Mens en leren:
Werkcollege 1:
Recht op privacy en geheimhouding:
Discretieplicht = de verplichting om geen vertrouwelijke gegevens vrij te geven
aan anderen dan diegenen die gerechtigd zijn er kennis van te nemen. Informatie
kan worden gedeeld binnen de organisatie. Enkel mensen die er zaken mee
hebben à need to know vs nice to know
- Jeugdwerkers, leerkrachten, leerlingenbegeleiding, zorgcoördinator
- Voor ambtenaren is wordt dit ambstgeheim
- Het staat in je arbeidscontract
Beroepsgeheim = geheimhouding binnen en buiten de organisatie voor de
vertrouwensrelatie met de cliënt.
- CLB-medewerkers, huisarts, psycholoog, psychiater, PC, dermatoloog,
gynaecoloog, advocaten, notarissen, apothekers…
- Anders wordt het strafwettelijk gesanctioneerd via strafwetboek
PLICHT RECHT
ZWIJGEN Zwijgplicht: je moet Zwijgrecht: je mag in specifieke toestanden zwijgen
zwijgen, dit is de regel!
SPREKEN Spreekplicht: je moet Spreekrecht: mag in 4 mogelijke situaties
spreken bij schuldig - Rechter of parlementaire onderzoekscommissie bv. getuigen
hulpverzuim à bv. iemand voor geweld in gezin, je mag kiezen of je praat of niet
zegt dat die zijn ex iets gaat - Aangifte van een misdaad: cliënt heeft misdaad begaan
aandoen en doet dit - Noodtoestand: cliënt is in nood
effectief - Toestemming cliënt
Dus: altijd zwijgen!!! Tenzij gegronde redenen, overleg is aangeraden maar
jij draagt eindverantwoordelijkheid. Bij start traject benoem je altijd dat er
beroepsgeheim is.
GDPR = general data protection regulation = algemene verordening
gegevensbescherming
- Europese privacywet die jouw gegevens beschermt. Standaardisering van
de verwerking van persoonsgegevens.
Soorten diagnostiek:
- Onderkennende diagnostiek = classificerende diagnostiek = wat is er
aan de hand, welke problematiek?
- Differentiaaldiagnostiek = differentiële diagnostiek = welke stoornissen
of problematieken kunnen bij deze symptomen horen?
- Verklarende diagnostiek = etiologische diagnostiek = waar komt dit
vandaan, wat is de verklaring?
1
, - Handelsgerichte diagnostiek = indicerende diagnostiek = hoe kunnen
we ze begeleiden?
Diagnostische classificatiesystemen:
2 handboeken om alles netjes op te delen: DSM-5 en ICD
- Gelijkenissen: checklisten per aandoening, basis voor ziektestatistieken,
geen adviezen (stopt bij heeft de persoon dit?)
- Verschillen: DSM-5: enkel psychiatrische stoornissen, ICD: zowel
somatische en psychiatrische aandoeningen bv. ook kanker, diabetes
We gebruiken beide, wat verwarrend kan zijn en we moeten kritisch blijven! In
1973 stond homoseksualiteit er nog in als stoornis.
- Voordelen: mensen weten graag wat ze hebben (‘ligt niet aan mij’), weten
wat je eraan kan doen
- Nadelen: diagnoses kunnen verlammen, stigmatisering (je hebt dit dus je
kunt bv. die job niet doen), ongevraagd medelijden
WHO heeft ook een systeem ontwikkeld, ze kijkt naar persoon in interactie met
omgeving = ICF (international classification of functioning)
- Gebaseerd op bio-psycho-sociaal model, neutrale taal, gaat over
functioneren
Het onderscheidt 3 componenten in het functioneren:
I. Anatomisch: lichaam, wat je nodig hebt (positie, aanwezigheid, vorm) à
fysiologische en mentale eigenschappen
II. Activiteiten: onderdeel van handelen: wat kan ik? Bv. kleuter kan knippen
en plakken
III. Participatie: deelname aan maatschappelijk leven: wie is de persoon in
relatie tot anderen? Bv. veel vrienden op speelplaats
Stoornis = op functies en anatomisch iets aan de hand
Beperking = op activiteiten iets aan de hand
Participatieprobleem = sociale activiteiten niet mee kunnen doen door
stoornis…
Nog 2 zaken:
- Externe factoren: invloed van buitenaf bv. ouders, medicatie
- Persoonlijke factoren: hoe ben je als persoon, individuele achtergrond…
DSM/ICD ICF
Gelijkeniss - Beschrijvend - Beschrijvend
en - Gemeenschappelijke - Gemeenschappelijke taal
taal - Classificatiesysteem
- Classificatiesysteem
Verschille - Focus op - Focus op ruimer
n ziekte/aandoening/lets functioneren
2
, el - Aandacht
- Onderkennende omgeving/context
diagnoses - Risico- en protectieve
factoren in kaart brengen
- Informatie bieden rond
aanpak
Handelingsgericht werken en handelsgerichte diagnostiek (HGW
en HGD)
Handelsgericht werken (HGW): 7 uitgangspunten
I. Onderwijs- en opvoedingsbehoeften staan centraal: bv. wat heeft de
leerling nodig om zich goed te voelen
II. Transactioneel (afstemming en wisselwerking): mens functioneert in
wisselwerking met anderen, verandering kan persoon ook veranderen. Bv.
