Tekstanalyse: methoden en toepassingen
Functionele analyse: richt zich op de doelgroepen en de doelen van een
tekst, en vervolgens op de afstemming van de inhoud van de tekst
daarop. Wat is de context en waarin is deze tot stand gekomen.
Vervolgens in steeds meer details de tekst analyseren.
1. Stel vast wat het onderwerp is, wie de zender van de tekst is en voor
wie het bedoeld is (doelgroep). Ook het organisatiedoel beschrijven.
2. Bepaal welke communicatieve doelen (zoals geïnformeerd raken of
overtuigd worden) een rol spelen in de tekst --> kunnen leiden tot
gedragsverandering lezer (consecutief doel).
3. Welke functie hebben de verschillende onderdelen van de tekst,
oftewel welke teksthandelingen worden uitgevoerd en hoe deze
bijdragen aan het bereiken van de communicatieve doelen.
4. De beoordeling van de tekst --> draagt de tekst optimaal bij aan het
doel? Zo niet, hoe kan deze tekst veranderd worden.
Taalhandelingstheorie: een verbinding leggen tussen de betekenis van
taaluitingen en hun functie in de communicatie. In elke taaluiting wordt
een handeling verricht, iets zeggen is hetzelfde als iets doen. Deze
taalhandelingen (speech acts) kunnen bv. zijn: meedelen, feliciteren,
beloven. Deze bestaan uit drie niveaus:
1. Locutie: het produceren van de uiting.
2. Illocutie: wat de spreker doet met zijn uiting.
Taalhandelingswerkwoorden weerspiegelen deze.
3. Perlocutie: het effect dat de taalhandeling op de ontvanger zou
moeten hebben.
‘Wat is het hier koud’ is een indirecte taalhandeling.
Onderzoek naar tektskwaliteit (uit klassieke retorica): wat maakt een tekst
tot een goede tekst? Kwaliteit tekst sterk afhankelijk van de functie:
begrijpelijkheid of overtuigingskracht. Daarna kwaliteit tekst afgezet tegen
de functie van een tekst.
Belangrijke uitgangspunten functionele analyse: de context moet
nauwkeurig bestudeerd worden voorafgaand aan de eigenlijke analyse.
Functionele analyse moet leiden tot voldoende informatie voor de schrijver
van de tekst om deze te kunnen verbeteren. Ook nieuwe schrijvers van
teksten baadt bij het lezen van functionele tekstanalyses.
Geïmpliceerde lezer (reader persona): het denkbeeldige publiek dat een
tekst veronderstelt en waarvoor de schrijver zijn stijl, inhoud en
verwachtingen afstemt.
Wat de zender uiteindelijk wil bereiken met de tekst: organisatiedoel.
Bijvoorbeeld:
- Naast het te verkopen product, wordt er ook informatie gegeven
over het merk of fabrikant --> naamsbekendheid en vertrouwen in
merk versterken.
, - In ziekenhuizen bijvoorbeeld protocollen en richtlijnen als
bewijsmateriaal.
- Regeringsplannen blijven vaag, zodat de meerderheid er uiteindelijk
achter kan staan. Het achterliggende organisatiedoel tast het
communicatieve doel aan.
Cognitieve effecten: veranderingen in denken, begrijpen, herinneren of
interpreteren die optreden bij een lezer of luisteraar door het verwerken
van informatie (zoals een tekst, beeld of boodschap).
Zes soorten communicatieve doelen die veranderingen in de cognities van
de lezer betreffen:
- Informeren; lezer kennis verschaffen over bepaald onderwerp.
- Overtuigen; invloed uitoefenen op de opvattingen en overtuigingen
van de ontvanger.
- Opiniëren; zender neemt bepaald standpunt in, maar vooral om
doelgroep ‘tot nadenken te stemmen’ zodat die een oordeel kan
vormen.
- Instructief; de doelgroep in staat stellen om bepaalde handelingen of
taken uit te voeren (gebruiksaanwijzingen).
- Activeren/motiveren; de leden uit een doelgroep bereid zullen raken/
de intentie zullen krijgen om een dergelijke actie op touw te zetten.
- Emotioneren; gevoelens van ontvanger beïnvloeden. Dit valt onder
pathos.
Bijna alle teksten multifunctioneel; verschillende communicatieve doelen.
