Psychodiagnostisch werken
Hoorcollege 1: verkenning van het terrein
Wat is het?
- Psycho = ziel/adem
- Diagnose = nauwkeurig leren kennen
- Psychodiagnostiek = de leer van het stellen van een diagnose op het
terrein van de psychologie.
Definitie psychodiagnostiek = een gesystematiseerde en theoretische
onderbouwde manier om te komen tot beschrijven, classificeren, verklaren en
voorspellen van gedrag.
Beschrijven van gedrag, sociale omgeving en de ontwikkeling over tijd.
We bedoelen met beschrijven dat bepaalde kenmerken van een persoon of van
een context waarin hij zich bevindt – met inbegrip van hoe die allebei kunnen
evolueren – gewoon in kaart worden gebracht.
We beschrijven wat we zien voor onze ogen, op een neutrale manier.
Bijvoorbeeld: Hoe gedraagt die persoon zich?
Elk van die beschrijvingen kan er toe leiden om een beslissing te nemen.
Voorbeelden:
- Er is geen open communicatie binnen dit gezin.
- Na haar verkeersaccident heeft Isabelle het lastig met plannen en
organiseren.
Ordenen of classificeren houdt in dat de complexe veelheid van
eigenschappen tot op zekere hoogte gereduceerd (herleiden tot iets
gemakkelijker) wordt tot enkele hanteerbare patronen, op basis van
waargenomen overeenkomsten.
Om een ordening aan te brengen, kunnen classificatiesystemen aangewend
worden. Die kunnen categoriaal of dimensionaal zijn.
- Categoriaal = hokjes denken, je hebt die kenmerken dus je hebt
bijvoorbeeld sowieso ADHD, dyslexie, …
- Dimensionaal = we gaan het op een soort schaal zetten, aan de ene kant
de sterke symptomen en aan de andere kant de zwakke.
Een verdere stap kan zijn om de psychologische eigenschappen te verklaren. In
het geval van psychodiagnostiek gericht op het zoeken naar mogelijke oorzaken
van wat er binnen de persoon of zijn omgeving omgaat.
1
,Voorbeelden van vragen die gericht zijn op het verklaren:
- Waaraan kan het liggen dat Hans onderpresteert op het werk?
- Hoe komt het dat Jasper zijn aandacht verliest in de klas?
Ook gaan ze na hoe de verschillen zijn in vergelijking met anderen. Hoe
goed/slecht scoort die persoon in vergelijking met anderen. Wat maakt dat de
persoon slechter scoort dan de personen met wie we hem vergeleken hebben? =
hypothese toestand. = stellingen; voorbeeld ‘Jasper heeft aandachtsproblemen’
Juist of niet juist? Je gaat dit onderzoeken.
Soms is het ook de bedoeling om te voorspellen hoe iemand zich waarschijnlijk
zal gedragen in een bepaalde situatie.
Voorbeelden:
- In hoeverre is Tuur in staat om de studierichting van zijn keuze te volgen?
We gebruiken psychodiagnostiek in functie van bepaalde zaken. In functie
van het stellen van bepaalde diagnoses.
Bij de psychodiagnostiek vertrekken we vanuit wat we zien. Bijvoorbeeld we zien
aandachtsproblemen bij een bepaalde persoon dan kunnen we daar niet ineens
een aandoening op gaan plakken, zoals bijvoorbeeld ‘die persoon heeft ADHD’.
Want aandachtsproblemen kunnen ook andere oorzaken hebben dan ineens
ADHD.
Het is belangrijk om een profielanalyse te maken van de persoon. Wat gaat er
goed? Wat zijn zijn/haar sterke/ zwakke punten? Deze zaken kunnen we
gebruiken om om het gene dat niet goed gaat te ondersteunen.
Ook is het van groot belang dat je een goede onderzoeksmethode gaat kiezen
die bij je cliënt past.
Vaak is de vraag van de cliënt ‘help mij leren omgaan met mijn problemen!’. Wij
gaan ervoor zorgen dat we middelen vinden die de cliënt kunnen ondersteunen
zodat hij verder kan met zijn leven.
Het psychodiagnostisch proces
De belangrijke stappen van dat proces:
1. Vertrek vanuit de hulpvraag
Je gaat in gesprek met je cliënt. Dit noemen we het intake gesprek. Tijdens
dit gesprek krijg je een beeld van wie de cliënt is en waar hij/zij mee
worstelt. Hierbij stellen we voldoende gerichte vragen om zoveel mogelijk
info te weten te komen.
De cliënt is koning! = de cliënt kiest waarmee hij hulp wilt krijgen. Als hij
zijn hulpvraag niet zo goed weet kan je hem helpen om deze te
formuleren. Je bespreekt dit in dialoog met je cliënt.
