II. De bronnen en gevolgen van verbintenissen:
1. De verbintenis door eenzijdige wilsuiting:
Wat is een rechtshandeling?
De definitie in art. 1.3 BW zegt dat het een wilsuiting is waarbij 1 of meer personen de bedoeling
hebben om rechtsgevolgen te doen ontstaan. Bij een rechtshandeling worden juridische gevolgen
beoogd.
Je hebt een meerzijdige rechtshandeling: overeenkomst (art. 5.4 BW). Een verbintenis en een
contract zijn geen synoniemen. Een contract is een bron van verbintenissen. Contract en
overeenkomst zijn wel synoniemen.
Je hebt een eenzijdige rechtshandeling: wilsuiting gaat uit van 1 persoon (art. 5.125 BW).
Voorbeelden: het aanbod, de betaling, de ingebrekestelling, de belofte om een prijs uit te
reiken… Kan een verbintenis ontstaan door een eenzijdige rechtshandeling?
Kan een eenzijdige wilsuiting/rechtshandeling een bron van verbintenissen zijn?
Het Hof van Cassatie erkent verbintenis door eenzijdige wilsuiting als bron van verbintenissen, dus
art. 1370 oud BW dat enkel verwijst naar de overeenkomst, onrechtmatige daad, wet en quasi-
contracten, is niet limitatief.
Thans bepaalt art. 5.3 BW ‘Bronnen van verbintenissen’: verbintenissen ontstaan uit een
rechtshandeling, uit een oneigenlijk contract, uit de buitencontractuele aansprakelijkheid of uit de
wet. Een rechtshandeling kan meerzijdig of eenzijdig zijn. De wetgever maakt geen onderscheid in
art. 5.3BW en erkent hier uitdrukkelijk dat een eenzijdige rechtshandeling een bron van
verbintenissen is.
Wat is de essentie? Eén persoon uit de wil om zich te verbinden. Die wil moet met zekerheid
vaststaan. Er zijn geen bijzondere rechtsregels, er zijn weinig specifieke regels voor voorzien. Er is een
toepassing van art. 5.25 BW (voorheen: art. 1108 oud BW) voor de geldigheidsvereisten. De wil moet
vaststaan, voldoen aan de geldigheidsvereisten, één persoon moet de wil uiten om zich te verbinden.
De gemeenrechtelijke interpretatieregels zijn van toepassing. De eenzijdige wilsuiting heeft bindende
kracht! Een eenzijdige rechtshandeling heeft dus bindende kracht, is juridisch bindend. Bijvoorbeeld:
in een winkel een trui met prijskaartje €100, één persoon heeft dan zijn wil duidelijk geuit en dit is
juridisch bindend.
Bijvoorbeeld: beslissing ministerraad tot oprichting van een stichting die elk nog levend
softenon slachtoffer een forfaitair bedrag zou toekennen. Brussel 22/2/2018: verbintenis
door eenzijdige wilsuiting (aanbod). Arrest hof van beroep te Brussel: softenon was een
geneesmiddel voor zwangere vrouwen tegen ochtendmisselijkheid, het werd op grote schaal
voorgeschreven door gynaecologen. Helaas is komen vast te staan dat door het gebruik van
softenon, heel veel baby’s met een handicap werden geboren. Dit is geen makkelijke zaak
want werd door verschillende producenten op de markt gebracht. Er werd aan de overheid
gevraagd om een oplossing uit te werken. Dit werd besproken in de ministerraad en die
besliste dat er een fonds zou komen dat aan elk levend softenon-slachtoffer een bedrag werd
toegekend (dit is om te vermijden dat aansprakelijkheidsprocedures gestart zouden worden
tegen alle verschillende producenten). De tijd verstreek en het fonds werd niet opgericht. De
1
, slachtoffers zijn een zaak begonnen tegen de Belgische staat omdat aan hen een belofte is
gedaan om een fonds op te richten door de ministerraad, dit is niet vrijblijvend.
Is alles was beslist wordt binnen de ministerraad juridisch bindend? De ministerraad gaat in
de fout, door de beslissing in de minsterraad voor het oprichten van het fonds, heeft de
overheid een verbintenis gedaan door een eenzijdige wilsuiting.
Wat is de sanctie? Het bevel tot uitvoering in natura of vervangende schadevergoeding?
Bijvoorbeeld: als ik mijn huis gelegen te… te koop stel voor een bepaalde prijs dan is dat juridisch
bindend. Als ik het wil kopen en ineens bedenkt de koper zich, dan kan ik naar de rechter gaan en dan
kan de rechter veroordelen tot uitvoering in natura of vervangende schadevergoeding.
