• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 23 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Rechtsfilosofie RB0522 | Open Universiteit | 2026/2027

Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 23 pagina's

Uitgebreide samenvatting van het vak Rechtsfilosofie (OU, Rechtsgeleerdheid), geschreven in doorlopend, goed leesbaar proza. De samenvatting behandelt alle zeven leereenheden, inclusief de vernieuwde leereenheid 6 over ethiek en belastingontwijking, en is voorzien van een inhoudsopgave met klikbare links en een overzichtstabel aan het einde. Geschikt als voorbereiding op het tentamen en als naslagwerk bij de readers en colleges.

Voorbeeld van de inhoud

Rechtsfilosofie RB0512 – Samenvatting
Bart van den Krommenacker
852639614

Inhoudsopgave
Leereenheid 1 – Vrijheid van meningsuiting
Leereenheid 2 – Academische vrijheid in wakkere tijden
Leereenheid 3 – Voorkeursbehandeling
Leereenheid 4 – Rechten voor de natuur
Leereenheid 5 – Statenloosheid en migratie
Leereenheid 6 – Ethiek en belastingontwijking
Leereenheid 7 – Staatsnoodrecht
Overzicht – kernstellingen per leereenheid

Leereenheid 1 – Vrijheid van meningsuiting
Readertekst 1: John Stuart Mill, ‘2. Over de vrijheid van denken en spreken’, in: Over vrijheid
(Boom Klassiek 2002), p. 52-100.
Readertekst 2: Brian Leiter, ‘The case against free speech’, Sydney Law Review (38) 2016, p.
407-439.


Invalshoeken en centrale vraag
De leereenheid bekijkt de uitingsvrijheid op twee manieren. Juridisch gaat het om de vraag waar
de grenzen liggen in het geldende recht. De vrijheid wordt beschermd door art. 7 Gw, art. 10
EVRM en art. 19 IVBPR. Beperkingen volgen onder meer uit het strafrecht (smaad en laster, art.
261 en 262 Sr; groepsbelediging en aanzetten tot haat, art. 137c en 137d Sr), uit de
onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) en uit de regels over parlementair taalgebruik.
Rechtsfilosofisch gaat het om twee andere vragen: waarom verdienen uitingen bescherming, en
welke redenen zijn goed genoeg om ze te beperken? Mill en Leiter beantwoorden die vragen
bijna tegengesteld.


Het debat over de gerechtvaardigde beperking van gedrag laat zich ordenen met de vier
beginselen van Joel Feinberg: het schadebeginsel (schade aan anderen), het paternalisme
(schade aan jezelf), het moralisme (immoreel gedrag als zodanig) en het aanstootbeginsel (het
geven van aanstoot). Mill erkent in beginsel alleen het eerste. Leiter gaat, zoals hieronder blijkt,
op één punt verder dan Mill.


Mill: het schadebeginsel en de vier argumenten voor vrije meningsuiting
Mill (1806-1873) is de klassieke verdediger van het politiek liberalisme. Zijn uitgangspunt is het
schadebeginsel: macht mag tegen de wil van een lid van de gemeenschap alleen worden
uitgeoefend om schade aan anderen te voorkomen. Over zijn eigen lichaam en geest is het
individu soeverein. Op dit beginsel rust zijn verdediging van de vrijheid van denken en spreken in
hoofdstuk 2 van On Liberty. Dat hoofdstuk gaat uit van twee hypothesen: de onderdrukte mening
is waar, of ze is onwaar. Daaruit volgen vier argumenten.


Het eerste argument is het fallibilisme. De onderdrukte mening kan waar zijn, en wie dat ontkent,
stelt zijn eigen zekerheid gelijk aan absolute zekerheid. Het stilleggen van een discussie is
volgens Mill ‘een aanmatiging van onfeilbaarheid’ (p. 54). De geschiedenis laat zien dat op
verschillende plaatsen en in verschillende tijden volstrekt tegengestelde dingen voor waar zijn
gehouden, en dat tijdgenoten van hun eigen gelijk even overtuigd waren als wij. Mill concludeert
niet dat we niet naar onze beste overtuiging mogen handelen, maar wel dat we die overtuiging
niet mogen opleggen door het tegendeel te verbieden (p. 56).




