Onderscheid tussen economy en economics
Economy = het economische gebeuren
Economics = de economische wetenschap (de studie erover).
Wat is economie?
Er bestaan verschillende definities, die telkens een ander aspect belichten:
1. Schaarste en keuzes
De behoeften voor goederen en diensten zijn onbeperkt.
De beschikbare middelen (grondstoffen, arbeid, kapitaal) zijn beperkt.
Gevolg: Schaarsteprobleem, daarom moeten middelen zo efficiënt mogelijk ingezet worden →
keuzeprobleem.
2. Vanuit een positieve-wetenschappelijke invalshoek: economie beschrijft en verklaart keuzes,
acties en interacties.
o In deze invalshoek bekijkt de economie hoe mensen keuzes maken en hoe deze
keuzes samen het economische systeem vormen.
3. Vanuit een normatieve invalshoek: economie beoordeelt economische uitkomsten en
onderzoekt hoe keuzes en coördinatie de welvaart kunnen verbeteren.
o In deze invalshoek oordeelt en aanbeveelt de economie over wat er zou moeten
gebeuren.
De positieve wetenschap van de keuze
Positieve wetenschap betekent: beschrijven en verklaren wat er gebeurt, zonder oordeel
Economen spreken niet over mensen, maar over ‘economische agenten’:
Personen en instellingen die beslissingen nemen over economische activiteiten.
o Gezinnen → leveren arbeid en consumeren goederen/diensten.
o Ondernemingen → produceren goederen/diensten en vragen arbeid.
o Financiële instellingen → zorgen voor de geldstromen
De interactie tussen gezinnen, ondernemingen, en financiële instellingen kunnen we voorstellen in
een economische kringloop.
Twee soorten stromen
Reële stroom: Alles wat tastbaar is: arbeid, goederen en diensten.
Geldstroom: Arbeidsinkomen en consumptie-uitgaven.
Arbeidsmarkt: Gezinnen leveren arbeid →
ondernemingen gebruiken dit om te
produceren en betalen lonen voor de arbeid.
Outputmarkten (goederen- en
dienstenmarkt)
Ondernemingen leveren G&D → gezinnen
kopen deze. Gezinnen betalen met
consumptie-uitgaven.
Financiële markten: Geldstromen lopen via banken en financiële instellingen
1
,Rationele keuze als basis van het gedragsmodel
Centraal idee: economische agenten maken keuzes op basis van hun voorkeuren én hun
beperkingen (budget, tijd, middelen).
Kenmerken van het gedragsmodel
Economische wetenschap gaat uit van rationele en maximaliserende agenten:
o Consumenten → streven naar nutsmaximalisatie
o Bedrijven → streven naar winstmaximalisatie.
o De agent (‘homo economicus’) maakt een rationele keuze door:
de beste keuze uit de mogelijke keuzes (bepaald door beperkingen)
volgens eigen voorkeuren te kiezen
Vier belangrijke principes van rationeel keuzegedrag:
Principe 1: Mensen moeten keuzes maken (trade-offs)
Kiezen is verliezen: kiezen voor X Þ verlies van Y
Voorbeeld: Tijd besteden aan studeren betekent minder tijd voor ontspanning.
Principe 2: Mensen denken in opportuniteitskosten
De echte kost van een keuze = de waarde van het beste alternatief dat je opgeeft.
OPPORTUNITEITSKOST = de waarde van de verloren best mogelijke alternatief van de middelen
Principe 3: Mensen denken in de marge
Een rationale beslissing veronderstelt dat een actie alleen zal ondernomen worden als de
marginale opbrengsten de marginale kosten overstijgen (MO ≥ MK).
Voorbeeld: Extra diploma behalen? → enkel als de extra voordelen > kosten van tijd en geld.
Principe 4: Mensen reageren op prikkels
Mensen maken keuzes door kosten en baten af te wegen → prikkels sturen hun beslissingen.
Vb: Hogere accijnzen → minder consumptie van alcohol/tabak.
