THEMA 1: INLEIDING PSYCHOLOGIE ALS WETENSCHAP
1. Wat is psychologie
Begrip: combinatie psyché (geest) en logos (reden).
Wetenschap die aard en mogelijke oorzaken bestudeert van
gevoelens, opvattingen, wensen en gedragingen van mensen (=
breed met specialisaties en deelgebieden).
! Niet hetzelfde als psychiatrie (medische wetenschap ter
behandeling van psychische stoornissen psychologie als
gedragswetenschap).
Gelijkenis met psychiatrie: beide hebben de psychische stoornissen
als onderzoek domein. Maar ze bekijken het beide van een ander
perspectief: psychologie vanuit gedragsmatig perspectief en
psychiatrie vanuit medisch perspectief.
Lang verleden: huis-, tuin- en keukenpsychologie dat we allen intuïtief
hebben als subjectief oordeel (= intuïtieve psychologie). Het probleem
hiermee is dat die intuïtieve kennis vaak verkeerd kan zijn.
Objectieve bevindingen en verklaringen zijn vereist.
Pseudopsychologie: niet onderbouwde psychologische aanname die
als wetenschappelijke waarheden wordt gepresenteerd (bv:
horoscopen).
Korte geschiedenis psychologie als wetenschap
1879 = startpunt psychologie als wetenschap.
Laboratorium experimentele psychologie waar op een objectieve
manier informatie wordt verzameld. Hierna zijn veel onderzoeken
gevoerd op systematsche wijze.
‘Eerste indruk’: voorbeeld van aansluiting van intuïtieve kennis en
psychologie als wetenschap. Binnen een fractie van een seconde
hebben we al een eerste indruk gevormd over iets of iemand.
Verschillende manieren om psychologie te bedrijven:
Experimentele psychologie (onderzoek naar nieuwe inzichten),
docentpsychologie (docenten die psychologie doceren), toegepaste
psychologie (inzichten, kennis toepassen in de praktijk).
Impact psychologie in dagelijkse leven: supermarkt (muziek, sale
borden, kleuren, …), datingbureaus, onderwijs (studiekeuzetesten),
déjà vu (een beeld wordt opgeslagen, maar zonder context informatie),
goede voornemens (mensen zijn cognitief conservatief en niet geneigd
om te veranderen) nieuwjaar, vrije wil (eigenlijk maakt ons brein al een
keuze), hechting en relaties (veilige hechting of onveilige hechting
afhankelijk van verleden).
1
,2. Perspectieven en stromingen
6 belangrijke perspectieven binnen psychologie: biologisch, cognitief,
behavioristisch, hele persoon, ontwikkeling, sociocultureel (kaders waarop
naar gedrag gekeken wordt). Elk perspectief heeft eigen idee of
benaderingswijze van geestelijke processen en of gedragingen.
a. Biologisch perspectief = oorzaken van gedrag worden in het
functioneren van de genen, hersenen, hormoon en zenuwstelsel
gezicht.
-> Vroeg biologisch perspectief (Descartes): scheiding lichaam &
geest (rationalisme) denken als enige middel om aan wetenschap te
doen.
MAAR kritiek door empiristen (focus waarneming en ervaring als
mens, niet de lichamelijke processen) – lichaam wordt gezien als
deel van een machine.
-> Modern biologisch perspectief: geen scheiding meer tussen
lichaam en geest, gedrag komt louter voort uit lichamelijke
achtergrond bv: dopamine zorgt voor drang naar avontuur en actie.
b. Cognitief perspectief = de wetenschappelijke methode kan worden
gebruikt om de menselijke geest te bestuderen, geest is het
studieobject.
Vindt haar oorsprong in de chemie: we gaan net als in de chemie
mentale processen structureren (grondlegger structuralisme).
Wilhelm Wundt (cognitief structureren van menselijke geest):
baanbrekend inzicht gebruik van wetenschappelijke methode voor
studie van lichaam en geest (introspectie: proefpersonen moeten
reflecteren), als basis voor structuralisme.
Functionalisme kwam als reactie: niet structuur, maar nagaan wat
de functie is van elk deel van de geest (die hebben elks een doel,
functie). Psychische processen kunnen maar begrepen worden in
het licht van hun adaptieve nut en functie.
Moderne cognitief perspectief: nadruk op mentale processen zoals
denken, leren, geheugen, perceptie (informatieverwerking).
** zowel biologisch als cognitief perspectief leggen de nadruk op
mentale processen.
c. Behavioristisch perspectief = studie van observeerbaar gedrag, niet
van mentale processen.
‘Behaviorisme’: nadruk op waarneembaar gedrag (itt introspectie)
Psychologie = studie van gedrag en omstandigheden die gedrag
beïnvloeden (hetgeen wat we kunnen waarnemen cf. empiristen).
Handelen > denken en voelen.
Tabla rasa gedachte: mens begint als leeg blad.