Dit wordt geregeld in art. 5.125 en 5.126 BW. Het aanbod is een belangrijk voorbeeld van de
verbintenis door eenzijdige wilsuiting.
2. De schijn- of vertrouwensleer:
Ratio legis:
Men gaat dezelfde juridische gevolgen hechten aan een schijntoestand dan aan een werkelijke
toestand, omdat diegene die vertrouwde op de schijn, bescherming verdient. Dit is niet geregeld in
het oud BW, maar er zijn wel aantal toepassingen. Het is deels geregeld in Boek 1 BW, maar niet in
Boek 5 BW. Kan een schijn die in het leven wordt geroepen, een bron van verbintenissen zijn?
Principearrest Cass. 20 juni 1988 m.b.t. schijnbare lastgeving, maar niet als algemeen
rechtsbeginsel geformuleerd. Er was een dame werkzaam in een bedrijf, ze was bediende, de
dame in kwestie bestelde tijdens de werkuren voor een aanzienlijk bedrag vliegtuigtickets en
ze plaatste de bestelling op het briefpapier van de werkgever. Ze bestelde het bij het
reisbureau en het reisbureau krijgt de fax binnen, de vliegtuigtickets worden verstuurd, maar
de vliegtuigtickets worden niet betaald. Het reisbureau spreekt de werkgever van de vrouw
aan, maar de vrouw is ontslagen. Het reisbureau dacht dat de tickets besteld waren in naam
van en voor rekening van het werk, gezien de omstandigheden. De werkgever zegt dat hij
daar niets mee te maken had, wast zijn handen in onschuld. De vrouw blijkt insolvabel te zijn.
De vrouw had de bestelling ondertekend op de fax, maar wel op het briefpapier van de
werkgever.
Op contractuele basis kan de werkgever niet aangesproken worden want er is geen
contractuele relatie tussen werkgever en reisbureau. Dus enkel buitencontractuele
aansprakelijkheid: maar het is moeilijk om de fout van de werkgever te bewijzen. Het is niet
makkelijk om een juridische grond aan te reiken die dit verantwoord.
Is de schijn/de vertrouwensleer een bron van verbintenissen? Is de gecreëerde schijn door de
vrouw genoeg om een bron van verbintenissen te zijn?
Het Hof van Cassatie zegt dat er sprake is van een schijnbare lastgeving (handelen in naam en
voor rekening van een ander persoon), de vrouw moest helemaal niet in naam en voor
rekening van de werkgever tickets bestellen. De vrouw gecreëerde een schijn alsof het leek
waardoor ze voor de werkgever tickets moest bestellen.
Toepassingsvoorwaarden:
1. Er moet een schijntoestand zijn die niet overeenstemt met de werkelijkheid, de zogenaamde
schijnbare vertegenwoordigingsbevoegdheid. Dit vergt een in concreto beoordeling. Er moet
2
, sprake zijn van een schijntoestand. Voorbeelden: schijnlasthebber maakt gebruik van logo,
briefpapier, bestelbonnen… van de schijnlastgever. De vrouw heeft door haar handelswijze
een schijn gecreëerd bij het reisbureau dat ze in naam en voor rekening van de werkgever
tickets moest bestellen.
2. Toerekenbaarheidsvereiste: de schijntoestand is toerekenbaar aan diegene die de gevolgen
ervan moet ondergaan. Dit vereiste is vooropgesteld in Cass. 20 januari 2000. Dit vereist niet
per definitie een fout. Dit vereist allemaal beoordelingen in concreto.
Diegene die gebonden wordt door de schijn, moet uit vrije wil, door zijn gedrag, ertoe
bijgedragen hebben de schijn te wekken of te laten voortbestaan. Wat is de ratio? De
billijkheid.
Bijvoorbeeld: die schijntoestand die gecreëerd zijn moet toerekenbaar zijn aan de
werkgever, er moet geen fout zijn van de werkgever. De vrouw had blijkbaar de
mogelijkheid om deze dingen te doen tijdens de werkuren zonder enige controle. De
schijn moet toerekenbaar zijn, zonder dat het een fout vereist.
Bijvoorbeeld: wanneer een bank toelaat dat een zelfstandig bankagent zijn
activiteiten organiseert in een lokaal dat een bankfiliaal leek, heeft de bank de schijn
gecreëerd dat deze agent haar vertegenwoordigde bij het uitoefenen van financiële
verrichtingen. De bank mag dat toelaten, maar de bank draagt ertoe bij dat er een
schijn wordt gecreëerd.
3. De derde die op de schijntoestand vertrouwde, is ter goeder trouw. De derde wist niet en
behoorde niet te weten dat de schijntoestand niet de werkelijke toestand was. De derde
heeft een normale onderzoeksplicht, die in redelijkheid wordt beoordeeld.