Gedrag is niet willekeurig, maar reageert op veranderingen in de omgeving.
De normatieve wetenschap van evaluatie en beleid
Naast keuzes bestuderen, gaat het hier ook om:
o Evalueren: is de uitkomst goed of wenselijk?
o Beleidsadvies: hoe kunnen we de situatie verbeteren?
Voor evaluatie en bijsturing moeten we weten wat ‘goed’, ‘beter’ en ‘best’ is
Voor evaluatie en bijsturing zijn waarde-oordelen nodig
Waardeoordeel: Van essentieel belang, te veel, te weinig, moeten, …
Minimale voorwaarde: het Pareto-principe: een verandering is een verbetering als minstens
één persoon er beter van wordt, zonder dat iemand anders er slechter van wordt.
Positieve vs. normatieve analyse
Positieve analyse Normatieve analyse
Beschrijven en verklaren. Beoordelen of een situatie wenselijk is.
Neutraal: “Wat ís de situatie?” Voorstellen doen
Voorbeeld: onderzoek toont dat een belasting voorbeeld: de overheid zou de accijnzen op
op sigaretten de consumptie doet dalen. sigaretten moeten verhogen om de gezondheid
te verbeteren.
2
, Hoofdstuk 3: Vraag en aanbod
De “markt” is het geheel van vraag en aanbod van een bepaald product.
Marktvormen
Marktvormen worden bepaald door twee karakteristieken:
Karakteristiek 1: Aantal concurrenten Karakteristiek 2: Aard van het product
Eén aanbieder: monopolie Homogeen: de producten van verschillende
Twee aanbieders: duopolie aanbieders worden door consumenten als
Enkele aanbieders: oligopolie identiek ervaren.
Zeer veel aanbieders: concurrentie o VB: melk, bezine, water
Het aantal concurrenten wordt bepaald door Heterogeen: de producten van verschillende
toetredingsbelemmeringen aanbieders worden door consumenten als
verschillend ervaren.
o Bijvoorbeeld: kledij, telefoon
De ideale markt vereist drie zaken:
Vragers en aanbieders hebben geen marktmacht.
G&D zijn privaat zonder externaliteiten.
Vragers en aanbieders hebben dezelfde informatie over G&D.
Kenmerken van een competitieve markt:
Veel vragers en aanbieders (markatomisme)
o Er zijn veel aanbieders dat elke producent afzonderlijk te klein is om de prijs te
beïnvloeden → prijsnemer: ze moeten de marktprijs aanvaarden.
Er wordt een homogeen G&D aangeboden
o Omdat er geen verschil is in product, kijkt de consument enkel naar de prijs.
Voorbeelden
Perfect competitieve markt: Niet-competitieve markt:
Melkmarkt in Europa → melk van de Belgische telecommarkt → Oligopolie
ene boer is hetzelfde als van een ander. Elke aanbieder is groot genoeg om zelf
Boer → prijsnemer de prijs te beïnvloeden → prijszetters
De vraag als uitdrukking van bereidheid tot betalen
Uitgangspunt: consumenten kiezen een pakket goederen zodanig dat ze een zo groot
mogelijke nut bereiken, gegeven een beperkt budget.
Vraagfunctie
Beschrijft het verband tussen de prijs (p) en de gevraagde hoeveelheid (q).
Toont ook de maximale betalingsbereidheid en de reservatieprijs/kritische prijs: de hoogste
prijs die een consument bereid is te betalen.
Deze bereidheid verschilt per consument, afhankelijk van voorkeuren, inkomen en nut.
Wet van de vraag:
Als de prijs stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid.
Als de prijs daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid.
Consumentensurplus (CS)
= Het voordeel dat een consument krijgt, omdat hij minder heeft betaald dan zijn kritische prijs.
Individueel CS: Reservatieprijs - marktprijs.
Totaal CS: som van alle individuele CS in de markt.
Totale betalingsbereidheid: alles wat consumenten samen maximaal willen betalen
de volledige oppervlakte onder de vraagcurve TOT de verkochte Q
3
, 4