EXECUTIERECHT (DEEL I)
DEEL I. BRONNEN EN BASISBEGRIPPEN ...................................................................... 3
1. Overzicht deelgebieden ........................................................................................ 3
1.1. Zekerheidsrecht............................................................................................. 3
1.1.1. Concept.................................................................................................. 3
a) Wet vs. Overeenkomst............................................................................ 3
b) Zakelijk vs. Persoonlijk ............................................................................ 3
1.1.2. Bronnen .................................................................................................. 4
1.2. Executierecht ................................................................................................ 4
1.2.1. Concept.................................................................................................. 4
1.2.2. Bronnen .................................................................................................. 4
1.3. Insolventierecht............................................................................................. 4
1.3.1. Concept.................................................................................................. 4
a) Commercieel vs. niet-commercieel insolventieprocedure ....................... 5
b) Liquidatie vs. Herstel procedures............................................................ 5
c) Gemeenrechtelijk vs. Sectoraal .............................................................. 6
1.3.2. Bronnen .................................................................................................. 6
2. Begrippen van belang voor het toepassingsgebied ................................................. 6
2.1. Ondernemingsbegrip ..................................................................................... 6
2.1.1. Natuurlijk persoon zelfstandig beroepsactiviteit ....................................... 8
a) Bestuurders – onderneming .................................................................... 8
2.1.2. Rechtspersoon...................................................................................... 13
2.1.3. Organisatie zonder rechtspersoonlijkheid .............................................. 13
2.1.4. Toepassing ............................................................................................ 14
3. Enkele basisconcepten ...................................................................................... 15
3.1. Schuldeiser - schuldenaar ........................................................................... 15
3.2. Enkele modaliteiten van verbintenissen ........................................................ 15
3.3. Vermogen .................................................................................................... 16
3.3.1. Vermogen als verhaalsobject ................................................................. 17
1
, 3.3.2. Vermogen als verhaalsobject: afwijkingen .............................................. 18
a) Oneigenlijke/schijnbare afwijkingen ...................................................... 18
b) Niet-integrale verhaalsaansprakelijkheid .............................................. 19
c) Beperkingen op het dynamisch karakter van het vermogen .................... 19
d) Beperkingen op de uniciteit/ eenheid van het vermogen ........................ 21
3.4. Het vermogen en de samenloop ................................................................... 22
3.5. Bevoegde rechtbank .................................................................................... 23
3.5.1. Ondernemingsrechtbank ....................................................................... 23
3.5.2. Arbeidsrechtbank .................................................................................. 24
3.5.3. Beslagrechter ........................................................................................ 24
3.5.4. Bevoegdheidsafbakening en bevoegdheidsconflicten ............................. 24
2
, DEEL I. BRONNEN EN BASISBEGRIPPEN
1. Overzicht deelgebieden
Onderling zeer nauw verweven (je kunt het ene deelgebied niet begrijpen zonder de
andere), maar niet geïntegreerd: drie deelgebieden hebben elk eigen toepassingsgebied
en bronnen
Insolventierecht, zekerheidsrecht en executierecht zijn nauw met elkaar verbonden:
houden verband met de nakoming van verbintenissen door een schuldenaar
Raakpunten andere disciplines: verbintenissenrecht, arbeidsrecht, sociale
zekerheidsrecht…
Dit vak bouwt voort op kennis bacheloropleiding
1.1. Zekerheidsrecht
1.1.1. Concept
Zekerheden = waarborgmechanismen = technieken die de nakoming van
verbintenissen door SA garanderen of minstens de kans dat de verbintenissen worden
nagekomen verhogen
- Verbintenis = iets waar iemand toe gehouden is
a) Wet vs. Overeenkomst
Zekerheidsmechanismen uit de wet = voorrechten
- Deze krijgt u automatisch, de wet kent het toe
- Vb algemene voorrecht fiscus, algemene recht van de werknemer…
Zekerheidsmechanismen uit overeenkomst = pand (onroerend goed), hypotheek
(roerend goed), borgtocht
- U krijgt ze maar op het ogenblik dat u daar met uw SA een overeenkomst over
sluit (niet automatisch)
b) Zakelijk vs. Persoonlijk
Persoonlijke zekerheden: mogelijkheid om tot voldoening van de schuld uit te wijken
naar een ander vermogen dan dat van de SA (vermogen van een ander persoon)
- Borgtocht (borgstelling)
Zakelijke zekerheden: waarborg voor SE (nakoming verbintenissen) vloeit voort uit de
bijzondere positie die de zekerheid verleent tav bepaalde activa van de SA (begunstigde
wordt in geval van samenloop met andere SE bij voorrang betaald uit de opbrengst van
de verkoop van het goed waar de zekerheid op slaat)
3
, - Pand, hypotheek
1.1.2. Bronnen
Hypotheekwet (i.p.v. 2092 e.v. oud BW): hypotheken en voorrechten
Borgtocht (2011 e.v. oud BW -> Boek 9, Titel 1 BW (geldig vanaf 1/1/2026 = te kennen
voor deze cursus)): persoonlijke zekerheden
Pand (Pandwet 11/07/2013 i.p.v. 2071 e.v. oud BW): pand, aantal zakelijke
zekerheidsmechanismen voortvloeiend uit overeenkomst (de wet organiseert wat u in
uw overeenkomst kunt bedingen, maar zonder overeenkomst hebt u geen pand)
*bedoeling om hypotheekwet en pandwet op termijn ook onder te brengen in Boek 9 BW
WFZ wet financiële zekerheden (15/12/2004): geeft aan de houder van zekerheids-
mechanismen op financiële activa een zeer sterke activa (staat los van BW)
- bv pand op bankrekening, pand op pakket aandelen die op een rekening staan
Specifieke wetgeving (Bijv. Wb. Invordering fiscale schulden, 13/04/2019)
1.2. Executierecht
1.2.1. Concept
Executierecht = het recht van de gedwongen tenuitvoerlegging = gedwongen uitvoering
van verbintenissen wnr SA in gebreke blijft om dit vrijwillig te doen
- Beroep doen op de macht van de OH: rechtbank, gerechtsdeurwaarder
*Interactie executierecht en zekerheidsrecht: begunstigde zekerheidsrecht heeft een
recht, maar kan daar niets mee doen, wnr SA verbintenissen niet vrijwillig nakomt = SE
moet beroep doen op mechanismen van executierecht om zijn rechten tot uitvoering te
brengen
- bv pandbeslag door onbetaalde verhuurder
- bv beslag onder derden: beslag op iemands loon/uitkering en vervolgens dat
bedrag groeperen en uitdelen aan SE (volgens de regels zekerheidsrecht)
1.2.2. Bronnen
Gerechtelijk Wetboek (artikelen 1386 – 1675 Ger.W)
1.3. Insolventierecht
1.3.1. Concept
Insolventierecht = het recht van degene die niet kunnen betalen, situatie waarin SA al
dan niet definitief verbintenissen tot het betalen van een geldsom niet meer kan
nakomen en aldus insolvent of insolvabel is geworden
°Napoleon le Code de Commerce (insolventierecht voor ondernemingen)
Doelstelling:
4