Structuur/vorm betekenis Functie/gebruik
= in interactie
Klank Fonetiek Fonologie ?
woord Morfologie Lexicale semantiek ?
Zin syntasxis Zinssemantiek Taalhandelingsleer
tekst Conversatie analyse (tekstanalyse)
Morfologie: structuur en vorm van woorden
Syntaxis: structuur en vorm van zinnen
Lexicale semantiek: woord betekenis
Zinssemantiek: zins betekenis
Pragmatiek; taalgebruik in context
Taalhandelingsleer: manier waarop je taal gebruikt
Fonetiek: structuur/vorm klank
Fonologie: betekenis klank (bv. tak en dak)
Conversatieanalyse: hoe mensen in dialoog/conversatie treden, afspraken,..
MORFOLOGIE
Hoofdstuk 1: basisbegrippen morfologie en syntaxis
• Lineariteit versus hiërarchie
zender ontvanger
Mondeling (tijd) Spreken Luisteren
Schriftelijk (ruimte) Schrijven Lezen
Lineariteit: opeenvolging (horizontale dimensie)
Mondeling:
Luisteren: ene stuk komt vroeger door in u brein dan andere, bepaald manier waarop verwerkt,
begrijpt
Tijdsdementie van groot belang: wat komt eerst, wat komt daarna
1
,Schriftelijk:
links naar rechts schrijven, je leest blad papier van links naar rechts en boven naar onder, in
China omgekeerd
hiërarchie (verticale dimensie): bv de man ziet een kat, 3 delen de man, ziet, een kat geeft aan
wat er nauwer bij elkaar samen hoort
ABC
A B C
ABC ABC
AB C A BC
A B B C
(argument) (onderwerp + gezegde) kat zien kenmerk toekent aan de man
*= ongrammaticaal
Recursiviteit: situatie waarbij de uitkomst van een bepaald proces opnieuw als input voor
datzelfde proces kan worden gebruikt
- Binaire vertakking: boomstructuren, per knoop maar 2 takken, kan je herhalen
De man ziet een kat
Relatie van werkwoord met zijn lijdend voorwerp (de kat), is nauwer dan de relatie met het
onderwerp (de man)
- Lijdend voorwerp en werkwoord vormen woordgroep
- Onderwerp en lijdend voorwerp niet
2
,Opbouwen hiërarchische gebeurd recursief:
- Recursiviteit= situatie waarbij de uitkomst van een bepaald proces opnieuw als input
voor datzelfde proces kan worden gebruikt
Badhanddoek: voorbeeld 2, handdoek is zelf al een woord
• Hoofdigheid: hoofdzaken tegenover bijzaken
Erg oude mannen met baarden zingen een lied
- Centraal woord (het hoofd van de woordgroep): mannen
- Niet noodzakelijk (bepaling) : erg oude mannen, baarden (kan je weglaten zonder dat
structuur ongrammaticaal wordt)
- Mannen zingen een lied
Hoofdigheid
Erg oude mannen met baarden
NP
Nomen (N) phrase (P) bv. Mannen → NP → N
Nomen nomen = hoofd → bepaald eig van die woordgroep
Nominaal consitent
Zelfstandig naamwoord
AP
Adjectivaal (A) phrase (P) bv. oude = hoofd, kan niet weg (
Adjectief
Bijvoegelijknaamwoord
AdvP
3
, Adversiaal (Adv) phrase (P) erg= bepaling, kan weggelaten worden = AdvP
Adversum consistent zin want kan nog verlengd worden bv ‘heel erg .
Bijwoord
VP
Verbaal (V) phrase (P)
Verbum
Werkwoord
PP → consituent dat begint met een voorzetsel
P= met NP→ N → baarden met en baarden staan naast elkaar (‘baarden met’) gaat
Voorzetsel consituent niet
Niet alles even belangrijk:
- Erg oude= voorbepaling
- Met baarden = nabepaling
Principe van endocentriciteit:
- Elke woordgroep heeft een hoofd dat de eigenschappen van die woordgroep bepaald
-
→ morfologie
Melkchocolade= chocolade belangrijkste, het is chocolade
meestal rechter element belangrijkste:
4