II. Rechten Van Verdediging In Strafzaken:
1. Algemene begrippen:
Begrip en oorsprong:
De rechten van de verdediging in strafzaken kunnen worden omschreven als het geheel van
rechtsregels die de rechtspositie van de verdachte in een strafproces beheersen en die hem meer in
het bijzonder in de mogelijkheid stellen zich te verdedigen tegen de strafvordering.
De rechten van de verdediging in strafzaken maken deel uit van de grondrechten. Het doel van de
verdedigingsrechten is de verdachte te beschermen tegen een willekeurige veroordeling en een
willekeurige straftoemeting. Zij zijn specifiek van toepassing op personen die worden vervolgd
wegens een misdrijf. Hierin onderscheiden zij zich van de andere grondrechten, die weliswaar ook
verband kunnen houden met het strafprocesrecht, maar die een meer algemene toepassing hebben,
en niet beperkt zijn tot verdachten of beklaagden.
De rechten van de verdediging zoals wij ze vandaag kennen hebben zich vooral ontwikkeld sinds de
tweede wereldoorlog, onder invloed van het EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof te
Straatsburg. Vele rechten van de verdediging zijn bovendien 'groeirechten', waarvan het
toepassingsgebied in de praktijk in de loop der jaren is uitgedeind.
Weliswaar bevat het wetboek, vooral sinds de Wet van 12 maart 1998, verschillende bepalingen die
op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze verband houden met de rechten van de verdediging, maar
een systematische opsomming van deze rechten ontbreekt. Ook in de Grondwet staan een aantal
bepalingen die op deze materie betrekking hebben, b.v. het beginsel van de openbaarheid der
terechtzittingen (art. 148 Gw.), maar ook hier komt geen stelselmatige uiteenzetting voor. De
voornaamste rechtsbron voor de rechten van de verdediging wordt daardoor vandaag gevormd door
de mensenrechtenverdragen, met name het EVRM (art. 6) en het IVBPR (art. 14).
De Europese Unie wordt een steeds belangrijkere speler voor de bescherming van de rechten van
verdediging. Hoofdstuk 6 van dit Charter, getiteld 'Rechtspleging', bevat enkele rechten die deels
overlappen met, en deels verschillen van de fair trial rights in art. 6 EVRM. In zover het Handvest
analoge rechten bevat, namelijk rechten die gelijk zijn als deze vervat in het EVRM, zal het Hof van
Justitie van de Europese Unie rekening houden met de de interpretatie van de EVRM-rechten (art. 52,
3 EU Handvest). Het Handvest heeft dezelfde waarde als de EU verdragen en behoort daardoor tot
het primair Unierecht. Het Hand- vest is enkel van toepassing op situaties die binnen het
toepassingsgebied van het recht van de Europese Unie vallen (art. 51 EU Handvest).
Door de rechtsfiguur van de directe werking kunnen art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR rechtstreeks in het
Belgische (strafproces) recht worden toegepast. Schendingen van het EVRM kunnen door de
betrokkenen worden aangeklaagd bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Als gevolg
hiervan hebben de mensenrechtenverdragen, vooral dan het EVRM (omwille van het Straatsburgse
toezichtsmechanisme) een zeer grote impact op de ontwikkeling van het strafprocesrecht. Sinds het
protocol 16 EVRM kunnen de hoogste hoven bovendien ook een rechtstreekse, zij het niet- bindende,
vraag voor advies vragen aan het EHRM.
1
, In het geval waarin nationale normen een grotere bescherming bieden dan de bepa- lingen uit de
mensenrechtenverdragen, hebben de nationale normen, op grond van art. 53 EVRM en art. 5(2)
IVBPR, voorrang.
De waarborgen opgenomen in het EVRM zijn niet alleen relevant voor partijen en instanties tijdens
het onderzoek maar ook tijdens de procedure ten gronde. De veroordeelde kan, na alle interne
rechtsmiddelen uit te putten, een rechterlijke beslissing aanvechten voor het Europees Hof te
Straatsburg. In geval het Europees Hof een schending vaststelt kan een procedure tot heropening
worden ingesteld bij het Hof van Cassatie. Deze procedure kan worden ingesteld door de
veroordeelde (of zijn nabestaanden) of de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie (art. 442bis tot
octies Sv.). Het Hof van Cassatie beveelt de heropening van de rechtspleging als aan volgende
voorwaarden is voldaan: 1°de bestreden beslissing is strijdig met het EVRM of de schending van het
EVRM is het gevolg van procedurefouten of tekortkomingen die zo ernstig zijn dat er ernstige twijfel
bestaat over de uitkomst van het proces en 2°de veroordeelde ondervindt zeer ernstige nadelige
gevolgen die alleen door heropening van het proces kunnen worden hersteld (art. 442quinquies Sv.).
