Gebaseerd op: Nel Verhoeven, Wat is onderzoek? Praktijkboek voor methoden en technieken, 7e druk
(Boom uitgevers, 2022), ISBN 978-90-2444-470-0. Alle 20 hoofdstukken, in dezelfde volgorde en met
dezelfde hoofdstuktitels als het boek.
Wat je krijgt
Alle 20 hoofdstukken uit de vier delen (Ontwerpen, Gegevens verzamelen, Analyseren,
Evalueren en adviseren), per paragraaf uitgelegd in begrijpelijke taal.
Kernbegrippen en definities in kaders, plus vergelijkingstabellen (kwalitatief vs.
kwantitatief, steekproefsoorten, meetniveaus, validiteitsvormen, centrum- en
spreidingsmaten).
Concrete voorbeelden bij de belangrijkste begrippen, met ezelsbruggetjes,
tentamentips en rekenvoorbeelden.
Begrippenlijst van A tot Z (ruim 50 begrippen) om snel te herhalen.
20 oefenvragen met uitgewerkte antwoorden in tentamenstijl, waaronder
meerkeuzevragen.
Inhoudsopgave
Deel 1 — Ontwerpen Deel 3 — Analyseren
1. Waarom doe je onderzoek? 13. Kwantitatieve gegevens verwerken:
voorbereiding
2. Het onderwerp kiezen
14. Kwantitatieve analyse
3. De aanleiding van je onderzoek
15. Kwalitatieve analyse
4. Hoofdvraag en doelstelling
16. Kwaliteit van onderzoeksresultaten
5. Begripsafbakening en theoretisch kader
6. Onderzoeksvoorstel Deel 4 — Evalueren en adviseren
Deel 2 — Gegevens verzamelen 17. Conclusies, discussie en aanbevelingen
18. Een rapport samenstellen
7. Kwantitatieve methoden van dataverzameling
19. Bronverwijzingen en literatuurlijst
8. Kwalitatieve methoden van dataverzameling
20. Presentatie en beoordeling
9. Onderzoekskwaliteit
10. Steekproeven trekken Afsluiting
11. Operationaliseren Begrippenlijst A–Z
12. Het veld in: enquêtes en interviews afnemen 20 oefenvragen met antwoorden
Geschikt voor vakken als onderzoeksvaardigheden, methoden & technieken (M&T), praktijkonderzoek en de
voorbereiding op stage- of afstudeeronderzoek in het hbo. Dit is een zelfstandig geschreven studiehulp; er zijn
geen teksten, figuren of tabellen uit het boek overgenomen.
, Deel 1 — Ontwerpen
In de ontwerpfase bepaal je wát je onderzoekt, waaróm, bij wie, hoe en wanneer; je eindigt
met een onderzoeksvoorstel. Het boek geeft per deel een proceswijzer: een stappenoverzicht
dat laat zien waar je in het proces zit.
H1 — Waarom doe je onderzoek?
Onderzoek is het systematisch, volgens een vast stappenplan, beantwoorden van een vraag of
analyseren van een probleem. Bij een informele observatie kijk je door je eigen
referentiekader (je gaat er ongemerkt van uit dat anderen doen zoals jij); een onderzoeker
volgt een vooraf vastgelegd plan en houdt de uitkomst bewust open.
Voorbeeld. Lege plekken in de collegezaal op maandag → "studenten hebben geen zin in
maandag" is een informele conclusie. Systematisch onderzoek telt de presentie over meerdere
weken en vraagt naar redenen (reistijd, werk, rooster).
1.1 Uitgangspunten van onderzoek
Naast praktische zaken (deadline, budget, overleg met begeleider en opdrachtgever) zijn er
basisprincipes van onderzoek: de methodologie. Drie tegenstellingen zijn belangrijk.
1. Theoriegericht of praktijkgericht? Theoriegericht (fundamenteel) onderzoek
beantwoordt kennisvragen: kennis vergroten, vooral voor de wetenschap. Praktijkgericht
onderzoek beantwoordt praktijkvragen: een praktijkprobleem oplossen, met oog voor
praktische relevantie (bruikbaarheid voor opdrachtgever en situatie). Hbo-studenten doen
vooral praktijkgericht onderzoek. Het onderscheid is niet waterdicht: fundamentele kennis kan
ook een praktijkprobleem oplossen.
2. Kwalitatief of kwantitatief? Welke aanpak je kiest, hangt af van je hoofdvraag.
Kenmerk Kwantitatief Kwalitatief
Soort Cijfers (numeriek), bv. Woorden, beelden, gedrag (taal is het
gegevens leeftijd, score 1–5 instrument)
Doel Meten, vergelijken, Begrijpen welke betekenis mensen aan situaties
generaliseren geven
Onderzochten Veel eenheden, per eenheid Weinig eenheden, per eenheid veel en
weinig gegevens diepgaande gegevens
Werkwijze Vooraf vastgelegd en Open en flexibel; je speelt in op wat je tegenkomt
gestructureerd
Context Wordt grotendeels buiten Staat centraal (holisme: een ervaring begrijpen
beschouwing gelaten binnen iemands totale leefwereld, niet als los
, feit)
Generalisatie Statistisch mogelijk (bij Hooguit inhoudelijk (naar vergelijkbare situaties)
goede steekproef)
De twee benaderingen vullen elkaar aan. Bekijk je een vraag vanuit meerdere invalshoeken of
met meerdere methoden, dan heet dat triangulatie; dit verhoogt de kwaliteit van je resultaten.