2
, 2. Een probleemstelling afbakenen
Je kunt niet na 1 intake gesprek alles te weten zijn gekomen over je cliënt.
Je hebt nood aan een diepgaander onderzoek omdat sommige vragen
onbeantwoord zullen blijven.
Ook gaan we concretiseren door middel van hypotheses. Dit wilt zeggen
dat je je hulpvraag gaat verfijnen naar een heel concrete probleemstelling.
We gaan die hypotheses formuleren (een stelling die we willen gaan
onderzoeken). Bijvoorbeeld ‘Jannes heeft slaapproblemen door de
piekergedachten die hij ervaart.’
3. Psychodiagnostische methode kiezen
Elke methode heeft zijn eigen kenmerken. Je kiest de goede methode aan
de hand van je vraagstelling. Wat zijn de kenmerken van je cliënt?
Bijvoorbeeld de cliënt heeft het moeilijk met praten, dan kies je best niet
voor een interview.
4. Psychodiagnostische methode afnemen
Je neemt je gekozen methode af. Deze is steeds in functie van je
hypothese en hulpvraag.
Bij deze stap ga je meer verzamelen dan alleen informatie.
5. Resultaten verwerken
We gaan de testresultaten scoren. Is de score gemiddeld, laag, …
6. Een beeld vormen
We moeten de informatie nu gaan samenbrengen in een soort structuur.
Wat zijn de causale relaties (oorzaak-gevolg verband) ?
7. Advies vormen
We gaan in gesprek met de cliënt. Hoe helpen we de cliënt verder? Welke
doelen moet hij bereiken om met zijn problemen om te gaan? Welke
begeleidingen/ aanbevelingen gaan we doen om de doelen met de cliënt
te bereiken?
Met die info gaan we naar de cliënt. De cliënt kiest dan op zijn beurt met
welk van dat advies hij aan de slag wilt gaan.
Is de cliënt na deze stappen niet geholpen? Dan gaan we gewoon terug naar stap
1 en doen we alles opnieuw.
3
, Hoorcollege 2: Benaderingswijze van psychodiagnostiek
Er is nog altijd heel veel verdeeldheid over de manier waarop er onderzoek
gedaan moet worden.
Statistische benadering
- Vertrekt vanuit empirische evidentie je wordt wetenschappelijk gestuurd
door cijfermateriaal. Je verklaart, beschrijft, … gedrag met cijfers.
- Het resultaat is het belangrijkste cijfers spreken de waarheid
- Hangt samen met de nomothetische benadering (=
wetmatigheden/een logica vb. als het koud is draagt iedereen een jas)
vertrekt heel hard vanuit kansuitspraken (Hoeveel % kans is…? )
Vb. als een leerling 75% haalt op een examen is de kans groot dat…
Klinische benadering
- Iedere persoon is uniek. Ze willen een uniek beeld over de persoon krijgen.
- Ze willen iets individueel beschrijven
- Naast alleen de testen afnemen is de manier waarop je dat doet ook heel
belangrijk. (observeren)
- Hangt samen met de idiografische benadering (= het unieke, we
benaderen iedereen als uniek)
- Bv. aandachtproblemen bij A en B zijn beide anders.
Heel vaak is het belangrijk om niet ineens je gesprek te beginnen met: ‘Waar heb
je het moeilijk mee?’. Je kunt het gesprek best zo ontspannen mogelijk beginnen
met bijvoorbeeld: ‘Wat zijn je hobby’s?’ of ‘Wat doe je van werk?’. Eens dat de
cliënt dan op zijn gemak is kan je beginnen met de moeilijkere vragen te stellen.
Het is ook heel belangrijk dat je de voorgeschiedenis van de cliënt leert kennen.
Dit kan eventueel handvaten bieden voor hoe je iets het beste kunt aanpakken.
Deze 2 benaderingen kun je plaatsen op een continuüm .
Continuüm = tussen beide benaderingen is er een overlap. Ze hebben een
gemeenschappelijk doel = toekomstig gedrag voorspellen, classificeren, …
Benaderingswijzen in de praktijk
Hoe komt het terug in de praktijk?
Statistische benadering
- Testscores bepalen het profiel => dit bepaald het beeld dat we van onze
cliënt krijgen. We baseren ons alleen op de cijfers die uit het onderzoek
komen om een beeld te vormen.
- Interpretaties vertrekt vanuit normgegevens: als de cliënt een IQ test heeft
afgenomen, gaan we de score vergelijken met leeftijdsgenoten
De norm = waar ligt de score van de cliënt ten opzichte van de norm?
- Gespreks- en observatiegegevens doe mee, maar staan niet centraal!
