H3 - Inleiding
De nationale en internationale rechtsorde zijn 2 autonome systemen.
• Zij zijn te vergelijken aan de hand van 4 criteria:
1. Rechtsbronnen (waar komt het van?)
Nationaal recht
Afkomstig van bevoegde nationale wetgevers (bijvoorbeeld parlement en regering),
nationale jurisprudentie, het gewoonterecht en ongeschreven rechtsbeginselen.
Internationaal recht
Ontstaat door samenwerking tussen staten.
• Belangrijkste bronnen:
• Bilaterale/multilaterale verdragen
• Besluiten van internationale organisaties
• Algemene rechtsbeginselen
• Internationale jurisprudentie
• Internationaal gewoonterecht
• Doctrine (rechtsleer)
2. Autonomie (wie bepaalt?)
Beide rechtsorden zijn in beginsel autonoom.
• Regels uit de internationale rechtsorde hebben van nature geen
rechtsgevolg/betekenis binnen de nationale rechtsorde.
• De nationale rechtsorde bepaalt zelf welke internationale regels gelden
binnen de eigen staat.
3. Werkingssfeer (over wie/wat?)
• Klassieke indeling:
• Nationaal recht regelt de verhoudingen tussen burgers onderling en
tussen burgers en de staat binnen de landsgrenzen.
• Internationaal recht regelde puur de verhoudingen tussen staten
onderling.
• Moderne situatie: De strakke scheiding is deels vervaagd. Het
internationale recht bevat tegenwoordig ook normen die direct betrekking hebben op
burgers (bijvoorbeeld regelgeving gezondheid).
4. Organisatieoptredens (organisatiewijze)
• Nationaal recht = verticaal en hiërarchisch. De staat/overheid heeft
geweldsmonopolie boven burgers staan.
• Internationaal recht = horizontaal en hercentrisch. Er is geen centrale
overheid of geweldsmonopolie, staten zijn juridisch gezien gelijkwaardig.
• Logische overeenkomst: De staat is de speler. Bepaalt welke wetten en
regels er worden gemaakt.
3.2 - Transnationaal recht
De Nederlandse wetten zijn voor een groot deel in te delen in nationaal en
internationaal recht.
• Sommige rechtsregels niet, bijvoorbeeld: Europees recht en uitspraken
van het EHRM. Regels die tussen nationaal en internationaal recht invallen →
transnationaal recht.
Europees recht bestaat uit 2 lagen:
, 1. Primair recht: Basisverdragen
Waarin de EU is opgericht (VWEU en VEU) en de lijst met grondrechten.
• Omdat deze verdragen door landen zelf zijn gesloten, vallen ze nog
redelijk binnen 'internationaal recht'.
2. Secundair recht: Wetten die door EU-instellingen zelf gemaakt worden
(Europese wet- en regelgeving), richtlijnen en besluiten.
• Secundair Europees recht: Waarom uniek?
• Wordt gemaakt door het Europees Parlement en de Raad van de EU, waarbij
de Europese Commissie als enige plannen mag indienen → initiatiefrecht.
• Wordt uitgelegd en gehandhaafd door het Hof van Justitie van de
Europese Unie (HvJEU) en de Commissie.
• Een land beslist niet meer in zijn eentje, maar praat mee als slechts 1
lidstaat binnen de Europese organen.
• Het geldt meteen in alle landen tegelijk.
• De EU is de enige internationale organisatie ter wereld die wetten kan
maken die burgers rechtstreeks binden.
• De EU heeft veel macht gekregen, opgebouwd, lijkt bijna wel op een
staatsrechtelijke opbouw, lijkt meer op staat dan organisatie.
Kenmerken transnationaal recht
• 1. Het recht wordt gemaakt door organisaties of instanties die geen
onderdeel zijn van een nationale staat (bijvoorbeeld overheidsinstanties of
partijen).
• 2. Het recht geldt niet slechts in 1 land, maar is bedacht om problemen
op te lossen die meer dan 1 land omvatten.
Beperkte onafhankelijkheid
• Transnationaal recht is onafhankelijk van de politiek van een specifiek
land. Maar die onafhankelijkheid is beperkt: transnationaal recht is nog steeds
verbonden met en afhankelijk van de staat.
• 1. De macht komt van de staat: de macht is vaak via een declaratoir
gegeven via officieel verdrag (instellen) gegeven en procedures vast.
• Uitzondering: het Baarn-Garnalencriterium.
• 2. De nationale rechter moet het uitvoeren. Er is wel een Europese
rechtbank (HvJEU), maar de meeste Europese zaken worden door de nationale
Nederlandse rechter beslist.
• 3. De staat houdt toezicht. De eigen overheid moet controleren of de
regels worden nageleefd. De minister kan aanwijzingen of boetes/dwangsommen
opleggen als een lagere overheid (bijvoorbeeld de gemeente) het niet goed doet.
Conflictregels Latijn → NL
• 1. Lex superior → hoog gaat voor laag.
• 2. Lex specialis → specifiek gaat voor algemeen.
• 3. Lex posterior → nieuw gaat voor oud.
Als wetten een gelijke rang hebben, dan geldt dat een specifieke wet voor de
algemene wet gaat, en de nieuwe wet voor de oude wet.
H4 - Voorrang binnen NL rechtsorde
Hiërarchie = Regels staan op volgorde van belangrijkheid. Een hogere regel heeft
altijd voorrang op een lagere regel.
Heterarchie = Rechtsstelsels/regels bestaan gelijkwaardig naast elkaar, zonder dat
er een onderlinge rangorde is.
Binnen de Nederlandse rechtsorde gelden 3 klassieke voorrangsregels:
• Een hiërarchisch hogere regel zet een lagere regel opzij.
• Een specifiekere regel gaat voor een algemene.
• Een regel van jongere datum gaat voor een regel van oudere datum.