Een bijzondere vorm is de mixed-methodbenadering: kwalitatieve én kwantitatieve
dataverzameling combineren.
Voorbeeld triangulatie. Een student onderzoekt het verloop van personeel in een hotel: zij
analyseert HR-cijfers over uitstroom (kwantitatief), houdt exitinterviews (kwalitatief) en
bestudeert beleidsdocumenten. Komen de drie bronnen op hetzelfde uit, dan staat de conclusie
sterker.
3. Inductief of deductief?
Inductief Deductief
Startpunt Geen (bruikbare) theorie vooraf Bestaande theorie of model
Richting Van bijzonder (gegevens) naar algemeen Van algemeen (theorie) naar
(theorie) bijzonder (gegevens)
Functie Theorievormend/theorieontwikkelend Theorietoetsend
Vaak bij Kwalitatief onderzoek Kwantitatief onderzoek
Bij inductief werken is iteratie (herhaling) leidend: verzamelen → analyseren → voorlopige
conclusie → gericht nieuwe data verzamelen, totdat er een theorie ontstaat. Ook inductieve
onderzoekers hebben vooraf verwachtingen, maar die zijn niet op een theorie gebaseerd; zo'n
verwachting heet een exploratieve hypothese (term van Tijmsma & Boeije).
Ezelsbruggetje: INductief = je bouwt de theorie IN elkaar uit losse waarnemingen; DEductief = je leidt
verwachtingen AF (de- = af/omlaag) uit een bestaande theorie.
1.2 Regels voor kwaliteit van onderzoek
In praktijkgericht onderzoek heet het geheel aan kwaliteitsregels methodische grondigheid
(het boek verwijst hiervoor naar Andriessen & Butter, 2016). Er zijn regels voor de onderzoeker
zelf en voor uitvoering en interpretatie.
De kritische onderzoeker heeft drie dingen nodig: een onderzoekende houding
(nieuwsgierig, onafhankelijk, open voor kritiek, als een critical friend kritisch naar eigen en
andermans werk kijken), kennis (van methoden én van het onderwerp) en vaardigheid (die
je alleen door te dóén ontwikkelt).
, Betrouwbaarheid = de mate waarin onderzoek vrij is van toevallige fouten
(onvoorspelbare verstoringen, zoals lawaai tijdens een test of een onnauwkeurige meetlat).
Betrouwbaar onderzoek is herhaalbaar (zelfde opzet → vergelijkbare uitkomst), toetsbaar
(uitspraken gaan over waarneembare zaken, zijn eenduidig geformuleerd en openbaar, zodat
anderen ze kunnen bevestigen of weerleggen) en informatief (je geeft precies aan over welke
situatie, groep, periode en welk domein je uitspraken doet).
Validiteit = de mate waarin onderzoek vrij is van systematische fouten (fouten die steeds
dezelfde kant op werken, bv. respondenten die bewust mooiere antwoorden geven). Drie
vormen worden hier al genoemd: interne validiteit (je trekt de juiste conclusies),
begripsvaliditeit (je meet wat je wilt meten) en externe validiteit (generaliseerbaarheid).
Generaliseren kan statistisch (met toetsen van steekproef naar populatie) of inhoudelijk
(beredeneren dat uitkomsten bruikbaar zijn in vergelijkbare, niet-onderzochte situaties).
Daarnaast gelden drie praktische criteria: efficiëntie (kosten en tijd in verhouding tot de
opbrengst), uitvoerbaarheid (genoeg mensen, bereikbare respondenten, op tijd klaar) en
bruikbaarheid (de mate waarin onderzoek praktisch relevant is).
Voorbeeld. Een sportschool laat een fabrikant van eiwitshakes meebetalen aan onderzoek
naar "het effect van eiwitshakes op spiergroei". Probleem: de onafhankelijkheid van de
onderzoeker staat onder druk (risico op systematische vertekening → validiteit).
1.3 Onderzoeksfasen
Elk onderzoek doorloopt een vaste structuur, de onderzoekscyclus. Verhoeven onderscheidt
vier fasen, en het boek is in vier delen opgebouwd die met die fasen samenvallen:
1. Ontwerpen — doelstelling en hoofdvraag afbakenen, ontwerp maken (methode, tijd,
middelen, betrokkenen), eventueel vooronderzoek.
2. Gegevens verzamelen — data verzamelen volgens het ontwerp.
3. Analyseren — kwantitatief (cijfers) of kwalitatief (tekst, beeld, geluid).
4. Evalueren en adviseren — terugkijken, conclusies trekken, aanbevelingen doen,
rapporteren.
Het is een cyclus: je kijkt steeds terug en vooruit, en de uitkomsten leveren vaak nieuwe vragen
op voor vervolgonderzoek.
1.4 Onderzoeksverslag en/of beroepsproduct?
Na de vier fasen schrijf je meestal een onderzoeksverslag (verantwoording van methoden en
resultaten). Vaak volgt een beroepsproduct voor de opdrachtgever, zoals een advies, plan van
aanpak, prototype of behandelplan. Geen óf/óf: het beroepsproduct is gebaseerd op de
onderzoeksresultaten en doorloopt dezelfde cyclus, met na de evaluatie nog een productstap.
H2 — Het onderwerp kiezen