1

,Het tweede argument is dat een onjuiste mening vaak een deel van de waarheid bevat. De
heersende opvatting over een onderwerp omvat zelden of nooit de hele waarheid, zodat de rest
alleen door de botsing van tegengestelde meningen kan worden aangevuld. Het derde en vierde
argument gaan over de gevolgen voor de waarheid zelf, ook als de heersende opvatting volledig
juist is. Zonder eerlijke en krachtige bestrijding wordt die opvatting door de meeste mensen als
vooroordeel gekoesterd, zonder begrip van de gronden (derde argument). Bovendien dreigt de
betekenis van de leer verloren te gaan: ze verwordt tot een dood dogma, een formele erkenning
die geen invloed meer heeft op karakter en gedrag en die bovendien de weg verspert voor
oprechte overtuiging (vierde argument; p. 97-98). Een levende waarheid is een overtuiging
waarvan men de argumenten kent en waarnaar men leeft. Mill wijst op de christelijke moraal van
naastenliefde, die in de praktijk veelal een dood dogma is.


Bezwaren tegen Mill en zijn antwoorden
In het hoorcollege komen drie bezwaren aan bod. Het eerste is dat het fallibilisme tot relativisme
en handelingsverlamming zou leiden: als niemand zeker is, kan niemand handelen. Mill ontkent
dat; handelen op de beste beschikbare overtuiging is toegestaan, zolang tegenspraak mogelijk
blijft. Het tweede bezwaar is dat sommige meningen schadelijk zijn en dus niet nuttig. Mill
antwoordt dat de nuttigheid van een mening zelf een betwistbare mening is. Het derde bezwaar
is dat de waarheid toch altijd zegeviert. Mill noemt dat een gemeenplaats die de geschiedenis
weerlegt, want vervolging is vaak geslaagd (Socrates, Jezus). Over de toon van het debat merkt
Mill op dat de eis van een ‘gematigde’ discussie in de praktijk meestal wordt ingeroepen tegen
wie de heersende opinie aanvalt, zodat een neutrale beoordeling daarvan moeilijk is.


Leiter: de centrale stelling
Leiter (geb. 1963, Chicago, Nietzsche-kenner) betoogt dat veel, misschien wel de meeste ‘niet-
alledaagse’ uitingen (non-mundane speech) weinig of geen positieve waarde hebben. Alledaagse
uitingen, zoals het afspreken van een restaurantbezoek om acht uur, laat hij buiten beschouwing,
omdat het recht daar nauwelijks aandacht aan besteedt. Niet-alledaags zijn uitingen over
politieke en morele kwesties, over esthetische waarde, over maatschappelijk belangrijke
waarheden en over het goede leven. Volgens hem leveren die meestal geen bijdrage aan
waarheidsvinding (geen epistemische waarde) en zijn er onvoldoende niet-epistemische redenen
om ze, ongeacht de maatschappelijke kosten, te beschermen. Het idee dat vrije uiting prima facie
iets goeds is, moet daarom worden verlaten. Het enige overtuigende argument voor
uitingsvrijheid is volgens hem negatief: het gaat om de betrouwbaarheid van degene die moet
bepalen welke uitingen mogen blijven.


Leiter: de rechtszaal als uitgangspunt
Leiter vertrekt vanuit een vergelijking. In een Amerikaanse rechtszaak stellen leken in een jury de
feiten vast, maar niemand vindt dat zij moeten worden blootgesteld aan een ongereguleerde
markt van ideeën. De rechter bepaalt aan de hand van bewijsregels wat de jury mag horen, uit
‘epistemisch paternalisme’ (term van Alvin Goldman): leken kunnen het kaf niet altijd van het
koren scheiden. ‘There is no free speech in the courtroom’, en bijna niemand vindt dat het anders
zou moeten (p. 413). Wanneer dezelfde burgers een president kiezen, geldt echter bijna
volledige uitingsvrijheid. Hoe valt dat verschil te verklaren? Leiter ziet drie mogelijke verklaringen:
de beperkte tijd in een rechtszaak, de afwezigheid van andere dan epistemische waarden in de
rechtszaal, en het bestaan van een betrouwbare scheidsrechter. Hij toetst ze een voor een.


Het tijdsargument overtuigt niet. In de samenleving worden vaak beslissingen genomen over veel
grotere belangen met nog minder tijd, zoals de aanval op Irak of de sancties tegen Rusland na de
inval in Oekraïne. Als tijdsdruk de omvang van het paternalisme bepaalde, zou je in de
samenleving méér paternalisme verwachten dan in de rechtszaal, terwijl juist daar de
uitingsvrijheid onbeperkt is.




