- Structuralisme: Een benadering waarin de geest wordt opgesplitst in de kleinste elementen van
mentale ervaring. Om figuur 1.4 te verklaren zou vanuit dit perspectief moeite hebben de
resultaten te verklaren. Dezelfde ‘visuele bouwstenen’ leiden tot verschillende conclusies.
- Gestalt: betekent ‘vorm’ of ‘geheel’. Gestalt psychologen geloofden dat het opdelen van een
gehele waarneming zou leiden tot het verlies van belangrijke psychologische informatie.
- Functionalisme: interesse in de vraag waarom mentale processen op een bepaalde manier
werkten. William James was de belangrijkste voorstander.
- Humanistische psychologie: nadruk leggen op de positieve aspecten van de mens. Abraham
Maslow en Carl Rogers
- Behaviorisme: begin van de 20e eeuw die zich richt op observeerbaar gedrag en stelt dat gedrag
wordt aangeleerd door interactie met de omgeving.
Tussen de 17e en 19e eeuw begonnen bovennatuurlijke verklaringen voor psychische stoornissen plaats
te maken voor 2 wetenschappelijke benaderingen:
- Een medisch model: nadruk op fysieke oorzaken van abnormaal gedrag en medische
behandelingen, zoals medicatie.
- Een psychologisch model: abnormaal gedrag kan het gevolg zijn van traumatische
levenservaringen, wat leidt tot angst.
Sigmund Freud (1856-1939):
- ontwikkelde de technieken van psychoanalyse voor de behandeling van psychische stoornissen.
- menselijke onbewuste
- droomanalyse
Klassieke conditionering (Pavlov): leervorm waarbij een neutrale prikkel wordt gekoppeld aan een
natuurlijke/automatische reactie (reflex), waardoor de neutrale prikkel uiteindelijk zelf die reactie kan
oproepen.
- Menselijk voorbeeld: als je afkeer hebt van het idee om voedsel te eten dat je ooit gegeten hebt
vlak voordat je ziek werd.
Edward Thorndike: wet van effect → gedragingen gevolgd door prettige/nuttige resultaten zullen in de
toekomst vaker voorkomen, terwijl gedragingen gevolgd door schadelijke resultaten minder vaak zullen
voorkomen. (Trial and error)
Cognitie: omvat de persoonlijke en interne mentale processen die de behavioristen vermeden te
bestuderen.
,Psychologische perspectieven:
William James, de Freudianen en de behavioristen probeerden allemaal psychologische vragen te
beantwoorden met een uitgebreide big-theory benadering. Er was alleen geen grote hoeveelheid
experimentele data. Hierdoor begonnen psychologische wetenschappers een database op te bouwen.
- Biologische psychologie: geïnteresseerd in de fysieke mechanismen die verband houden met
gedrag en mentale processen.
- Tak van het biologische perspectief (evolutionaire psychologie): vraag beantwoorden hoe onze
fysieke structuur en gedrag zijn gevormd.
- Cognitieve psychologie: verwerking van informatie.
- Ontwikkelingspsychologie: onderzoekt de normale gedragsveranderingen die gedurende de
levensloop optreden.
- Sociale en persoonlijkheidspsychologie: beschrijft de effecten van de sociale omgeving. We
construeren onze eigen werkelijkheid en de sociale omgeving beïnvloedt onze gevoelens en
gedrag.
- Klinische psychologie: psychische stoornissen verklaren, definiëren en behandelen.
Deze 5 perspectieven hebben met elkaar te maken om bepaalde fenomenen te beschrijven.
Gedrag kan sterk variëren van persoon tot persoon, als gevolg van persoonlijkheidsfactoren en vele
aspecten van diversiteit (geslacht, leeftijd, etniciteit).
Hoofdstuk 1 (Cacioppo): Introductie
Geest: de hersenen en de activiteiten van het brein, inclusief gedachten, emoties en gedrag.
Psychologie: de wetenschappelijke studie van gedrag, mentale processen en hersenfuncties.
Introspectie: een persoonlijke observatie van de eigen gedachten, gevoelens en gedrag.
Begin van het ontstaan van de psychologie
Psychologie heeft een belangrijke wortel in de filosofie (de discipline die systematisch basisconcepten
onderzoekt, zoals de bron van kennis).
Oude Griekse filosofen → waarnemingen kunnen verklaard worden door natuurlijke, niet door
bovennatuurlijke verklaringen.
Britse empiristen → kennis is het resultaat van ervaring.
