dus in de wet geregeld is.
Verder pleit Hartlief ook voor het vasthouden van het algemene kader (dus dat de algemene
wetgeving leidend blijft). Van Boom is hier sceptisch over. Hij meent dat er bij algemene
regelingen steeds vaker de hoedanigheid van de betrokken personen een inkleuring geeft aan
de norm. Deze hoedanigheid verschilt per geval, en daarom is het voor de hand liggend dat er
automatisch bijzondere regelgeving ontstaat voor de verschillende gevallen. Het is dus zinloos
om ons vast te klampen aan de algemene regelgeving, als er in de praktijk toch behoefte is
aan bijzondere regelgeving.
2.3 Behoud van de gelaagde structuur?
Het grote voordeel dat behaald wordt met het eenheidsstreven van bijvoorbeeld Hartlief, ligt
vooral in het behoud van de gelaagde structuur van het BW. Toch wordt dit voordeel weer
teniet gedaan door de Europese regelgeving. De regelingen die geïmplementeerd moet
worden in het Nederlands BW, hebben vaak weinig samenhang, overlappen elkaar en spreken
elkaar tegen. Europese Richtlijnen bekommeren zich namelijk niet om nationale structuren
zoals ons gelaagde BW. Wetgevers worstelen daarom enorm met de implementatie door de
afwijkende terminologie en systematiek.
Deze wetgevingsdilemma’s zijn niet nieuw. De gelaagde structuur was al vanaf het begin een
moeilijk te handhaven uitgangspunt, ook afgezien van de implementatie van richtlijnen. Het
BW is namelijk opgesteld door verschillende personen met uiteenlopende wetgevingsstijlen,
waardoor de verhouding met het algemene vermogensrecht soms niet helemaal klopt.
3. Het gebruikersperspectief
3.1 Verbijzondering door verschillende hoedanigheden
Het wetgevingsperspectief levert vooral klachten op over de problemen bij de systematiek en
klassieke uitgangspunten, maar ook de gebruikers (‘gewone mensen’) moeten in acht
genomen worden. Sluiten de regels die het vermogensrecht stelt aan bij de maatschappelijke
behoeften? Tegenstrijdige overlappingen zijn niet wenselijk, maar vage algemeenheden ook
niet. Wat is gunstiger voor de burgers?
De ontwikkelingen in de rechtspraak en de neiging naar steeds meer bijzondere regelgeving
indiceren dat de maatschappij steeds meer behoefte heeft aan verschillende regels voor
verschillende personen. Eigenlijk kunnen we de verschillende hoedanigheden opsplitsen in de
categorieën ondernemers en rechtspersonen en consumenten. Van Boom meent dat de
vernieuwing van het vermogensrecht vooral gebeurt door ontwikkelingen buiten het
vermogensrecht. Dit illustreert hij in de volgende paragrafen aan de hand van ontwikkelingen
in het consumentenrecht.
2
, 3.2 Een voorbeeld: verdere verbijzondering van consumentenrecht
3.2.1 Drie desiderata voor het consumentenrecht
De verbijzondering in het consumentenrecht heeft als doel om natuurlijke personen in
bescherming te nemen. Er zijn echter zoveel bijzondere bepalingen toegevoegd dat dit deel
van het vermogensrecht al niet meer echt algemeen of ‘klassiek’ is. De focus ligt op het idee
dat de consument recht heeft op volledige en relevante informatie over zijn aankoop, op
transparante voorwaarden en laagdrempelige geschilbeslechting.
Het huidige consumentenrecht voorziet nog niet optimaal in deze behoeften; de algemene
regels bevatten geen uitzonderingen, terwijl de bijzondere regels vaak alleen formele
beschermingsinstrumenten bieden (denk aan bedenktermijnen, terhandstelling, etc.). Van
Boom
gaat nu in op drie andere niet bevredigde behoeften van de consument:
Transparantie: Consumenten willen graag hun contracteerbeslissingen kunnen baseren op
relevante overwegingen. Gebrekkige informatie kan namelijk leiden tot oneerlijke
handelspraktijken en misleiding. Denk bijvoorbeeld aan het feit dat je onopgemerkt op een
SMS-berichtenservice geabonneerd kan raken. Als je niet weet hoe je dit kunt stoppen, blijf je
betalen. Het algemene vermogensrecht biedt echter geen wetgeving om deze praktijken te
bestrijden. Er staat weinig in over het geven van objectieve informatie, transparantie en
kwaliteit van aangeboden diensten door de aanbieder. Tot groot verdriet van Van Boom is er
geen bijzondere regelgeving die dit soort initiatieven waarborgt, ook al gaat het om
regelingen die de vermogensrechtelijke verhouding van grote groepen burgers betreffen.
Redelijke prijs/kwaliteitverhouding: Een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit is al
aanwezig op een markt met goed werkende concurrentie. Maar op markten waar er sprake is
van grote bedrijven (denk aan kabeldiensten, overheidslichamen) of een monopolie, is dat niet
altijd zo. Het vermogensrecht heeft ook hier geen bepalingen voor. Van Boom pleit voor een
aparte titel in Boek 7 betreffende deze behoefte, en dat bijzondere wetten zoals de
Mededingingswet, Wet op het Consumentenkrediet, etc. ook tot het vermogensrecht moeten
worden gerekend, wat nu nog niet het geval is.
Geschilbeslechting: Consumenten hebben behoefte aan een laagdrempelig, snel en effectief
geschilsoplossingssysteem. Van de civiele rechter wordt verwacht dat hij de algemene en
bijzondere bepalingen goed kan toepassen, maar er komen er steeds meer bij, waardoor het
moeilijker wordt voor de rechter om alles te beheersen. De civiele rechtspraak is niet erg
gespecialiseerd, en daarom wordt er veel gestunteld als het gaat om bijzondere regelgeving.
Bovendien heeft de civiele rechtsgang concurrentie van bijvoorbeeld de AFM, omdat het
toezicht van het AFM effectiever is dan de algemene regeling van het BW.
4. Conclusie
Van Boom is van mening dat het BW ondanks haar wildgroei van algemene, bijzondere
regelingen met complicaties in de structuur, toch niet te hard bekritiseerd moet worden. Het
consumentenrecht en het ondernemersvermogensrecht zijn sterk uit elkaar gegroeid wat de
wetgever niet had voorzien bij het maken van het BW. Van Boom pleit voor het verdelen van
de rechtsmaterie in deze twee categorieën.
Als de rechtsmaterie inderdaad zo ingedeeld wordt, zal er ook minder frictie ontstaan in de
verhouding tussen algemene en bijzondere regelingen. Deze algemene en bijzondere
regelingen kunnen zich ook buiten het BW bevinden, daarom moet men letten op de
maatschappelijke ontwikkelingen.
3