niet goed in vel bij leerkracht A wel bij leerkracht B.
III. Leerkracht en ouders doen ertoe: maakt een enorm verschil
IV. Positieve aspecten: aandacht hiervoor: bv. wat doet het kind al goed?
V. Constructieve samenwerking
VI. Doelgericht: wat is het doel en dan pas actie ondernemen
VII. Systematisch en transparant: eerlijk over het proces
Handelgerichte diagnostiek (HGD):
- Intakefase = probleem verhelderen, kunnen meerdere gesprekken zijn
o Wat is de eigenlijke vraag? Afronden als er een hulpvraag is
o Samen met de cliënt
- Strategiefase = reflecteren over wat je weet: wat ga je er mee doen?
o Risico- en beschermende factoren opnoemen
o Hypothese vormen
o Zonder de cliënt
- Onderzoeksfase = wat zijn de antwoorden op de onderzoeksvragen:
onderzoek doen met valide en betrouwbare instrumenten
- Integratie- en aanbevelingsfase = nieuwe informatie, dus duidelijk
overzicht
o Dan doen we aan psycho-educatie tegenover de ouders bv.
o Dan maken we aanbevelingen: formuleren van doelen, behoeften,
ondersteuning…
- Adviesfase = antwoord geven
o Bespreken mogelijke interventies: richten op beïnvloedbare factoren
- Interventie en evaluatie van interventie = evalueren, kijken hoe het
gaat
Psycho-educatie:
3
, = psychologisch onderwerp en daar informatie over geven. Cliënt moet
begrijpen wat we zeggen.
= patiëntenvoorlichting, psychoeducation, patiënt education, patiënt
teaching…
Essentie:
- Educatie over psychologisch onderwerp (probleem/stoornis)
- Individueel of in groepsverband
- Vast onderdeel van behandelplan
Werkcollege 2:
Wat is opvoeden?
= doelbewust handelen, gekenmerkt door interacties tussen opvoeder en kind,
vorm van helpen en samenzijn, om het kind te stimuleren in zijn ontwikkeling.
3 dimensies die belangrijk zijn bij opvoeding:
I. Existentiële: vanaf dat je ouder wordt moet je er zijn voor je kind =
belangenconflict, ook het besef dat jij er als ouder moet zijn dringt binnen
= pedagogisch besef
II. Klinische: het intentionele dat je doet om je kind groot te brengen: wat
doe ik met/voor mijn kind?
III. Levensbeschouwelijke: waardengericht handelen: je wil hem ook iets
meegeven van waarden en normen die belangrijk vinden
Opvoedingssysteem:
Variabelen:
Het kind: kan op 2 manieren opvoeden beïnvloeden
- Persoonlijkheidskenmerken van het kind:
o Cognitief aspect: verstandelijke mogelijkheden
o Affectief aspect: kind als gevoelswezen, toont het affectie
o Conatief aspect: autonomie, wil ze alles zelf doen of hulp
o Fysieke kenmerken: dik, dun, groot, klein, beperking…
o Temperament: aard, wat zijn de karaktertrekken?