Vaak zit daar een hiërarchie in, bepaalden doelen ondersteunen andere
doelen. Kan worden weergegeven in een communicatief doelenschema:
doelen in aparte blokken weergegeven. De hiërarchie wordt dan met pijlen
aangegeven. Er kunnen ook verschillende schema’s zijn voor één tekst als
het bijvoorbeeld bestemd is voor verschillende doelgroepen.
Vaak willen zenders meer dan bv. alleen informeren: ze willen ook dat de
lezers bepaald gedrag gaan vertonen. We spreken dan van het
consecutieve doel van een tekst. Uit een instructief of activerend
communicatief doel volgt normaal gesproken een consecutief doel --> het
is de bedoeling dat de lezer de instructies daadwerkelijk gaat opvolgen.
Er moet dus wel een onderscheid worden gemaakt tussen een
gedragsintentie of handelingskennis en het feitelijke gedrag (con. doel).
De auteurs vinden dat als er van de gedragsintentie door bepaalde
externe factoren uiteindelijk niks terechtkomt, dat de tekst niet is mislukt.
Om teksten in verschillende delen te verdelen, moet je eerst vaststellen
wat een onderdeel is met verschillende criteria:
- Visuele criteria: in lange teksten zijn hoofdstukken te herkennen aan
titels en eventueel nummers. Onderscheid door nieuwe pagina,
witruimte, verschillende lettertypes en -groottes, kleurgebruik,
regelindeling, leestekens.
, - Inhoudelijke criteria: een onderdeel gekenmerkt doordat het over
een bepaald (deel)onderwerp gaat, doordat één bepaalde vraag
wordt beantwoord.
- Talige criteria: bepaalde woorden en uitdrukkingen om onderdeel te
identificeren, zoals titels en kopjes, aankondigende zinnen en
signaalwoorden.
Teksthandelingswerkwoorden zijn soms direct uit het werkwoord in de zin
af te leiden, maar vaak is dit niet het geval. Dan moet je zelf de handeling
karakteriseren, hier kan je de performatieve formule voor gebruiken;
performatief is hetzelfde als taalhandeling. Het heeft de volgende
kenmerken:
1. Bevat hierbij
2. Bevat een expliciet taalhandelingswerkwoord
3. Staat in de tegenwoordige tijd
4. Heeft ik als onderwerp
Bijvoorbeeld: ‘hierbij prijs ik deze thee aan. Alle nieuwe theesmaken van
Clipper zijn biologisch’.
Teksthandelingen zijn in de tekst terug te vinden en dragen bij aan het
bereiken van de communicatieve doelen die we hebben geformuleerd op
basis van de context en globale lezing van de tekst.
- Informerende teksthandelingen gericht op beïnvloeden kennis
(weten wat): beschrijven, rapporteren, uiteenzetten, analyseren,
voorspellen.
- Instructieve teksthandelingen gericht op beïnvloeden vaardigheden
(in staat zijn tot): instrueren, uitleggen hoe, aanwijzingen geven.
- Overtuigende en opiniërende taalhandelingen gericht op
beïnvloeden van overtuigingen en meningen (geloven da, vinden
dat): betogen, beweren, argumenteren, beoordelen.
- Activerende/motiverende teksthandelingen gericht op beïnvloeden
van gedragsintenties (van plan zijn om): opdragen, bevelen,
verbieden, eisen, voorstellen, aanbevelen.
- Emotionerende teksthandelingen gericht op beïnvloeden gevoelens:
feliciteren, verontschuldigen, bedanken.
Daarnaast nog commissieve en bepalende teksthandelingen, beide
voornamelijk een sociaal doel. Er wordt een officiële handeling verricht. Bij
commissieve is dit bijvoorbeeld beloven of afspreken: je gaat een
verplichting aan, waaraan je geacht word je hieraan te houden in de
sociale werkelijkheid. Bepalende teksthandelingen (ontslaan, vrede
sluiten) zorgen voor een daadwerkelijke verandering in de wereld, dit is
vaak door bevoegde instanties.
De laatste stap van de analyse gaat om het geven van een oordeel van de
geanalyseerde tekst en een inschatting maken van de kans dat de
gestelde doelen bereikt zullen worden. Eerst afvragen of de doelgroep
goed gekozen is. Daarna of de communicatieve doelen gemakkelijk