Zorgt enkel voor bijkomende informatie
4
Hoorcollege 1: verkenning van het terrein
Wat is het?
- Psycho = ziel/adem
- Diagnose = nauwkeurig leren kennen
- Psychodiagnostiek = de leer van het stellen van een diagnose op het
terrein van de psychologie.
Definitie psychodiagnostiek = een gesystematiseerde en theoretische
onderbouwde manier om te komen tot beschrijven, classificeren, verklaren en
voorspellen van gedrag.
Beschrijven van gedrag, sociale omgeving en de ontwikkeling over tijd.
We bedoelen met beschrijven dat bepaalde kenmerken van een persoon of van
een context waarin hij zich bevindt – met inbegrip van hoe die allebei kunnen
evolueren – gewoon in kaart worden gebracht.
We beschrijven wat we zien voor onze ogen, op een neutrale manier.
Bijvoorbeeld: Hoe gedraagt die persoon zich?
Elk van die beschrijvingen kan er toe leiden om een beslissing te nemen.
Voorbeelden:
- Er is geen open communicatie binnen dit gezin.
- Na haar verkeersaccident heeft Isabelle het lastig met plannen en
organiseren.
Ordenen of classificeren houdt in dat de complexe veelheid van
eigenschappen tot op zekere hoogte gereduceerd (herleiden tot iets
gemakkelijker) wordt tot enkele hanteerbare patronen, op basis van
waargenomen overeenkomsten.
Om een ordening aan te brengen, kunnen classificatiesystemen aangewend
worden. Die kunnen categoriaal of dimensionaal zijn.
- Categoriaal = hokjes denken, je hebt die kenmerken dus je hebt
bijvoorbeeld sowieso ADHD, dyslexie, …
- Dimensionaal = we gaan het op een soort schaal zetten, aan de ene kant
de sterke symptomen en aan de andere kant de zwakke.
Een verdere stap kan zijn om de psychologische eigenschappen te verklaren. In
het geval van psychodiagnostiek gericht op het zoeken naar mogelijke oorzaken
van wat er binnen de persoon of zijn omgeving omgaat.
1
,Voorbeelden van vragen die gericht zijn op het verklaren:
- Waaraan kan het liggen dat Hans onderpresteert op het werk?
- Hoe komt het dat Jasper zijn aandacht verliest in de klas?
Ook gaan ze na hoe de verschillen zijn in vergelijking met anderen. Hoe
goed/slecht scoort die persoon in vergelijking met anderen. Wat maakt dat de
persoon slechter scoort dan de personen met wie we hem vergeleken hebben? =
hypothese toestand. = stellingen; voorbeeld ‘Jasper heeft aandachtsproblemen’
Juist of niet juist? Je gaat dit onderzoeken.
Soms is het ook de bedoeling om te voorspellen hoe iemand zich waarschijnlijk
zal gedragen in een bepaalde situatie.
Voorbeelden:
- In hoeverre is Tuur in staat om de studierichting van zijn keuze te volgen?
We gebruiken psychodiagnostiek in functie van bepaalde zaken. In functie
van het stellen van bepaalde diagnoses.
Bij de psychodiagnostiek vertrekken we vanuit wat we zien. Bijvoorbeeld we zien
aandachtsproblemen bij een bepaalde persoon dan kunnen we daar niet ineens
een aandoening op gaan plakken, zoals bijvoorbeeld ‘die persoon heeft ADHD’.
Want aandachtsproblemen kunnen ook andere oorzaken hebben dan ineens
ADHD.
Het is belangrijk om een profielanalyse te maken van de persoon. Wat gaat er
goed? Wat zijn zijn/haar sterke/ zwakke punten? Deze zaken kunnen we
gebruiken om om het gene dat niet goed gaat te ondersteunen.
Ook is het van groot belang dat je een goede onderzoeksmethode gaat kiezen
die bij je cliënt past.
Vaak is de vraag van de cliënt ‘help mij leren omgaan met mijn problemen!’. Wij
gaan ervoor zorgen dat we middelen vinden die de cliënt kunnen ondersteunen
zodat hij verder kan met zijn leven.
Het psychodiagnostisch proces
De belangrijke stappen van dat proces:
1. Vertrek vanuit de hulpvraag
Je gaat in gesprek met je cliënt. Dit noemen we het intake gesprek. Tijdens
dit gesprek krijg je een beeld van wie de cliënt is en waar hij/zij mee
worstelt. Hierbij stellen we voldoende gerichte vragen om zoveel mogelijk
info te weten te komen.
De cliënt is koning! = de cliënt kiest waarmee hij hulp wilt krijgen. Als hij
zijn hulpvraag niet zo goed weet kan je hem helpen om deze te
formuleren. Je bespreekt dit in dialoog met je cliënt.