Na een veroordeling in Straatsburg kan men een heropening vragen. Na veroordeling kan veroordeeld
klacht indienen binnen de 4 maanden tegen België in Straatsburg. Men kan ook een minnelijke
schikking sluiten met België(het land tegen wie de klacht gericht is). Uiteindelijk een uitspraak
(veroordeling van België door EHRM) of een minnelijke schikking met België (België erkent dat er een
schending is). Als dat gebeurt (beide scenario’s), dan mogelijkheid om te vragen om strafprocedure te
heropenen.
Toepassingsgebied rechten van de verdediging in strafzaken:
Rechten van de verdediging in strafzaken:
Een onderscheid moet worden gemaakt tussen de rechten van de verdediging in het algemeen, die
niet enkel in strafzaken, maar ook in burgerlijke zaken van toepassing zijn, en de rechten van de
verdediging die specifiek gelden in strafzaken. Omwille van het meer ingrijpend karakter van de
strafrechtelijke sanctie worden aan de verdachte meer waarborgen toegekend dan aan personen die
in een burgerlijke procedure verwikkeld zijn. Dit betekent ook dat de rechten van de burgerlijke partij,
op grond van het EVRM, niet dezelfde zijn als die van de verdachte.
De eerste paragraaf van artikel 6 EVRM omschrijft de rechten die gelden, zowel in burgerlijke als in
strafzaken. De tweede en derde paragraaf gelden echter enkel in strafzaken.
Het begrip strafzaak:
Het begrip 'strafzaak wordt in art. 6 EVRM omschreven als een procedure die betrekking heeft op de
bepaling van de gegrondheid van een ingestelde strafvervolging. Het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens heeft dit begrip op autonome wijze gedefinieerd: het toepassingsgebied van art. 6
wordt bepaald, niet door de nationale criteria voor de omschrijving van het begrip strafzaak, maar
door de omschrijving die door het Hof zelf aan dit begrip wordt gegeven. Je kan als lidstaat niet
ontsnappen door te stellend dat het naar nationaal recht geen strafrechtelijke sanctie is (maar een
administratieve sanctie is), het Hof gaat dit bepalen aan de hand van autonome criteria. In de zaak
Engel heeft het Hof hierbij 3 criteria vooropgesteld (Engel-criteria):
1. De vraag of de overtreden norm in het nationale strafrecht van de betrokken staat is
opgenomen.
2. De aard van de inbreuk (vraag of de overtreden norm een algemeen karakter heeft en of de
sanctie een preventief en repressief doel nastreeft).
2
, 3. De aard en de ernst van de sanctie.
De twee laatste criteria zijn subsidiair: als de overtreden norm naar nationale maatstaven een
strafrechtelijke inbreuk uitmaakt, dan is art. 6 automatisch toepasselijk. Is dit niet het geval, dan
worden de twee andere criteria onderzocht. In de zaak Öztürk had het Europees Hof het derde
criterium gerelativeerd en art. 6 ook toepasselijk verklaard op administratieve inbreuken die slechts
met een zeer lichte straf werden bestraft. In latere rechtspraak is het Hof hierop echter
teruggekomen en heeft het geoordeeld dat art. 6 niet gold t.a.v. zeer lichte administratieve sancties.
2918
Procedures die naar internrechtelijke maatstaven een disciplinair karakter hebben, of van
administratieve aard zijn, worden, indien zij aan de door het Hof vooropgestelde criteria voldoen, als
strafrechtelijk in de betekenis van art. 6 beschouwd. Het gevolg hiervan is dat zij aan de voorwaarden
die in art. 6 zijn uiteengezet moeten voldoen, ook al zijn het geen strafrechtelijke procedures. Staten
hebben dus niet de mogelijkheid bepaalde procedures als niet strafrechtelijk aan te merken, om ze
aan de waarborgen van art. 6 te onttrekken. Ook burgerlijke of administratieve sancties die verband
houden met een strafrechtelijke veroordeling kunnen als straf worden beschouwd in de zin van art. 6
EVRM. Verder oordeelde het Europees Hof dat administratieve geldboetes op basis van art. 70
W.B.T.W. een strafrechtelijk karakter hebben.
Het begrip vervolging:
Ook het begrip 'vervolging' wordt op autonome wijze geïnterpreteerd. Volgens het Hof is er sprake
van vervolging vanaf het ogenblik waarop de verdachte weet dat hij zich moet verdedigen. Dit is m.n.
van belang voor de beoordeling van het tijdstip waarop de 'redelijke termijn' begint te lopen. Niet
letterlijk interpreteren naar Belgisch recht als ‘instellen van de strafvordering’ (naar
nationaalrechtelijke begrippen) want dan zou het niet van toepassing zijn op het vooronderzoek want
het instellen van de strafvordering doe je voor de rechter (dus slechts de fase ten gronde).
Dit weten dat hij zich moet verdedigen is geen louter subjectieve inschatting van de betrokkene, maar
wordt op objectieve gegevens beoordeeld.
