• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 33 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Developmental Psychopathology | Hele boek + artikelen + hoorcollege's | Nederlands & Engels UU | 2026/27

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 33 pagina's

Dit studiemateriaal bevat een samenvatting van het doek Developmental Psychopathology van hoofdstuk 1 tot en met 14. De volgende artikelen zijn samengevat: - Crompton et al (2021) - French et al (2025) - Podcast ADHD en verslaving - De Smedt (2022) - Snowling et al (2020) - Mc Kean et al (2018) De hoorcolleges vanuit UU zijn bekeken en verwerkt in de samenvatting (oranje gemarkeerd).

Voorbeeld van de inhoud

Hoofdstuk 1 tot en met 4
What is Developmental Psychopathology?
Psychopathology: refers to frequent, and/or persistent maladaptive patterns of emotion, cognition,
and behavior (verwijst naar frequente/aanhoudende disfunctionele patronen van emoties, cognitie, en
gedrag)
Developmental psychopathology: extends this description to emphasize that these maladaptive
patterns accur in the context of typical development and result in the current and potential impairment
of infants, children, and adolescents (benadrukt dat deze patronen zich ontwikkelen in de context van
normale ontwikkeling, en dat ze leiden tot actuele of potentiële beperkingen in functioneren).

Maladaptive blokkeert je vermogen om je aan te passen.
Adaptief helpt om constructief en gezond met situaties om te gaan.
Kinderen kunnen op verschillende manieren reageren op ontwikkelingsuitdagingen
- Poor adaptation (Slechte aanpassing): blijvende problemen op meerdere domeinen
- Adequate adaptation (Voldoende aanpassing): functioneren is acceptabel, maar er zijn
kwetsbaarheden
- Optimal Adaptation (Optimale aanpassing): goed functioneren en benutten van sterke
kanten, zelfs onder moeilijke omstandigheden

Typical vs atypical = Normaal voor de leeftijd of ongewoon voor de leeftijd. Komt dit gedrag vaak of
weinig voor bij de kinderen van dezelfde leeftijd?
Normal vs anormal = De vraag is niet alleen is het gedrag ongewoon/afwijkend maar vooral is er iets
aan de hand waardoor we dit gedrag als problematisch of ongezond beschouwen?

Drie manieren op te bepalen of gedrag ‘anormal’ is / om psychopathologie te beschrijven:
1. Statistical deviance (statistische afwijking): A child who displays too much of any age-
expected behavior (impulsivity/sadness) or too little might have a disorder. How diffrently the
person feels/thinks/act compared others. (gedrag dat veel meer of veel minder voorkomt dan
bij leeftijdsgenoten (bijv. extreem veel angst of juist opvallend weinig emotionele reacties).
2. Sociocultural norms (Culturele normen): Children who fail to conform to age-related, gender-
specific, or culture-relevant expectations might be viewed as challenging, struggling, of
dirordered. How the person is expected to think/feel/act (normen en verwachtingen binnen
een cultuur, gezin of gemeenschap. Gedrag dat buiten de culturele context valt, kan als
problematisch worden gezien).
3. Mental health perspectives (geestelijke gezondheid): Children who have a negative quality
of life, who function poorly, or who exhibit certain kinds of symptoms might have a disorder.
What experts consider as mental health/illness. (gericht op welzijn en functioneren. Een kind
dat slecht functioneert op school, thuis of in sociale relaties en een lage kwaliteit van leven
ervaart, kan worden gezien als psychisch ongezond).

Salient, age-related issues of development (opvallende, leeftijdsgebonden ontwikkelingskwesties)
1. Infancy (babytijd)
Major issue (belangrijkste kwestie): Formation of an effective attachment (vorming van een
effectieve hechting)
Additional issues (aanvullende kwesties): Basis state and arousal regulation (Basistoestand
en arousalregulatie), development of reciprocity (ontwikkeling wederkerigheid), dyadic
regulation of emotion (emotieregulatie).
2. Toddler period (peuterperiode)
Major issue: Guided self-regulation (zelfregulatie)
Additional issues: Increased autonomy (toenemende autonomie), Increased awareness of self
and others (Toenemend bewustzijn van zichzelf en anderen),
Awareness of standards for behavior (Bewustzijn van gedragsnormen), Self-conscious
emotions (Zelfbewuste emoties).
3. Preschool Period (kleuterperiode)
Major issue: Self-regulation (Zelfregulatie)
Additional issues: Self-reliance with support (agency) (Zelfredzaamheid met ondersteuning
handelingsvermogen), Self-management, Expanding social world (Uitbreidende sociale
wereld), Internalization of rules and values (Internalisatie van regels en warden)
4. School Years (schooljaren)
Major issue: Competence (Competentie)