Er moet sprake zijn van de goede trouw in hoofde van de derde die voortgaat op de
schijntoestand. Het reisbureau moet te goeder trouw zijn, het moet bewijzen dat het
daadwerkelijk dacht dat het een bestelling was in hoofde van de werkgever. Er geldt een
redelijke onderzoeksplicht.
Als die drie voorwaarden vervuld zijn, kan de schijnvertegenwoordiging uitwerking krijgen.
Wat zegt de wetgever?
Wat zegt de wetgever? De schijnleer is niet als zodanig erkend in Boek 5 BW als bron van
verbintenissen. Artikel 5.3 BW bepaalt namelijk de bronnen van verbintenissen: verbintenissen
ontstaan uit een rechtshandeling, uit een oneigenlijk contract, uit de buitencontractuele
aansprakelijkheid of uit de wet.
Memorie van Toelichting: Ondanks de wens van de rechtsleer, heeft het Hof van Cassatie de knoop
nog niet doorgehakt… Het blijft dus moeilijk de afbakening te bepalen. Het Hof van Cassatie heeft
nergens gezegd dat de schijn-of de vertrouwensleer een bron van verbintenissen is als algemeen
rechtsbeginsel. Het gaat steeds over de specifieke schijnlastgeving/schijnvertegenwoordiging. Het Hof
van Cassatie heeft er nooit voor gekozen om in specifieke bewoordingen de schijn- of de
vertrouwensleer als bron van verbintenissen te benoemen. De wetgever wil nog verder wachten op
het verdere oordeel van het HvC. De wetgever laat de deur op een kier staan. De schijn- of
3
, vertrouwensleer staat niet vermeld als bron van verbintenissen, de wetgever kon daar de knoop
doorhakken maar heeft het niet gedaan.
Maar er is erkenning van de schijnvertegenwoordiging. Zie art. 1.8 § 5 BW: de vertegenwoordigde is
eveneens gebonden ten aanzien van de derde met wie de vertegenwoordiger heeft gehandeld,
wanneer de derde rechtmatig mocht vertrouwen op de schijn van bevoegdheid die de
vertegenwoordigde uit vrije wil heeft doen ontstaan of laten voortbestaan, zelfs zonder fout van de
vertegenwoordigde. De Memorie van Toelichting: bevestiging van de cassatierechtspraak en de
geschetste voorwaarden.
Wat zijn nu eigenlijk de bronnen van verbintenissen? De bronnen van verbintenissen staan
opgesomd in artikel 5.3 BW, maar de cassatierechtspraak van de schijnvertegenwoordiging
heeft verankering gekregen in boek 1 en dat geldt dus ook voor verbintenissenrecht. Er is dus
een samenlezing van artikel 5.3 BW en artikel 1.8 BW.
Is de schijn- en vertrouwensleer een bron van verbintenissen? Toekomst zal uitwijzen of het
een ruimere toepassing zal krijgen of niet. Is de schijnvertegenwoordiging een bron van
verbintenissen? Staat dus niet in 5.3, maar 1.8 erkent het wel als een bron van
verbintenissen.
3. De overeenkomst: definitie en soorten:
Definitie overeenkomst:
Volgens art. 1101 oud BW: een of meer personen die zich jegens elkaar verbinden om iets te geven,
te doen of niet te doen.
Volgens de rechtsleer: een meerzijdige rechtshandeling gebaseerd op wilsovereenstemming tussen
partijen, waarbij 1 of meer personen jegens 1 of meer anderen, al dan niet over een weer juridische
afdwingbare verbintenissen aangaan.
Volgens art. 5.4 BW ‘Definitie van het contract’: een contract, of overeenkomst, is een
wilsovereenstemming tussen twee of meer personen met de bedoeling rechtsgevolgen te doen
ontstaan.
Overeenkomst en contract zijn synoniemen. In casu dus een meerzijdige rechtshandeling. Een
contract betekent dat de regels van de contractuele aansprakelijkheid van toepassing zijn.
Basisregels:
De overeenkomst bindt de partijen tot wet (voorheen: art. 1134, lid 1 oud BW). Thans: Art. 5.69 BW
‘Beginsel van de overeenkomst-wet’: een contract dat geldig tot stand is gekomen, strekt degenen die
het hebben gesloten tot wet.
De rechter moet de bindende kracht van de overeenkomst respecteren. Hij mag de bindende kracht
niet schenden door een uitleg te geven aan de overeenkomst die onverenigbaar is met de inhoud
ervan. De rechter is gebonden door de inhoud van het contract. De rechter zal vaak moeten gaan
interpreteren volgens interpretatieregels (omdat er discussie bestaat tussen de partijen), maar dat is
niet er iets anders in lezen dan dat er staat.
4