Grootste bijdrage: hoe omgeving leren beïnvloedt (Pavlov klassieke
conditionering en Skinner operante conditionering)
2
, d. Perspectieven vanuit de hele persoon: de mens wordt hier als
geheel benaderd.
-> Psychodynamische psychologie = persoonlijkheid en geestelijke
stoornissen zijn gevolg van onbewuste processen (behoeften,
verlangens, herinneringen, …). Deze stroming krijgt binnen de
psychologie de minst empirische ondersteuning.
Onbewuste processen domineren persoonlijkheid en kunnen
geestelijke stoornissen veroorzaken. Gehele persoon kon zo
verklaard worden. Nieuw is wel methode voor psychotherapie.
Freud: psychodynamische psychologie, mens is slechts voor 10
procent bewust. Introspectie van zelfreflectie is dus niet aan de
orde.
Freud maakt onderscheid:
ID (driften, onbewust) – EGO (contact met realiteit, beheerst het ID)
– SUPEREGO (geweten door waarden en normen gevormd). Als de
driften het evenwicht overnemen, zijn lichamelijke klachten het
gevolg.
Analyse van dromen, versprekingen, vrije associatie en hypnose als
technieken van Freud om het onbewuste boven te halen.
Karl Popper: kritiek is te subjectief en niet waarneembaar genoeg
empirisme).
-> Humanistische psychologie = nadruk op menselijke groei en
potentieel (en niet op geestelijke stoornissen). Klinische benadering
met nadruk op groei, potentie en vrije wil van de mens (reactie op
psychoanalyse en behaviorisme). Opvattingen en behoeften hebben
sterke invloed op gedachten, emoties en gedragingen.
Behoeftenpiramide van Maslow / uitstellen van
behoeftebevrediging. Eerst basisbehoeften voldoen om vervolgens
andere behoeften die hoger in de piramide zitten te kunnen
bevredigen. Belangrijk voor zelfontwikkeling.
Kritiek: sommigen stellen dat die behoeften soms door elkaar
gaan en op elkaar primeren naargelang de context.
! humanistische psychologie maakt wel als eerste toenadering
tussen recht en psychologie mogelijk!
-> Psychologie van karakter en temparement = individuen kunnen
worden begrepen in termen van hun karakter en temperament.
Karaktertrekken (redelijk stabiel) en temperament (neigingen
waarop karakter genesteld is, ook stabiel).
Big 5 (persoonlijkheidsmodel):
1. Extraversie introversie – naar buiten of binnen gericht zijn.
2. Inschikkelijkheid niet inschikkelijk- warme of koude mensen.
3. Zorgvuldigheid onzorgvuldigheid – stiptere of nonchalantere
mensen.
3
, 4. Emotionele stabiliteit emotionele labiliteit – achterdochtig of
vertrouwen.
5. Open gesloten – mindset.
-> Ontwikkelingsperspectief = mensen veranderen continu als
gevolg van interactie tussen nature en nurture.
Psychologische verandering = gevolg van wisselwerking tussen die
twee, erfelijkheid en omgeving.
Onderzoek naar de impact van beiden.
Cognitieve ontwikkelingspsychologie (Piaget), hechtingstheorie
(Bowlby), psychoseksuele ontwikkeling (Freud).
-> Sociocultureel perspectief = nadruk op de situatie; sociale en
culturele invloeden kunnen alle andere factoren die gedrag
beïnvloeden overstemmen.
Interculturele psychologie.
Hoe word je beïnvloedt door contact met anderen? Hoe bepalen
anderen hoe je je gedraagt? Hoe beïnvloedt de omgeving ons
gedrag?
Laatste jaren: toename belang neurowetenschap, cultuur, biologische,
cognitieve en ontwikkelingsperspectief.
3. Deelgebieden
Talrijke zaken waarmee psychologen zich bezighouden
Onderscheid:
Psycholoog: 5 jaar studie psychologie als beschermde titel.
Therapeut: andere opleiding die niet perse 5j psychologie inhoudt.
3.1 Klinische psychologie
Diagnosticeren en behandelen van mensen met mentale problemen en
gedragsproblemen. Wordt gedaan aan de hand van DSM1.
3.2 Ontwikkelingspsychologie
Studie van lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van geboorte tot en
met ouderdom. Studie gaat na welke ontwikkelingspatronen er zijn en dit
op verschillende gebieden. Hierbij worden afwijkingen in de ontwikkeling
vastgesteld.
3.3 Sociale psychologie
Studie van hoe sociale omgeving van invloed is op denken, voelen en
handelen van mensen en studie van hoe mensen elkaar waarnemen en
beoordelen alsook de relaties die tussen mensen ontstaan.
3.4 Arbeids- en organisatiepsychologie
Studie van gedrag van mensen in een organisatie alsook hoe dit gedrag
wordt beïnvloed door kenmerken van het werk en de werksituatie.
Wat maakt iemand een goede leider? Hoe leven mensen het best
veiligheidsregels na?
1
Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders
4