H2 ? vragen
Mondelinge taalonderwijs: Taal gebruiken in gesproken communicatie.
(luisteren, spreken)
Schriftelijk taalonderwijs: Taal gebruiken om te lezen en te schrijven.
(lezen, schrijven)
Taalbeschouwing: Nadenken over hoe taal werkt en hoe je taal gebruikt.
(woordsoorten, zinsopbouw, regels)
Domeinen:
- Mondelinge taalvaardigheid: luisteren, spreken en gesprekken
voeren.
- Woordenschat: woorden begrijpen en gebruiken. Aanleren betekenis
van nieuwe woorden (receptief en productief)
- Beginnende geletterdheid: voorbereiding op leren lezen en schrijven.
Drie stadia:
1. Ontluikende geletterdheid 0-4
2. Beginnende geletterdheid 4-8
3. Gevorderde geletterdheid 8-…
Aanvankelijk lezen: het leren van de basis van het lezen vanaf groep 3.
- Voortgezet technisch lezen: woorden correct, vlot en vloeiend lezen.
- Begrijpend lezen: begrijpen van de tekst/achterhalen bedoeling.
- Stellen: schrijven van teksten
- Jeugdliteratuur: literaire teksten lezen en beleven.
- Taalbeschouwing: nadenken over taal en taalgebruik.
- Spelling: woorden correct leren schrijven.
Functies van taal:
Communicatieve of sociale taalfunctie;
Conceptialiserende of cognitieve functie;
Expressieve functie.
🗣️ Communicatieve/ sociale taalfunctie → taal gebruiken om contact te
hebben met anderen en iets over te brengen.
Voorbeeld: “Kun je mij je potlood geven?”
Deelcompetenties:
1. Grammaticale competentie: correcte zinnen en regels toepassen.
2. Tekstuele competentie: kennis van gesproken en geschreven tekst,
opbouw.
3. Strategische competentie: strategieën hanteren om doelen te
bereiken.
4. Functionele competentie: taalgebruik aanpassen in situatie.
🧠 Conceptualiserende/ cognitieve taalfunctie → taal gebruiken om na te
denken, kennis op te doen en de wereld te begrijpen.
Voorbeeld: “Water verdampt als het warm wordt.”
Drie cognitieve taalfuncties:
, 1. Rapporteren: verslag doen van iets wat in de werkelijkheid
voorkomt.
2. Redeneren: stap verder dan beschrijven, verklaren.
3. Projecteren: verplaatsen in de gedachten en gevoelens van iemand
anders.
❤️ Expressieve taalfunctie → taal gebruiken om je gevoelens, gedachten
of mening te uiten.
Voorbeeld: “Ik ben heel blij met mijn cadeau!”
Verschillende niveaus van taal:
Niveau Regels voor
Fonologisch niveau Uitspraak
Morfologisch niveau Opbouw van woorden
Syntactisch niveau Volgorde van woorden
Semantisch niveau Betekenis
Pragmatisch niveau Gebruik
Orthografisch niveau Spelling
H3 11 vragen
Theorieën over taalverwerving:
Het behaviorisme: imitatie, herhaling en beloning. Aangeleerd
gedrag.
De creatieve constructietheorie: zelf ontdekken en construeren.
De interactionele benadering: interactie met anderen, gesprekken
en leren door samen te communiceren.
Perioden:
1. De prelinguale periode 0-1 jaar geluiden en brabbelen.
2. Vroeglinguale periode 1-2 ½ jaar eerste woorden/zinnen.
3. Differentiatiefase 2 ½ - 5 jaar taal uitbreiden en verfijnen.
4. Voltooiingsfase 5- ouder jaar taal grotendeels beheersen.
Tweetaligheid:
Simultane tweetaligheid: twee talen tegelijk vanaf jonge leeftijd leren.
Successieve tweetaligheid: eerst één taal, daarna een tweede taal leren.
Interferentiefouten: regels van de ene taal meenemen in de andere taal.
Spreekstrategieën:
o Oriënteren op het spreekdoel= wat wil ik bereiken?
o Oriënteren op het onderwerp en het inzetten van eigen kennis= wat
weet ik al?
o Oriënteren op het soort spreektaak= wat moet ik vertellen,
uitleggen, presenteren?
o Oriënteren op het publiek of de gesprekspartners= tegen wie praat
ik?
o Reflecteren op de spreektaak= vooraf nadenken over hoe ik ga
spreken.
, o Monitoren van de spreektaak= tijdens het spreken controleren of het
goed gaat.
o Evalueren van de spreektaak= achteraf beoordelen hoe het ging.
Luisterstrategieën
1. Globaal luisteren de hoofdboodschap begrijpen.
2. Intensief luisteren alle belangrijke details begrijpen.
3. Kritisch luisteren beoordelen of informatie waar/betrouwbaar is.
4. Gericht luisteren luisteren naar specifieke informatie.
Vier spreekdoelen:
Informeren; informatie geven.
Amuseren; iemand vermaken.
Instrueren; uitleggen hoe iets moet.
Overtuigen; iemand van iets proberen te overtuigen.
Relatie tussen luisterdoelen en luisterstrategieën:
Luisterdoel Luisterstrategie
Alle details van een verhaal Intensief luisteren
opnemen.
Het begrijpen van de informatie. Globaal luisteren
Het vormen van een mening. Kritisch luisteren
Interesse in bepaalde aspecten van Gericht luisteren
een verhaal.
Gesprekssoorten:
Monoloog= één persoon praat, anderen luisteren. presentatie.
Dialoog= twee personen praten met elkaar. gesprek leerling docent.
Groepsgesprek= meerdere personen praten met elkaar. klassengesprek.
H4 9 vragen
Alle woorden die kinderen leren worden opgeslagen in het woordgeheugen
of het mentaal lexicon. Van elk woord zijn bepaalde kenmerken
opgeslagen. We noemen dat wel de verschillende identiteiten van een
woord.
We onderscheiden de volgende identiteiten van een woord:
1. De akoestische identiteit: hoe een woord klinkt.
2. De articulatorische identiteit: hoe je een woord uitspreekt.
3. De fonologische identiteit: akoestische en articulatorische identiteit
samen.
4. De morfologische identiteit: hoe een woord is opgebouwd.
5. De semantische identiteit: de betekenis van een woord.