2
, 2. Een probleemstelling afbakenen
Je kunt niet na 1 intake gesprek alles te weten zijn gekomen over je cliënt.
Je hebt nood aan een diepgaander onderzoek omdat sommige vragen
onbeantwoord zullen blijven.
Ook gaan we concretiseren door middel van hypotheses. Dit wilt zeggen
dat je je hulpvraag gaat verfijnen naar een heel concrete probleemstelling.
We gaan die hypotheses formuleren (een stelling die we willen gaan
onderzoeken). Bijvoorbeeld ‘Jannes heeft slaapproblemen door de
piekergedachten die hij ervaart.’
3. Psychodiagnostische methode kiezen
Elke methode heeft zijn eigen kenmerken. Je kiest de goede methode aan
de hand van je vraagstelling. Wat zijn de kenmerken van je cliënt?
Bijvoorbeeld de cliënt heeft het moeilijk met praten, dan kies je best niet
voor een interview.
4. Psychodiagnostische methode afnemen
Je neemt je gekozen methode af. Deze is steeds in functie van je
hypothese en hulpvraag.
Bij deze stap ga je meer verzamelen dan alleen informatie.
5. Resultaten verwerken
We gaan de testresultaten scoren. Is de score gemiddeld, laag, …
6. Een beeld vormen
We moeten de informatie nu gaan samenbrengen in een soort structuur.
Wat zijn de causale relaties (oorzaak-gevolg verband) ?
7. Advies vormen
We gaan in gesprek met de cliënt. Hoe helpen we de cliënt verder? Welke
doelen moet hij bereiken om met zijn problemen om te gaan? Welke
begeleidingen/ aanbevelingen gaan we doen om de doelen met de cliënt
te bereiken?
Met die info gaan we naar de cliënt. De cliënt kiest dan op zijn beurt met
welk van dat advies hij aan de slag wilt gaan.
Is de cliënt na deze stappen niet geholpen? Dan gaan we gewoon terug naar stap
1 en doen we alles opnieuw.
3
, Hoorcollege 2: Benaderingswijze van psychodiagnostiek
Er is nog altijd heel veel verdeeldheid over de manier waarop er onderzoek
gedaan moet worden.
Statistische benadering
- Vertrekt vanuit empirische evidentie je wordt wetenschappelijk gestuurd
door cijfermateriaal. Je verklaart, beschrijft, … gedrag met cijfers.
- Het resultaat is het belangrijkste cijfers spreken de waarheid
- Hangt samen met de nomothetische benadering (=
wetmatigheden/een logica vb. als het koud is draagt iedereen een jas)
vertrekt heel hard vanuit kansuitspraken (Hoeveel % kans is…? )
Vb. als een leerling 75% haalt op een examen is de kans groot dat…
Klinische benadering
- Iedere persoon is uniek. Ze willen een uniek beeld over de persoon krijgen.
- Ze willen iets individueel beschrijven
- Naast alleen de testen afnemen is de manier waarop je dat doet ook heel
belangrijk. (observeren)
- Hangt samen met de idiografische benadering (= het unieke, we
benaderen iedereen als uniek)
- Bv. aandachtproblemen bij A en B zijn beide anders.
Heel vaak is het belangrijk om niet ineens je gesprek te beginnen met: ‘Waar heb
je het moeilijk mee?’. Je kunt het gesprek best zo ontspannen mogelijk beginnen
met bijvoorbeeld: ‘Wat zijn je hobby’s?’ of ‘Wat doe je van werk?’. Eens dat de
cliënt dan op zijn gemak is kan je beginnen met de moeilijkere vragen te stellen.
Het is ook heel belangrijk dat je de voorgeschiedenis van de cliënt leert kennen.
Dit kan eventueel handvaten bieden voor hoe je iets het beste kunt aanpakken.
Deze 2 benaderingen kun je plaatsen op een continuüm .
Continuüm = tussen beide benaderingen is er een overlap. Ze hebben een
gemeenschappelijk doel = toekomstig gedrag voorspellen, classificeren, …
Benaderingswijzen in de praktijk
Hoe komt het terug in de praktijk?
Statistische benadering
- Testscores bepalen het profiel => dit bepaald het beeld dat we van onze
cliënt krijgen. We baseren ons alleen op de cijfers die uit het onderzoek
komen om een beeld te vormen.
- Interpretaties vertrekt vanuit normgegevens: als de cliënt een IQ test heeft
afgenomen, gaan we de score vergelijken met leeftijdsgenoten
De norm = waar ligt de score van de cliënt ten opzichte van de norm?
- Gespreks- en observatiegegevens doe mee, maar staan niet centraal!
Zorgt enkel voor bijkomende informatie
4