Deze autonome invulling van het begrip 'vervolging' brengt tevens met zich dat een procedure die
naar internrechtelijke maatstaven de fase van de vervolging nog niet heeft bereikt, toch als een
'strafzaak' in de betekenis van art. 6 wordt beschouwd, ook al is er naar intern recht nog geen sprake
van een strafvervolging. Van zodra je weet dat er een onderzoek is tegen jou, dan is er een ingestelde
vervolging (vroeger dan een ingestelde strafvordering). De gegrondheid wil niet zeggen dat we
moeten wachten tot de fase ten gronde, leidt er niet toe dat het vooronderzoek niet onder artikel 6
EVRM valt.
De rechten van de verdediging in de verschillende fasen van de strafinrichting:
Vroeger werd meestal aangenomen dat art. 6 slechts gold tijdens het onderzoek ten gronde, maar
niet tijdens het vooronderzoek. Het tekstargument ter staving van deze stelling is dat het in art. 6
vooropgestelde criterium de 'gegrondheid van een strafvervolging is’. Hierdoor werden procesfasen
andere dan deze waarin over de grond van de zaak wordt uitspraak gedaan, uitgesloten van het
toepassingsgebied van art. 6. In de loop der jaren is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
bepaalde onderdelen van art. 6 gaan toepassen op andere fasen van het onderzoek dan het
onderzoek ter terechtzitting.
3
, Vooronderzoek:
Het onderzoek voor de terechtzitting is in België, zoals in vele Europese landen, inquisitoir: het is
geheim, niet-tegensprekelijk en schriftelijk. Het was zeker niet de bedoeling van de opstellers van het
EVRM art. 6 in zijn geheel toepasselijk te verklaren op het vooronderzoek. De procedure in de meeste
lidstaten van de Raad van Europa zou dan waarschijnlijk onverenigbaar geworden zijn met art. 6. Art.
6 vereist immers dat de procedure in het openbaar en op tegensprekelijke wijze verloopt, terwijl het
inquisitoire vooronderzoek, dat geheim en niet-tegensprekelijk is, per definitie niet aan deze
vereisten voldoet.
Anderzijds kan het ook niet de bedoeling geweest zijn de toepasselijkheid van art. 6 in zijn
algemeenheid af te wijzen: er zijn immers onderdelen van art. 6 waarvan moeilijk kan worden
aangenomen dat zij niet op het vooronderzoek zouden slaan, zoals b.v. art. 6(2) m.b.t. het vermoeden
van onschuld.
Uit de rechtspraak van de Straatsburgse instanties kan worden afgeleid dat de verdachte van bij het
begin van de vervolging drager is van de rechten bepaald door art. 6, maar dat hij deze rechten
slechts kan uitoefenen vanaf het ogenblik waarop het interne recht dit toelaat. Het proces moet in
zijn geheel worden beoordeeld: hoewel de rechten, bepaald door art. 6 niet in alle procesfasen
moeten worden gegarandeerd, kan een bepaald element uit het vooronderzoek de positie van de
verdachte derwijze hebben benadeeld of verzwakt dat de latere procedure ter terechtzitting
daardoor is aangetast, met als gevolg dat van een 'eerlijke' procedure zoals voorgeschreven door art.
6 nog nauwelijks sprake kan zijn.
De toepasselijkheid van art. 6 op onderdelen van het vooronderzoek hangt dus af van het belang van
het betrokken onderdeel voor het hele proces. EHRM kijkt naar eerlijkheid proces in het geheel: er
kan overal iets oneerlijk gebeuren in vooronderzoek of fase ten gronde dat het hele proces
onherroepelijk aantast. Op een bepaald moment kan er niet voldaan zijn als lidstaat aan de
voorwaarden in 6 EVRM, maar niet noodzakelijk een probleem te zijn zolang het maar hersteld wordt
op een later ogenblik (bijv. vooronderzoek is niet openbaar maar later de mogelijkheid om te
lezen, verdedigen, …). Dingen in het vooronderzoek kunnen soms geen probleem vormen voor de
rest van het proces hoewel ze in strijd zijn met artikel 6 EVRM, ook zaken in vooronderzoek die wel
probleem vormen voor de rest van het proces die in strijd zijn met artikel 6 EVRM omdat ze het recht
integraal aantasten (bijv. recht op bijstand van een advocaat).
Het recht op bijstand van een raadsman werd verder ontwikkeld in de zaak Salduz. Daarin
oordeelde het Hof dat de verdachte tijdens de arrestatie door de politie zich in zo'n
kwetsbare toestand bevindt dat hij zich door een raadsman moet kunnen laten bijstaan.
Latere waarborgen, zoals de ondervraging door een magistraat, zijn onvoldoende om het
nadeel weg te werken dat de verdachte tijdens het politieverhoor ondervindt zonder bijstand
van een raadsman. In het arrest Lopata gaf het Europees Hof aan dat bijstand van een
raadsman tijdens het verhoor moet worden toegekend.
In de zaak Vera Fernandez oordeelde het Europees Hof te Straatsburg dat de
onderzoeksrechter zijn onderzoek op een onpartijdige wijze moet verrichten. De waarborg
van een onpartijdige rechter geldt dus niet enkel tijdens de fase ten gronde. Je kan niet
4