, Additional issues: Personal efficacy (Persoonlijke effectiviteit), Self-integration
(Zelfintegratie), Competence with peers, Competence in school
5. Adolescence (adolescentie)
Major issue: Individuation
Additional issues: Autonomy with connectedness (Autonomie met verbondenheid), Identity,
Peer network competence, Coordinating school, work, and social life
6. Transition to Adulthood (overgang naar volwassenheid)
Major issue: Emancipation
Additional issues: Launching a life course (Een eigen levensloop beginnen),
Financial responsibility, Adult social competence, Coordinating work, training, career, and life

How does it emerge (hoe ontstaat het)
Developmental pathways, stability, and change (Ontwikkelingspaden, stabiliteit en verandering).
2 ontwikkelingspaden:
Equifinality (gelijke uitkomst) is as sets of
differing circumstances that lead to the same
diagnosis. Different beginnings result in similar
outcomes. (Ander beginpunt kan leiden tot
dezelfde uitkomsten)


Multifinality (verschillende uitkomst) is as sets of
similar beginnings that lead to different outcomes.
(dezelfde beginpunten kunnen tot verschillend
resultaat leiden)

Four of the most important things to remember when thinking about developmental pathways are that
(1) change is possible at many points, and (2) change is constrained or enabled by previous
adaptations (verandering wordt beperkt of mogelijk gemaakt door eerdere aanpassing). (3) transitions
& turning points shut down/create opportunities (4) developmental coherence

Ontwikkelingspaden omvatten ook verandering en transformatie. Zie hieronder aanvullende
voorbeelden van zigzag of niet lineaire ontwikkelingspaden.




Competence and incompetence
Competence reflects effective functioning in important environments. (Competentie verwijst naar het
vermogen van kinderen om adaptief te functioneren op leeftijdsgebonden taken (zoals hechting,
schoolvaardigheden, sociale relaties). Competentie betekent effectief voldoen aan de verwachtingen
van de omgeving. Incompetentie verwijst naar problemen in deze taken (bijv. sociaal isolement of
academische achterstand).

Continuity and stabilitiy
Continuity is dat gedrag/symptomen op een bepaalde manier herkenbaar blijven door de tijd heen
(jonge leeftijd veel agressie, op latere leeftijd nogsteeds veel agressie). Bij discontinuity verandert
het gedrag duidelijk door de ontwikkeling heen (weinig problemen en later juist veel problemen). De

,stability gaat over of de positie ten opzichte van andere kinderen hetzelfde blijft. Meest agressie van
de groep, later nog steeds die rangorde.
3 ways in which peoples symptomatology can change over time: Continuity and stability, Discontinuity
and stability, Discontinuity and instability.

Types of continuity:
- Homotypic: stable expression of symptoms (hetzelfde soort symptoom blijft bestaan)
- Heterotypic: symptom expression change with development (het onderliggende probleem blijft
bestaan maar het symptoom veranderd met de ontwikkeling)
- Cumulative: environment that perpetuates maladaptive style (Opstapeling. Omgeving
versterkt madaptief patroon)
Onderzoek toont aan dat ongeveer 13% van kinderen van 8-15 jaar voldoet aan criteria voor een
psychische stoornis. Deze percentages zijn vergelijkbaar in veel landen wereldwijd

Risk and Resilience factors (Risico en veerkracht).
Risk is defined as increased vulnerability (verhoogde kwetsbaarheid) to disorder. Resilience is defined
as adaptation (or competence) despite adversity (aanpassing ondanks tegenspoed). These factors
can come from individual (child, genetics, cognitive, behavioral, temperament, personality), family
(parent characteristics) and sociocultural (peers, school, neighbourhood, socio-economic status
background, and racial, ethnic, and cultural characteristics)
! : A risk factor for one disorder can be a protected factor for another. And strength-based approach
kids in high risk environments are stress adapted (en kinderen die op een krachtige manier worden
benaderd en opgroeien in een risicovolle omgeving zijn beter aangepast op stress).

Risk factors:
- Nonspecific (meternal psychopathology, poverty ; psychopathologie bij moeder, armoede),
Kunnen het risico verhogen op verschillende stoornissen, niet specifiek voor 1 stoornis.
- Specific (distorted body image). Verhoogt vooral het risico op een bepaalde stoornis, dus een
bepaald type probleem.
- Differential impact (verschillende impact). Een risicofactor heeft niet bij iedereen hetzelfde
effect.
- Timing of risk. De timing van een risico kan de impact dempen of versterken.
Resilience factors:
- Promotive effects are the characteristics and experiences that support positive developmental
and adaptation regardless of risk level (Bevorderende effecten zijn kenmerken en ervaringen
die een positieve ontwikkeling en aanpassing ondersteunen ongeacht het risiconiveau. Dus
met of zonder risico).
- Protective effects support positive development in the presence of risk (Beschermende
effecten ondersteunen een positieve ontwikkeling wanneer er sprake is van risico).