- Manier waarop kind reageert op de opvoedingssituatie
De ouder/opvoeder:
- Persoonlijkheidskenmerken
- Opvoedingsgeschiedenis
- Ouderlijke vaardigheden:
o Disciplineren: regels bijbrengen
o Monitoring: mate van toezicht
o Positieve bekrachtiging: kind versterken
o Positieve ouderlijke betrokkenheid: interesse
4
Werkcollege 1:
Recht op privacy en geheimhouding:
Discretieplicht = de verplichting om geen vertrouwelijke gegevens vrij te geven
aan anderen dan diegenen die gerechtigd zijn er kennis van te nemen. Informatie
kan worden gedeeld binnen de organisatie. Enkel mensen die er zaken mee
hebben à need to know vs nice to know
- Jeugdwerkers, leerkrachten, leerlingenbegeleiding, zorgcoördinator
- Voor ambtenaren is wordt dit ambstgeheim
- Het staat in je arbeidscontract
Beroepsgeheim = geheimhouding binnen en buiten de organisatie voor de
vertrouwensrelatie met de cliënt.
- CLB-medewerkers, huisarts, psycholoog, psychiater, PC, dermatoloog,
gynaecoloog, advocaten, notarissen, apothekers…
- Anders wordt het strafwettelijk gesanctioneerd via strafwetboek
PLICHT RECHT
ZWIJGEN Zwijgplicht: je moet Zwijgrecht: je mag in specifieke toestanden zwijgen
zwijgen, dit is de regel!
SPREKEN Spreekplicht: je moet Spreekrecht: mag in 4 mogelijke situaties
spreken bij schuldig - Rechter of parlementaire onderzoekscommissie bv. getuigen
hulpverzuim à bv. iemand voor geweld in gezin, je mag kiezen of je praat of niet
zegt dat die zijn ex iets gaat - Aangifte van een misdaad: cliënt heeft misdaad begaan
aandoen en doet dit - Noodtoestand: cliënt is in nood
effectief - Toestemming cliënt
Dus: altijd zwijgen!!! Tenzij gegronde redenen, overleg is aangeraden maar
jij draagt eindverantwoordelijkheid. Bij start traject benoem je altijd dat er
beroepsgeheim is.
GDPR = general data protection regulation = algemene verordening
gegevensbescherming
- Europese privacywet die jouw gegevens beschermt. Standaardisering van
de verwerking van persoonsgegevens.
Soorten diagnostiek:
- Onderkennende diagnostiek = classificerende diagnostiek = wat is er
aan de hand, welke problematiek?
- Differentiaaldiagnostiek = differentiële diagnostiek = welke stoornissen
of problematieken kunnen bij deze symptomen horen?
- Verklarende diagnostiek = etiologische diagnostiek = waar komt dit
vandaan, wat is de verklaring?
1
, - Handelsgerichte diagnostiek = indicerende diagnostiek = hoe kunnen
we ze begeleiden?
Diagnostische classificatiesystemen:
2 handboeken om alles netjes op te delen: DSM-5 en ICD
- Gelijkenissen: checklisten per aandoening, basis voor ziektestatistieken,
geen adviezen (stopt bij heeft de persoon dit?)
- Verschillen: DSM-5: enkel psychiatrische stoornissen, ICD: zowel
somatische en psychiatrische aandoeningen bv. ook kanker, diabetes
We gebruiken beide, wat verwarrend kan zijn en we moeten kritisch blijven! In
1973 stond homoseksualiteit er nog in als stoornis.
- Voordelen: mensen weten graag wat ze hebben (‘ligt niet aan mij’), weten
wat je eraan kan doen
- Nadelen: diagnoses kunnen verlammen, stigmatisering (je hebt dit dus je
kunt bv. die job niet doen), ongevraagd medelijden
WHO heeft ook een systeem ontwikkeld, ze kijkt naar persoon in interactie met
omgeving = ICF (international classification of functioning)
- Gebaseerd op bio-psycho-sociaal model, neutrale taal, gaat over
functioneren
Het onderscheidt 3 componenten in het functioneren:
I. Anatomisch: lichaam, wat je nodig hebt (positie, aanwezigheid, vorm) à
fysiologische en mentale eigenschappen
II. Activiteiten: onderdeel van handelen: wat kan ik? Bv. kleuter kan knippen
en plakken
III. Participatie: deelname aan maatschappelijk leven: wie is de persoon in
relatie tot anderen? Bv. veel vrienden op speelplaats
Stoornis = op functies en anatomisch iets aan de hand
Beperking = op activiteiten iets aan de hand
Participatieprobleem = sociale activiteiten niet mee kunnen doen door
stoornis…
Nog 2 zaken:
- Externe factoren: invloed van buitenaf bv. ouders, medicatie
- Persoonlijke factoren: hoe ben je als persoon, individuele achtergrond…
DSM/ICD ICF
Gelijkeniss - Beschrijvend - Beschrijvend
en - Gemeenschappelijke - Gemeenschappelijke taal
taal - Classificatiesysteem
- Classificatiesysteem
Verschille - Focus op - Focus op ruimer
n ziekte/aandoening/lets functioneren
2
, el - Aandacht
- Onderkennende omgeving/context
diagnoses - Risico- en protectieve
factoren in kaart brengen
- Informatie bieden rond
aanpak
Handelingsgericht werken en handelsgerichte diagnostiek (HGW
en HGD)
Handelsgericht werken (HGW): 7 uitgangspunten
I. Onderwijs- en opvoedingsbehoeften staan centraal: bv. wat heeft de
leerling nodig om zich goed te voelen
II. Transactioneel (afstemming en wisselwerking): mens functioneert in
wisselwerking met anderen, verandering kan persoon ook veranderen. Bv.
