Complement in een notendop
Complement hoort bij het aangeboren immuunsysteem en vormt een van de eerste
verdedigingslijnen. Je kunt het zien als een leger van eiwitten die samenwerken, soldaten met
bommetjes. Dat leger is heel gevaarlijk, dus er zijn mechanismen ter preventie ingebouwd.
Complement heeft drie hoofdfuncties: het verwijdert pathogenen, het activeert het
immuunsysteem en het maakt gaten in pathogenen. Het vult antilichamen aan bij het
elimineren van micro's. Het is bovendien sterk pro-inflammatoir: als complement niet goed
gereguleerd wordt, ontstaat immunopathologie.
De complementfactoren zijn eiwitten die als zymogenen (inactieve voorlopers) in het bloed
rondgaan. In die passieve vorm doen ze niets. Ze worden geactiveerd via een cascade van
enzymatische reacties, en elke stap is een proteolytische splitsing: het ene geactiveerde eiwit
knipt het volgende. De cascade werkt als een rij lucifers die elkaar aansteken. Door die
vermenigvuldiging krijgen de gevormde fragmenten elk hun eigen functie.
Naamgeving en productie
De factoren van de klassieke route heten C1 tot C9 (C = complement). In de alternatieve route
heten ze factor B en factor D. Bij een splitsing noemen we het kleine fragment "a" en het grote
fragment "b", bijvoorbeeld C3a en C3b. Verdere proteolyse geeft c, d, enz.
De lever maakt het meeste complement: C1-inhibitor, C3, C6 en C8, en het gedraagt zich als
acutefase-eiwit. Ook macrofagen en intestinale epitheelcellen produceren complement. Het
epitheel van het maag-darmstelsel maakt C1, en macrofagen maken na contact met bacteriën
onder meer C2, C3 en C4.
De drie fasen van de cascade
Elke route verloopt in drie fasen.
1. Initiatie. De eerste complementfactoren brengen proteolyse op gang, en het resultaat is dat
een C3-convertase gevormd wordt. Dat is een enzymcomplex dat C3 splitst. C3 is de centrale
factor, en het gebeurt in drie stappen. C3 is eerst de inactieve vorm. Het wordt omgezet naar
een actieve vorm door splitsing in C3a en C3b. C3b hecht zich vast aan het oppervlak, waardoor
andere complementfactoren zich eraan kunnen hechten. Dat geeft het C3-convertase.
2. Amplificatie. Het C3-convertase maakt veel C3b, dat opsonisatie voor de bacterie geeft. C3a is
een alarmsignaal, herkend door immuuncellen, een soort cry for help, en het trekt fagocyten
aan. Als er nog een extra C3b aan het C3-convertase bindt, verandert het complex van vorm en
1