Ook heeft psychologie een belangrijke wortel in de natuurwetenschappen (wetenschappen die de
fysieke en biologische gebeurtenissen bestuderen die in de natuur voorkomen).
Hermann von Helmholtz: deed studies naar reactietijd. Reactietijden op teensimulatie waren langer dan
de reactietijd op heupsimulatie. De teen is verder van de hersenen verwijderd dan de heup, daardoor
,hadden signalen van de teen meer tijd nodig om de hersenen te bereiken. Deze studies versterken het
idee dat de geest fysiek is, omdat er blijkbaar een locatie was waar de signalen heen moesten reizen.
Medische model: benadrukt de fysieke oorzaken van abnormaal gedrag en medische behandelingen,
zoals medicatie.
Psychologische model: suggereert dat abnormaal gedrag het gevolg kan zijn van levenservaringen, wat
kan leiden tot angst.
De hedendaagse psychologie combineert deze 2 modellen.
Overzicht psychologische stromingen
Stroming Belangrijk persoon Betekenis van stroming
Structuralisme Wilhelm Wundt De geest wordt opgedeeld in de
kleinste elementen van de
mentale ervaring
Gestaltpsychologie Max Wertheimer Gedrag opsplitsen in
componenten verliest
betekenis, daarom moet naar
het geheel gekeken worden
Functionalisme William James Gedrag is doelgericht → gedrag
leidt tot overleving
Psychodynamische theorie Sigmund Freud Ideeën over de onbewuste
geest, de rol van ervaring bij
abnormaal gedrag en nieuwe
benaderingen van therapie
legden een basis voor later
onderzoek naar persoonlijkheid
en therapie.
Humanistische psychologie Abraham Maslow Mensen zijn van nature goed en
zijn gemotiveerd om te
verbeteren
Behaviorisme Ivan Petrovich Pavlov Ervaring is de voornaamste bron
van gedrag
Cognitieve revolutie Ulric Neisser Mentale verwerking kan
wetenschappelijk bestudeerd
worden
Behavioristische stroming
John B. Watson: focuste zich op de relatie tussen omgevingsfactoren en gedrag
Edward Thorndike: wet van effect: suggereert dat gedragingen die in het verleden gevolgd werden door
prettige/nuttige uitkomsten eerder werden herhaald dan gedragingen die gevolgd werden door
, onaangename/schadelijke uitkomsten. Hij baseerde de wet op observaties van het gedrag van katten in
een puzzeldoos. Door middel van vallen en opstaan kon de kat bij opeenvolgende pogingen steeds
sneller ontsnappen → trial and error.
Skinner: geïnteresseerd in de effecten van beloning en straf op toekomstig gedrag → skinner box.
Psychologische perspectieven
1. Biologische psychologie: onderzoekt de verbanden tussen de geest, het gedrag en biologische
processen
- Evolutionaire psychologie: onderzoekt hoe ons evolutionaire verleden ons gedrag blijft
vormen.
2. Cognitieve psychologie: onderzoekt mentale processen, waaronder informatieverwerking,
denken, redeneren en probleemoplossing.
3. Ontwikkelingspsychologie: onderzoekt de normatieve gedragsveranderingen die gedurende het
hele leven optreden.
4. Sociale en persoonlijkheidspsychologie: onderzoekt de effecten van de sociale omgeving op het
gedrag van individuen, inclusief sociale en culturele diversiteit.
5. Klinische psychologie: verklaart, definieert en behandelt psychische stoornissen en bevordert
het algemeen welzijn.
Biologische verklaringen van gedrag
- Fysiologische verklaring
● Relateert gedrag aan de activiteit van de hersenen en andere organen.
- Ontogenetische verklaring
● Beschrijft hoe een structuur of gedrag zich ontwikkelt, inclusief de invloeden van genen,
voeding, ervaringen en hun interacties.
- Evolutionaire verklaring
● Reconstrueert de evolutionaire geschiedenis van een structuur of gedrag.
- Functionele verklaring
● Beschrijft waarom een structuur of gedrag zich ontwikkelde zoals het gebeurde.
Mind-brain-probleem/mind-body-problem: de vraag hoe de geest zich verhoudt tot hersenactiviteit.
Een fundamentele eigenschap is een eigenschap die niet tot iets anders kan worden herleid.
2 soorten cellen:
1. Neuronen: communiceren naar elkaar met spieren en klieren. Neuronen variëren in grootte,
vorm en functies.
2. Glia: kleiner dan neuronen. Glia hebben veel functies, maar dragen geen informatie over lange
afstand. Glia zijn veelvuldig aanwezig in de hersenschors.