niet goed in vel bij leerkracht A wel bij leerkracht B.
III. Leerkracht en ouders doen ertoe: maakt een enorm verschil
IV. Positieve aspecten: aandacht hiervoor: bv. wat doet het kind al goed?
V. Constructieve samenwerking
VI. Doelgericht: wat is het doel en dan pas actie ondernemen
VII. Systematisch en transparant: eerlijk over het proces
Handelgerichte diagnostiek (HGD):
- Intakefase = probleem verhelderen, kunnen meerdere gesprekken zijn
o Wat is de eigenlijke vraag? Afronden als er een hulpvraag is
o Samen met de cliënt
- Strategiefase = reflecteren over wat je weet: wat ga je er mee doen?
o Risico- en beschermende factoren opnoemen
o Hypothese vormen
o Zonder de cliënt
- Onderzoeksfase = wat zijn de antwoorden op de onderzoeksvragen:
onderzoek doen met valide en betrouwbare instrumenten
- Integratie- en aanbevelingsfase = nieuwe informatie, dus duidelijk
overzicht
o Dan doen we aan psycho-educatie tegenover de ouders bv.
o Dan maken we aanbevelingen: formuleren van doelen, behoeften,
ondersteuning…
- Adviesfase = antwoord geven
o Bespreken mogelijke interventies: richten op beïnvloedbare factoren
- Interventie en evaluatie van interventie = evalueren, kijken hoe het
gaat
Psycho-educatie:
3
, = psychologisch onderwerp en daar informatie over geven. Cliënt moet
begrijpen wat we zeggen.
= patiëntenvoorlichting, psychoeducation, patiënt education, patiënt
teaching…
Essentie:
- Educatie over psychologisch onderwerp (probleem/stoornis)
- Individueel of in groepsverband
- Vast onderdeel van behandelplan
Werkcollege 2:
Wat is opvoeden?
= doelbewust handelen, gekenmerkt door interacties tussen opvoeder en kind,
vorm van helpen en samenzijn, om het kind te stimuleren in zijn ontwikkeling.
3 dimensies die belangrijk zijn bij opvoeding:
I. Existentiële: vanaf dat je ouder wordt moet je er zijn voor je kind =
belangenconflict, ook het besef dat jij er als ouder moet zijn dringt binnen
= pedagogisch besef
II. Klinische: het intentionele dat je doet om je kind groot te brengen: wat
doe ik met/voor mijn kind?
III. Levensbeschouwelijke: waardengericht handelen: je wil hem ook iets
meegeven van waarden en normen die belangrijk vinden
Opvoedingssysteem:
Variabelen:
Het kind: kan op 2 manieren opvoeden beïnvloeden
- Persoonlijkheidskenmerken van het kind:
o Cognitief aspect: verstandelijke mogelijkheden
o Affectief aspect: kind als gevoelswezen, toont het affectie
o Conatief aspect: autonomie, wil ze alles zelf doen of hulp
o Fysieke kenmerken: dik, dun, groot, klein, beperking…
o Temperament: aard, wat zijn de karaktertrekken?
- Manier waarop kind reageert op de opvoedingssituatie
De ouder/opvoeder:
- Persoonlijkheidskenmerken
- Opvoedingsgeschiedenis
- Ouderlijke vaardigheden:
o Disciplineren: regels bijbrengen
o Monitoring: mate van toezicht
o Positieve bekrachtiging: kind versterken
o Positieve ouderlijke betrokkenheid: interesse
4