Controleer deze samenvatting naast de voorgeschreven stof.
Aansluiting op latere syllabi en wetswijzigingen is niet gegarandeerd.
,Inhoudsopgave
Week 1 - Kernbegrippen goederenrecht — 3
Week 2 - Overdracht van roerende zaken en vorderingen — 15
Week 3 – Derdenbescherming en overdracht van registergoederen — 31
Week 4 - Originaire wijzen van verkrijging en verkrijgende verjaring — 40
Week 5 - Beperkte rechten en appartementsrecht — 47
Week 6 - Eigendomsvoorbehoud, recht van reclame en retentierecht — 61
Week 7 - Pandrecht op roerende zaken, hypotheekrecht en de — 68
Week 8 - Pandrecht op vorderingen — 74
Week 9 - Faillissement, vermogensscheiding en de trust — 80
,Week 1 - Kernbegrippen goederenrecht
Algemene begrippen
Goederenrecht is samen met het verbintenissenrecht onderdeel van het vermogensrecht. Het verschil
tussen goederenrecht en verbintenissenrecht is dat het goederenrecht de verhouding regelt tussen een
persoon en een goed en het verbintenissenrecht tussen personen onderling.
3
, Vermogen
Het vermogen is iemands op geld waardeerbare rechten en plichten (het geheel van goederen en
schulden). Theoretisch gezien is iedereen dus een “vermogend mens”, zelfs als hij meer schulden heeft
dan goederen. Iedere natuurlijke persoon heeft dus een vermogen.
Goederen zijn alle zaken en vermogensrechten (art. 3:1 BW). Onder schulden
verstaat men
bijvoorbeeld geldschulden aan de bank of de overheid.
Zaken
Zaken zijn ingevolge art. 3:2 BW alle voor menselijke beheersing vatbare
stoffelijk objecten. In
concreto gaat het erom of de ‘zaak’ tastbaar is, waarneembaar is, eventueel verhandelbaar is, etc. en
derhalve voor menselijke beheersing vatbaar is. Voorts gaat het erom dat het een stoffelijk object betreft.
Dit houdt in dat bijvoorbeeld vermogensrechten geen zaken kunnen zijn omdat dit geen stoffelijke
objecten zijn maar slechts op papier bestaan.
Een goed voorbeeld hiervan is de zee. Spreekt men over ‘de zee’ dan zal dit in de regel geen zaak in de
zin van art. 3:2 BW zijn. Spreekt men echter over zeewater in een fles, dan zal dit wel het geval zin.
De vraag is dan waar bijvoorbeeld vorderingen wel onder vallen binnen het goederenrecht. Die vraag
dient te worden beantwoord met het begrip ‘goed’. Op grond van art. 3:1 BW wordt onder goed c.q.
goederen namelijk ‘alle zaken en vermogensrechten’ verstaan.
Mensen zijn geen zaken, maar rechtssubjecten. Dat betekent dat zij rechten en plichten hebben en geen
rechtsobjecten zijn. Ook dieren kunnen geen zaken zijn (art. 3:2a BW). Wel zijn bepalingen met
betrekking tot zaken op dieren van toepassing. Voorheen waren dieren wel zaken.
Tip!
Let op: de wetgever heeft bij de transitie van het oud Burgerlijk Wetboek in het nieuw Burgerlijk Wetboek
een spelletje gespeeld door hetgeen toen ‘zaak’ genoemd werd nu als ‘goed’ aan te duiden en vice
versa. Houd hier dus rekening mee bij het lezen van oude jurisprudentie.
Art. 3:3 BW maakt een onderscheid tussen roerende zaken en onroerende zaken. Roerende zaken zijn
alle zaken die niet onroerend zijn. Onroerende zaken zijn 'de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen,
de met de grond verenigde beplantingen, en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn
verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken'
In beginsel is dus de grond en al haar bestanddelen onroerend. Met de grond wordt bedoeld het uiterste
vlak van de aardkorst. Met beplanting wordt bedoeld al hetgeen met de grond is verenigd en als
beplanting kan worden aangemerkt. De eventuele toets van duurzaamheid is niet van belang bij
beplanting. Evenmin is bij beplanting van belang of er wortels zijn of niet.
De vraag die dan rijst, is wanneer er sprake is van iets dat ‘duurzaam met de grond is verenigd’.
Omdat de wetgever hier geen duidelijkheid over heeft geboden in de wet, moet worden gekeken naar de
rechtspraak. Relevant is HR Portacabin. In dit arrest formuleerde de Hoge Raad drie criteria die van
belang zijn bij de bepaling of een gebouw duurzaam met de grond is verenigd:
1. Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW doordat het
naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet van belang is dat technisch
de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen;
4