,Inhoud
1. Aarde, zon en maan ..................................................................................................................................3
2. Tijd, coördinaten en seizoenen ..................................................................................................................4
3. Weer, klimaat en klimaatzones ..................................................................................................................5
4. Klimaatfactoren en klimaatverandering .....................................................................................................6
5. Weerfenomenen: neerslag, luchtdruk en wind ...........................................................................................7
6. Landschappen in Nederland .....................................................................................................................8
7. Bevolkingsspreiding en bevolkingsgroei .....................................................................................................9
8. Bevolkingsopbouw en migratie ................................................................................................................ 10
9. Urbanisatie en stedelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 11
10. Bestaansmiddelen en Nederlandse economie ....................................................................................... 12
11. Industrie, dienstverlening en BNP .......................................................................................................... 13
12. Internationale arbeidsverdeling en globalisering ..................................................................................... 14
13. Arm en rijk: ontwikkelingsverschillen ..................................................................................................... 15
14. Ontwikkelingsproblemen en ontwikkelingssamenwerking ...................................................................... 16
15. Grenzen, volk, staat en cultuur .............................................................................................................. 17
16. Regionale identiteit, migratie en vluchtelingen ....................................................................................... 18
17. Europese Unie en vrij verkeer ................................................................................................................. 19
18. Wereldgodsdiensten ............................................................................................................................. 19
19. Plaattektoniek en opbouw van de aarde ................................................................................................. 20
20. Verwering, erosie en sedimentatie ......................................................................................................... 21
21. Aardbevingen en tsunami's ................................................................................................................... 22
22. Vulkanisme, orkanen en tornado's ......................................................................................................... 23
23. Overstromingen en droogte ................................................................................................................... 24
24. Energiebronnen en fossiele brandstoffen ............................................................................................... 25
25. Duurzame energie en energiemix ........................................................................................................... 26
26. Energie, welvaart en milieu .................................................................................................................... 27
27. Waterkringloop en rivieren..................................................................................................................... 28
28. Waterverdeling, waterbeheer en waterschaarste .................................................................................... 30
2
,1. Aarde, zon en maan
De bron begint bij de basis van de fysische geografie: de aarde maakt deel uit van een zonnestelsel. De zon is
het centrale hemellichaam en levert de energie die uiteindelijk veel processen op aarde aandrijft. Rond de zon
draaien acht planeten: Mercurius, Venus, aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus. Daarnaast zijn
er dwergplaneten, planetoïden en kometen. Planetoïden zijn rotsachtige hemellichamen die om de zon
bewegen; de grootste die in de bron wordt genoemd is Ceres. Kometen bestaan uit bevroren stoffen en
rotsdeeltjes en bewegen in ellipsvormige banen. Wanneer een komeet dicht bij de zon komt, kan een staart
zichtbaar worden.
Belangrijk is het onderscheid tussen omlooptijd en omwentelingstijd. De omlooptijd is de tijd die een planeet
nodig heeft voor één baan rond de zon; dit noemen we ook een jaar. De omwentelingstijd is de tijd die een
planeet nodig heeft om eenmaal om zijn eigen as te draaien; dit noemen we een dag.
De aarde is de derde planeet vanaf de zon. De aarde bestaat uit een korst, mantel en kern en wordt omgeven
door de atmosfeer. De maan draait om de aarde en geeft, net als de planeten, zelf geen licht: de maan
weerkaatst zonlicht. De maan doorloopt verschillende schijngestalten, zoals nieuwe maan, wassende maan,
volle maan en afnemende maan.
Belangrijk om te onthouden
• Omlooptijd = baan om de zon;
• Omwentelingstijd = draaiing om de eigen as.
• De maan weerkaatst zonlicht.
• De aarde bestaat van buiten naar binnen uit aardkorst, mantel en kern.
3
, 2. Tijd, coördinaten en seizoenen
De aarde draait om haar as en beweegt tegelijkertijd rond de zon. De aardrotatie verklaart het ontstaan van dag
en nacht: de naar de zon gerichte zijde is verlicht, de andere zijde bevindt zich in het donker. De aarde doet
ongeveer 365¼ dag over een baan rond de zon. Daarom zijn er schrikkeljaren: eens in de vier jaar wordt een
extra dag toegevoegd.
De aardas staat schuin. Daardoor verschilt gedurende het jaar de hoeveelheid zonnestraling en het aantal uren
zonlicht per halfrond. Wanneer het noordelijk halfrond langer en sterker door de zon wordt beschenen, is het
daar zomer en op het zuidelijk halfrond winter. Rond de evenaar zijn de verschillen in het aantal uren zon
tussen zomer en winter veel kleiner.
Voor plaatsbepaling gebruik je breedte- en lengtegraad. De evenaar is 0° breedte en verdeelt de aarde in een
noordelijk en zuidelijk halfrond. Parallellen lopen evenwijdig aan de evenaar. Meridianen lopen van pool naar
pool. De nulmeridiaan is 0° lengte en vormt het uitgangspunt voor ooster- en westerlengte.
Omdat de aarde in 24 uur 360° draait, correspondeert 15° lengte met ongeveer één uur tijdsverschil. In de
praktijk zijn tijdzones aangepast aan landsgrenzen en bestuurlijke keuzes. Een tijdzone is een gebied waarin
dezelfde standaardtijd wordt gebruikt.
https://www.youtube.com/watch?v=kyE3Yd1_zDc
Toetsrelaties
• Aardrotatie → dag/nacht.
• Schuine aardas + baan om de zon → seizoenen.
• 15° geografische lengte → ongeveer 1 uur tijdsverschil.
4