College 5: Homeostasis
Specifieke stoffen en hun routes
Glucose = vanuit koolhydraatafbraak, als glycogeen opgeslagen in
spieren en lever. Regulatie door insuline en glucagon.
Glycogeen = opslagvorm van glucose.
Vetzuren = langdurige energie; opgeslagen als triglyceriden in
adipose weefsel.
Ketonen = afkomstig van vetzuur-β-oxidatie (lever). Alternatieve
brandstof voor hersenen, hart en spier.
Hormonen die de spijsvertering en metabolisme aansturen
Acetylcholine (ACh) = stimuleert afscheiding van maagsappen
(HCl, gastrine). Gastrische fase.
Gastrine = uit G-cellen. Verhoogt HCl-productie; stimuleert
maagspiercontracties. Gastrische fase.
Insuline = β-cellen van de alvleesklier. Verlaagt bloedglucose;
bevordert opname van glucose, omzetting naar glycogeen, vet en
eiwitten.
Glucagon = α-cellen van de alvleesklier. Verhoogt bloedglucose;
mobiliseert vetzuren en zet ze om in ketonen.
Anorexia Nervosa
NPY heel hoog
Leptine vaak verlaagd door verminderde vetmassa
Ghrelin kan verhoogd, maar respons op honger is onderdrukt
Insuline en glucagon zijn normaal
Bulimia Nervosa
Serotonine verhoogd
Obesitas
Leptine hoog, maar hypothalamus reageert onvoldoende, waardoor
NPY/AgRP blijven stimuleren (onvoldoende ontstekingen/remming).
Insuline chronisch verhoogd = meer vet
Dopamine hyperactief bij voedselbeloning
, Hormonen/stoffen rond honger en eetlust
Leptine = uit vetweefsel, remt NPY/AgRP-neuronen; vermindert
eetlust en verhoogt energieverbruik. Constant signaal; verlaagd bij
vetverlies.
Ghrelin = uit de maag, stimulans voor honger, activeert NPY/AgRP-
cellen. Stijgt vóór maaltijd, daalt na eten.
NPY = uit hypothalamus, krachtige eetstimulator; bevordert
vetopslag, actief bij lage glucose, verhoogt honger → MCH + orexine.
AgRP = uit Arcuate nucleus, stimuleert hongergevoel.
MCH = laterale hypothalamus, verhoogt eetlust en energiebalans;
geactiveerd bij lage energie.
Orexine = laterale hypothalamus, stimuleert eetlust.
Vasopressine = posterieure hypofyse, vermindert urineproductie,
verhoogt bloedvolume, houdt waterbalans.
College Personality
Type A: Hostiliteit, competitief, tijdsurgent → verhoogd risico op hart- en
vaatziekte, vooral door hostiliteit.
Type D: Negatieve affectiviteit + sociale inhibitie → 2x groter risico op
metabool syndroom, slechtere cardiovasculaire uitkomst, meer
somatische klachten.
Modellen
Gezondheids-gedragmodel = persoonlijkheid beïnvloedt keuzes
(roken, dieet, beweging) die ziekterisico bepalen.
Interactioneel stress-moderatiemodel = persoonlijkheid stuurt
stressbeoordeling & coping → fysiologische respons (bloeddruk,
cortisol).
Transactioneel stress-moderatiemodel = voegt toe dat
persoonlijkheid ook stressexpositie & beschikbaarheid van steun
beïnvloedt.
Constitutioneel-predispositiemodel = genetische/biologische
factoren veroorzaken zowel persoonlijkheidskenmerken als
ziektegevoeligheid.
Biologische mechanismen