4 Patterns & Pathways of Protective Factors (4 manieren waarop beschermende factoren werken)
1. Reducing impact of risk= de impact van een risico beperken
2. Reducing the negative chain of reactions following risk= verminderen van negatieve reeks
(kettingreactie) na risico
3. Establishing and maintaining self-esteem and self-efficacy= helpt bij opbouwen en behouden van
eigenwaarde en zelfeffectiviteit
4. Opening up opportunities for growth= openen van groeimogelijkheden

How do we explain it?
6 models:
1. Physiological models (Fysiologisch model)
Explain DP and behavior trough biological factors and their interaction with the environment. Genes,
brain development and neurochemistry matter.
- Nieuwere inzichten betreffen epigenetica, waarbij genexpressie beïnvloed wordt door
omgevingsfactoren. Dit verklaart hoe kinderen met eenzelfde genetische aanleg toch verschillende
ontwikkelingspaden kunnen volgen. Het brein blijft zich gedurende de ontwikkeling veranderen.
-Child and caregivers co-construct the brain (de ontwikkeling van de hersenen wordt beïnvloed door
de interactie tussen het kind en de omgeving).
-Sensitive periods have powerful and enduring impacts (periode waarin de ontwikkeling extra gevoelig
is voor bepaalde ervaringen).

, -Genes and environment interact (genen en omgeving beïnvloeden elkaar gedurende de ontwikkeling)
Diathesesis stress model (biologische/genetische kwetsbaarheid, groter risico op psychopathologie)
Differential susceptibility models (sommige kinderen zijn extra gevoelig voor hun omgeving,
negatief of positief).

2. Psychodynamic models (Sigmund Freud)
Explain DP and behavior trough unconscious (onbewuste) processes, internal conflicts and early
experiences/relationships. Unsolved experiences or conflicts from childhood can continue to influence
devenlopmental later in life.
Psychodynamic approaches continue to emphasize (leggen de nadruk op):
(1) unconscious cognitive, affective and motivational processes
(2) mental representations of self, other, and relationships
(3) the meaningfulness of individual experiences
(4) a developmental perspective focused on the origins of typical and atypical personality in early
childhood and the constantly changing psychological challenges faced by children as they age (kijken
naar hoe dit ontstaat en veranderd gedurende de ontwikkeling).
- ID: instinct verlangen
- Superego: morality, regels
- Ego: realism, compromise between ID and superego

3. Behavioral models and cognitive models
Behavioral models explain behavioral through learning and environmental influences. Behavioral is
learned by what happens before and after behavior.
- Classic conditioning (by association hond pavlov, je verbind twee dingen met elkaar)
- Operant conditioning (reinforcement and punishment following behavior (bekrachtiging en
straf)
- social learning/observational learning
The construct of reinforcement is a critical component.
Cognitive models focus on how people process information, thin and interpret situations. Maladaptive
interpretations, beliefs and thoughts patterns can contribute to problematic emotions and behavior.

4. Humanistic models
Emphasize personal growth, self actualization and a positive sense of self. A lack of acceptance can
lead to an incongruent self image and psychological problems. (Behandeling richt zich op empathie,
authenticiteit en het stimuleren van persoonlijke groei)

5. Family models
Explain a child’s development and psychopathology by focusing on family dynamics and interactions.
A system: one change can affect the other members.
Non shared environment: different experiences and outcomes.

6. Sociocultural models
Explain trough the broader social cultural and historical context. Ecological context like home, school
and neighborhood. Cultural norms. Socio economic status (SES). Historical circumstances. Shaped by
culture, social environment, SES, historical circumstances while the child and environment also
influence each other.

How do we diagnose it?
Classification
Classification = a system for describing disorders in categories, groups, or dimensions. It helps us
understand disorders and make decisions about prognosis and treatment.
Diagnoses= the method of assigning children to classification categories (toewijzen aan categorie)
Classification helps understand the causes, course, and treatment of specific problems / Helps
professionals to communicate / Improves research and theory development.

2 types of models
- Categorical classification/models (hokjes je hebt het wel of niet)
Assumes that there are groups of individuals with relatively similar patterns (vergelijkbare patronen) of
disorders. Distinct categories of boxes (duidelijk onderscheiden van categorieën of hokjes). Diagnostic
and Statistical Manual (DSM).

Gekoppeld boek
 image
Robin Parritz, Robin Parritz Disorders of Childhood
Uitgever: Onbekend ISBN: 9780357796467 Druk: Onbekend

Documentinformatie

Studie
Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
3 oktober 2026
Bestand laatst geupdate op
11 oktober 2026
Aantal pagina's
33
Geschreven in
2026/2027
Type
Samenvatting
$11.47

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
mariloudegans
3.9
(88)
Verkocht
391
Volgers
250
Items
21
Laatst verkocht
4 uur geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen