III. De Vorderingen Die Uit Het Misdrijf Voortvloeien:
1. De strafvordering:
Algemene beginselen:
Strafvordering en vervolging:
In de brede betekenis verwijst de term strafvordering naar het strafprocesrecht in het algemeen. In
de enge betekenis wordt met strafvordering de vordering tot toepassing van de strafwet bedoeld (art.
1 V..T. Sv.). Dit is de vordering waardoor de zaak voor de strafrechter wordt gebracht met als doel de
bestraffing van de vermoedelijke dader. De term strafvordering verwijst naar de rechtshandelingen
die de vervolgende partij stelt met het oog op de bestraffing van de vermoedelijke dader van een
misdrijf. Dit betreft het aanhangig maken van de zaak bij de rechter, het verdere behandelen van de
zaak voor de rechter (bv. het optreden van de parketmagistraat op de terechtzitting) en het
aanwenden van rechtsmiddelen tegen de beslissingen van de rechter waardoor de vervolgende partij
wordt benadeeld.
Ook de term 'vervolging' geldt dikwijls als synoniem voor strafvordering. Een voor- beeld hiervan is
het begrip 'daden van vervolging' in de rechtspraak over de stuiting van de verjaring van de
strafvordering: hiermee bedoelt men daden waardoor de strafvordering wordt uitgeoefend. Het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens gebruikt deze term echter in een bredere betekenis: van
'vervolging' is volgens het hof al sprake zodra een persoon die verdacht wordt van een misdrijf weet
heeft van deze verdenking, en zich hiertegen wenst te verdedigen, ongeacht de vraag of de
vervolgende partij, technisch gezien, de zaak al aanhangig heeft gemaakt voor de strafrechter. Een
toepassing hiervan is de rechtspraak van het Europees Hof i.v.m. de redelijke termijn in strafzaken:
deze termijn begint vanaf het ogenblik waarop de verdachte weet dat hij zich moet verdedigen tegen
een strafrechtelijke aanklacht, ook al is de strafvordering, formeel beschouwd, nog niet op gang
gebracht.
Strafvordering, burgerlijke vordering en tuchtvordering:
Een feit kan tezelfdertijd een inbreuk op de strafwet en een aquiliaanse fout opleveren: in dat geval
ontstaan uit dit feit twee vorderingen, de strafvordering en de burgerlijke vordering. Het is ook
mogelijk dat hetzelfde feit bovendien een schending van een deontologische gedragsregel inhoudt
(tuchtvergrijp). In dat geval kan uit dit feit naast de strafvordering en de burgerlijke vordering
bovendien een tuchtvordering ontstaan. Deze drie vorderingen kunnen worden gecumuleerd. De
strafvordering onderscheidt zich echter van de burgerlijke vordering en de tuchtvordering.
De strafvordering kan enkel worden uitgeoefend door de ambtenaren die hiermee door de wet zijn
belast (art. 1 V.T. Sv.), d.w.z., in principe, enkel door het openbaar ministerie. Zij beoogt uitsluitend de
toepassing van de strafwet, niet de vergoeding van het slachtoffer. De strafvordering wordt
uitgeoefend namens de gemeenschap, niet namens het slachtoffer.
De burgerlijke vordering daarentegen behoort toe aan het slachtoffer en zijn rechtsopvolgers: zij
beoogt niet de toepassing van de strafwet, maar het herstel van de schade die uit een misdrijf
voortvloeit (art. 3 V.T. Sv.). Zij kan worden uitgeoefend, zowel voor de burgerlijke als voor de
strafgerechten. In principe heeft de strafvordering voorrang op de burgerlijke vordering (art. 4 V.T.
Sv.).
1
, De tuchtvordering beoogt de beteugeling van schendingen van deontologische regels i.v.m. de
uitoefening van bepaalde beroepen. Zij wordt niet voor de strafgerechten, maar voor disciplinaire
rechtscolleges uitgeoefend (bv. raad van de orde van advocaten, van geneesheren, van architecten
enz.). Anders dan voor de burgerlijke vordering heeft de strafvordering in principe geen voorrang op
de tuchtvordering.
Personen die de strafvordering uitoefenen:
Principe:
Art. 1 V.T. Sv. bepaalt: 'De rechtsvordering tot toepassing van de straffen kan niet worden uitgeoefend
dan door de ambtenaren die de wet daarmee belast'. Met deze 'ambtenaren' wordt verwezen naar
de ambtenaren van het openbaar ministerie. Hieruit vloeit voort dat het openbaar ministerie het
monopolie over de strafvordering heeft: noch de politie, noch het slachtoffer, noch de rechter, noch
de minister van Justitie kunnen de strafvordering uitoefenen. Het instellen van de strafvordering is
het brengen van de vordering bij de rechter (onderzoeksrechter of rechter ten gronde) (niet hetzelfde
als uitoefenen strafvordering).
De politie is belast met het opsporen en vaststellen van misdrijven. Over de daadwerkelijke
vervolging van de vermoedelijke daders beslist de politie niet: enkel het openbaar ministerie is
daartoe bevoegd. Dit betekent dat enkel het openbaar ministerie, niet de politie, een zaak aan de
strafrechter kan voorleggen met het oog op bestraffing.
Het slachtoffer oefent de strafvordering niet uit: het beschikt enkel over de burgerlijke vordering, nl.
de rechtsvordering tot herstel van de schade die door het misdrijf is veroorzaakt (art. 3 V.T. Sv.).
Ook de rechter oefent de strafvordering niet uit: hijzelf kan niet 'vervolgen', d.w.z. zich ambtshalve
met een zaak belasten zonder dat deze zaak door het parket bij hem aanhangig werd gemaakt.
De minister van Justitie bepaalt weliswaar het strafrechtelijk beleid (art. 143ter Ger. W.) maar kan zelf
niet vervolgen. Hij kan, op grond van zijn positief injunctierecht het bevel geven vervolgingen in te
stellen. Het eigenlijke vervolgen gebeurt echter door het openbaar ministerie, niet door de minister.
Ambtenaren openbaar ministerie die de strafvordering uitoefenen:
De procureur-generaal bij het Hof van Beroep:
De procureur-generaal oefent de strafvordering uit op het niveau van het ressort. Hij neemt de taak
van openbaar ministerie waar in zaken die, in graad van hoger beroep tegen beslissingen van de
correctionele rechtbank, bij het Hof van Beroep worden aangebracht.
De procureur des Konings:
De territoriale bevoegdheid van de procureur des Konings is het arrondissement. Met toepassing van
art. 138, derde lid Ger. W. kunnen magistraten van het parket van de procureur des Konings ook de
strafvordering uitoefenen bij het hof van beroep en het hof van assisen.
De bevoegdheid van de procureur des Konings is algemeen: hij is bevoegd de straf- vordering uit te
oefenen t.a.v. alle misdrijven (misdaden, wanbedrijven en overtredingen) (art. 22 Sv.). Deze algemene
bevoegdheid geldt voor de procureur des Konings en zijn substituten. Voorbehoud moet echter
worden gemaakt voor sociale misdrijven die tot de bevoegdheid van de arbeidsauditeur behoren.
2
, De federale procureur:
De territoriale bevoegdheid van de federale procureur strekt zich uit over het hele Rijk. De federale
procureur heeft dezelfde bevoegdheden als de procureur des Konings. Het federale parket is echter
slechts subsidiair bevoegd: enkel 'indien de goede rechtsbedeling het vereist' wordt de strafvordering
uitgeoefend door de federale procureur, zo niet blijft de lokale procureur des Konings bevoegd.
Artikel 144ter, quater en quinquies Ger. W. bevatten een limitatieve lijst van misdrijven waarvoor de
federale procureur bevoegd is. Daarnaast gelden twee kwalitatieve criteria: een veiligheidscriterium
en een geografisch criterium. Ook alle misdrijven die samenhangen met deze feiten vallen onder de
bevoegdheid van het federaal parket.
Uitzonderingen:
Uitzonderlijk wordt de strafvordering door de administratie uitgeoefend. Inzake douane en accijnzen
wordt het initiatief tot strafvervolging genomen door het Ministerie van Financiën, niet door het
parket (art. 281 Algemene Wet Douane en Accijnzen). De strafvordering wordt uitgeoefend, hetzij
door de administratie alleen, hetzij gezamenlijk en gelijktijdig door de administratie en het openbaar
ministerie.
Wijze waarop de strafvordering wordt uitgeoefend:
Beleid inzake de strafvordering:
Ten tijde van de opstelling van het Wetboek van Strafvordering gold het principe dat elk misdrijf door
het openbaar ministerie moest worden vervolgd. Dit principe is sinds geruime tijd achterhaald. In de
meeste gevallen brengt het openbaar ministerie de zaak immers niet voor de strafrechter; vaak
beslist het parket te seponeren, d.w.z. niet te vervolgen, in andere gevallen handelt het de zaak zelf af
(minnelijke schikking en bemiddeling, thans verval van de strafvordering door de uitvoering van
maatregelen en de naleving van voorwaarden). Niet alle misdrijven geven dus aanleiding tot
vervolging, ook al is de dader bekend en zijn er voldoende bewijzen om hem voor de strafrechter te
brengen.
In de praktijk moet dus een selectie worden gemaakt tussen de misdrijven die wel, en deze die niet
worden vervolgd. Dit is een beleidskwestie, waarover verschillende instanties, elk op hun niveau,
beslissen. De algemene richtlijnen over het strafrechtelijk beleid worden bepaald door de minister
van Justitie en verder uitgewerkt door het college van procureurs-generaal (art. 143bis, § 2, 1°j.
144quater Ger. W.). De toepassing in de praktijk gebeurt door de procureur des Konings en de
federale procureur.
De minister van Justitie heeft niet het recht zich met concrete dossiers in te laten. Het negatief
injunctierecht wordt radicaal afgewezen in België. De minister beschikt echter wel over een positief
injunctierecht, nl. het recht, in een concreet geval, vervolgingen te bevelen. Van dit recht, wordt in de
praktijk vrijwel geen gebruik gemaakt.
De richtlijnen van de minister van Justitie bepalen de krijtlijnen waarbinnen, in concrete gevallen,
vervolgingen moeten worden ingesteld.
De concrete toepassing van de richtlijnen van de minister gebeurt door de procureur des Konings en
de federale procureur. Deze laatsten moeten, bij de beslissing of in een concrete zaak al dan niet zal
worden vervolgd, rekening houden met de ministeriële richtlijnen over het strafrechtelijk beleid (art.
3
, 28quater Sv.) en hun beslissing motiveren. Deze beslissing moet bovendien aan de benadeelde
worden meegedeeld (art. 5bis, § 3 VTSv.).
Vervolging:
Het instellen van de strafvordering:
Het openbaar ministerie heeft het monopolie van de strafvordering, nl. de vordering tot toepassing
van de strafwet (zie art. 1 V.T. Sv.). De in de strafprocedure cruciale beslissing tot vervolging wordt dus
in principe door het openbaar ministerie genomen (onverminderd het recht van het slachtoffer zich
burgerlijke partij te stellen).
'Vervolgen' betekent het aanhangig maken van de zaak bij de rechter, met het oog op de toepassing
van de strafwet, d.w.z. het instellen van de strafvordering op de wijze door de wet bepaald (art.
28quater Sv.). Wanneer de procureur beslist tot vervolging betekent dit dus dat hij wenst dat de
verdachte wordt gestraft. De instelling van de strafvordering kan worden gedaan: ofwel door een
vordering tot onderzoek, ofwel door een rechtstreekse dagvaarding of een oproeping per proces-
verbaal (art. 216quater Sv.). Daarnaast bestaat nog de mogelijkheid een op heterdaad betrapte
verdachte via de snelrechtprocedure voor de rechter te brengen (art. 216quinquies Sv.).
De vordering tot onderzoek:
De vordering tot onderzoek maakt de zaak aanhangig bij de onderzoeksrechter.
Nu kan de procureur des Konings de zaak aanbrengen bij de onderzoeksrechter, zonder daartoe
echter principieel gehouden te zijn (art. 47 Sv.). Bovendien brengt het vorderen van de
onderzoeksrechter niet meer automatisch de strafvordering op gang: voor bepaalde
onderzoeksdaden kan de procureur via een mini-instructie de onderzoeksrechter vragen enkel een
specifieke onderzoeksdaad te bevelen, zonder dat hij daardoor echter met het onderzoek wordt
belast (art. 28septies Sv.).
Vaak onderzoeken zonder rechter, want opsporingsonderzoek gebeurt onder leiding van Procureur
des Konings: er is dan geen ingestelde strafvordering. Enkel bij het gerechtelijk onderzoek een
strafvordering instellen. Procureur des Konings is soms genoodzaakt gerechtelijk onderzoek te
vorderen bijv. arrestatie en bevel tot aanhouding nodig voor Procureur des Konings, kan niet door
mini-instructie dus aan de onderzoeksrechter vragen. Een vordering voor de onderzoeksrechter om
voor een bepaald feit het onderzoek te voeren: de onderzoeksrechter is gebonden door saisine; enkel
de feiten onderzoeken die bij hem aanhangig zijn gemaakt; hij mag wel onderzoeken en aanzien van
iedereen (geen saisine in personam, wel in rem). Als men iets zou vinden door de onderzoeksrechter
dan moet de onderzoeksrechter dat melden aan de Procureur des Konings, want het is zijn
prerogatief. Dit zijn een van de twee grote manieren voor het instellen van de strafvordering bij
onderzoeksrechter voor gerechtelijk onderzoek.
De rechtstreekse dagvaarding of oproeping bij proces-verbaal (art. 216 quater Sv.):
Door de rechtstreekse dagvaarding wordt de zaak rechtstreeks voor het vonnisgerecht gebracht (art.
145 en 182 Sv.). Deze werkwijze wordt gevolgd wanneer het vooronderzoek bij wijze van eenvoudig
opsporingsonderzoek werd gevoerd.
4