2

, Leiter: niet-epistemische waarden (democratie en welzijn)
De tweede verklaring is dat uitingsvrijheid buiten de rechtszaal méér dient dan waarheidsvinding,
namelijk democratisch zelfbestuur en het welzijn en de autonomie van burgers. Leiter vindt dat bij
nader inzien niet overtuigend. Voor het democratie-argument hanteert hij impliciet de kwaliteit
van de uitkomst als criterium (het docententeam wijst hierop): democratisch zelfbestuur is alleen
waardevol als het tot goede besluiten leidt, en dat hangt weer af van epistemische overwegingen.
Onbeperkte uitingsvrijheid leidt daar niet noodzakelijk toe. Als voorbeeld noemt hij het verschil
tussen de wetenschappelijke consensus (zo’n 98%) dat klimaatverandering door mensen wordt
veroorzaakt en het ontkennen daarvan door een meerderheid van de Amerikaanse bevolking,
met uitblijvend klimaatbeleid als gevolg. De stille aanname achter alle democratie-argumenten,
dat een door vrije meningsuiting bestuurde samenleving niet in morele gruwelen eindigt, noemt
hij ‘wishful thinking’ (p. 417).


Het Hayek-argument, dat uitingsvrijheid nodig is om te weten wat de bevolking wil (informatie is
verspreid en verkiezingen zijn daarvoor te grof), accepteert Leiter slechts gedeeltelijk. Voor
informatie over basisbehoeften volgt hij Amartya Sen: hongersnoden komen niet voor in
democratieën met vrije meningsuiting, omdat regeringen en medeburgers dan op de hoogte
raken. Voor andere behoeften betwijfelt hij dat burgers hun belangen kunnen onderkennen,
onder meer omdat ze door reclame worden gemanipuleerd. Het docententeam merkt op dat
Leiter daarmee een elitaire conceptie van democratie hanteert, als regering voor het volk in
plaats van door het volk. Zo’n opvatting werd in de jaren vijftig en zestig ook door politieke
theoretici verdedigd.


Het autonomie-argument voert Leiter terug op welzijn (eudaimonische belangen). Hij is een
determinist: als je ver genoeg van buiten naar de mens kijkt, wordt denken en kiezen volledig
bepaald door factoren die hij niet beheerst (genen, opvoeding, sociaal-economische positie).
Autonomie in de zin van een vrije wil is volgens hem een fictie. Er blijft een ‘dunne’ autonomie
over: handelen naar je eigen opvattingen en geen kuddedier zijn (Nietzsche). Wie zich wil uiten of
naar anderen wil luisteren, ontleent daaraan welzijn, en méér is het niet (p. 423). Het
docententeam benadrukt dat de vraag in het determinisme-debat niet is of je kunt doen wat je
wilt, maar of je kunt willen wat je wilt.


Om te bepalen hoeveel welzijn uitingen opleveren, kijkt Leiter naar het internet, dat een
staalkaart van niet-alledaagse uitingen biedt: pornografie, ideologisch gebaseerde haatdragende
taal (ras, sekse, etniciteit) en meningen over morele, politieke en culturele actualiteit. Alle drie
leveren welzijn op voor producenten en consumenten, maar brengen ook kosten mee: directe
schade voor wie getroffen wordt door pornografie en scheldpartijen, en indirecte schade door de
epistemische vertekening die uit het eindeloos herhalen van onzinnige meningen voortvloeit. Of
het welzijn zwaarder weegt dan de schade is volgens hem ‘an open question’ (p. 428). Welzijn
rechtvaardigt dus niet zonder meer dat uitingen worden toegestaan, en er is een kosten-
batenafweging nodig.


Leiter over Mill
Leiter volgt Herbert Marcuse in de opvatting dat Mill slordig wordt gelezen. Mills schadebeginsel
geldt alleen voor ‘human beings in the maturity of their faculties’ (p. 430). Voor mensen die nog
niet in staat zijn tot vrije en gelijke discussie, is volgens Mill zelfs despotisme gerechtvaardigd als
het hun verbetering dient. Mills argumenten richten zich bovendien op waarheidsvinding, niet op
democratie of welzijn, en bij uitingen zonder epistemische waarde (Mill noemt de meetkunde,
waar alle argumenten aan één kant liggen, p. 432) bieden ze geen steun. Mill ging er volgens
Leiter ten onrechte van uit dat mensen tot rationele oordeelsvorming en zorgvuldige
bewijsbeoordeling in staat zijn. Leiter gaat ook een stap verder dan Mill: psychische schade door
haat tegen mensen vanwege hun ras of seksuele voorkeur, die hun eigenwaarde aantast, kan
een beperking rechtvaardigen. Psychische schade is volgens hem iets anders dan aanstoot.
Daar waar de schade er alleen in bestaat dat iemand getroffen wordt in zijn opvattingen over hoe


3

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
4 oktober 2026
Aantal pagina's
23
Geschreven in
2026/2027
Type
Samenvatting
$12.11

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Verkocht
58
Volgers
1
Items
19
Laatst verkocht
1 week geleden




Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen