Astma bronchiale Een Heterogeen syndroom gekenmerkt door:
1. Typische symptomen: wheezing, dyspnee,
inspanningsbeperkingen, (evt hoest), opgeven van taaie
glazige slijmen (tapioca brokjes), drukkend/benauwd
gevoel op de borstkas
2. Een variable luchtwegobstructie of bronchiale
hyperreactiviteit
(vaak (niet obligaat) ontsteking van de luchtwegwand)
(Kan evolueren naar irreversibele luchtweg obstructie)
(Door luchtwegremodelling)
- Relevante factoren astma/atopie:
Genetica, allergeenblootstelling, urbanisatie, early life
events, eczeem, passief roken, infecties, luchtpollutie,
obesitas, specifiek beroep, onvoldoende beweging
Pathofysiologie van Meestal een type 2 (T2) inflammatie
astma - Submucosale eosinofiele luchtweginflammatie
- Lokale vrijzetting van ontstekingsmediatoren
- Uitzondering: non-type 2 astma
- Al of niet tgv IgE overgevoeligheid
Oedeem luchtwegmucosa
Hypersecretie slijmbekercellen
Hypertrofie & spasme van SMCs (glad spierweefsel)
Luchtweghyperreactiviteit
(Fibrosering en remodelling van luchtwegwand)
Pathofysiologie bij Aanwezig bij de meerderheid van de astmatici (<20j)
‘extrensieke’ of Type 1 hypersensitiviteitsreactie (IgE-gemedieerd)
atopische astma Voornaamste allergenen
- Huisstofmijt, stuifmeelpollen, dierepitheel, schimmels,
professionele blootstelling
Klinisch onderzoek Longauscultatie:
astma - Normaal
- Expiratoire wheezing
- Verlengd expirium
- Evt. Hyperinflatie
Bij ernstige aanval:
- Tirage, cyanose, distress
- Pulsus paradoxus
- (‘Silent chest’)
Geassocieerde afwijkingen tgv atopie
Diagnose astma Gebaseerd op:
1) Typische symptomen
2) Aantonen van variabele luchtwegobstructie (LWO)
a) Uitgesproken variabiliteit PEF (peak expiratory flow)
b) Verbetering van obstructieve spirometrie met beta 2-
mimetica
c) Positieve bronchiale provocatietest (met Histamine,
metacholine of allergeen)
, 3) (Aantonen van eosinofiele luchtweginflammatie)
a) Gestegen bloedeosinofilie
b) Verhoogd uitgeademd NO (FeNO)
c) Sputumeosinofilie
4) (Aantonen van atopie)
a) Positieve huidtesten
b) Gestegen totaal en specifiek IgE in serum
5) Spirometrie
a) Kan normaal zijn
b) Kan obstructief beperkt zijn
c) Kan significant verbeteren met beta 2-mimetica:
inhalatie salbutamol 200-400 microgram geeft
verbetering van de ESW met 200 of meer ml en 10%
of meer tov uitgangswaarde
d) Kan reversibel zijn (astma => reversibele “schade”)
e) Zal gedaald zijn na inhalatie van een (a)specifieke
trigger met gelijk aan/meer dan 10-20%
6) Plethysmografie (niet erg relevant voor diagnose)
a) Normaal RV & TLC
b) Gestegen RV & TLC bij belangrijke obstructie
7) Normale diffusie (niet erg relevant voor diagnose)
8) Beelvorming (RX thorax) (niet erg relevant voor
diagnose)
a) Normaal
b) Hyperinflatie bij belangrijke obstructie
9) Biomarkers van eosinofiele LW inflammatie
a) Geïnduceerd sputum # eosinofielen: >= 2%
b) #bloed eosinofielen:
<150 microL is goed; >= 300 microL (gestegen)
c) Uitgeademde stikstofoxide (FeNO):
<25 ppb is goed; >= 50 ppb (gestegen)
10) Aantonen van atopie:
a) Huidtesten
b) Allergeen specifiek serum IgE
Concept astma 🍀 Optimale symptoomcontrole
remissie - Minimale klachten (ACQ<1.5)
- Normale activiteiten
- Minimaal gebruik van noodmedicatie
🍀Geen astma gerelateerde events
- Geen astma gerelateerde exacerbaties
🍀Optimale longfunctie
- Optimale ESW (>=90%)
- Stabiele ESW
- Verbeterde BHR (bronchiale hyperreactiviteit)
🍀Geen nood aan OCS
- ICS toegelaten
Farmacotherapie 1) Stadaardbehandeling via inhalatie medicatie (‘puffers’)
astma (belang van een goede inhalatietechniek)
2) Onderscheid tussen nood (“rescue” of “reliever”)