SCHOOL EN
MAATSCHAPPIJ
Emma Pintelon
[DATUM]
[BEDRIJFSNAAM]
[Bedrijfsadres]
,Horizontale Pijlers (deel 1)
Ook nog een diagonale pijler = de juridische basis
1. Macroniveau & decretale basis
Onderwijsregelgeving bevindt zich vooral op het macroniveau
→ dit betekent: de grote structuren en wetten die het onderwijs sturen.
Deze regelgeving is decretaal
→ gebaseerd op wetgeving (juridische basis).
Het bepaalt het referentiekader waarbinnen scholen, leerkrachten en
leerlingen functioneren.
,2. Vrijheid van onderwijs (centrale pijler)
De belangrijkste horizontale pijler is de vrijheid van onderwijs.
Dit is een grondwettelijk recht in België (al sinds het ontstaan van de staat).
Deze vrijheid bestaat uit 3 deelcomponenten:
1. Vrijheid van inrichting
Scholen mogen zelf bepalen hoe ze hun onderwijs organiseren
Voorbeelden:
o Lesroosters opstellen
o Lestijden aanpassen
o Organisatie van de schooldag
2. Pedagogische vrijheid
Scholen mogen zelf kiezen:
o Hoe ze lesgeven
o Welke pedagogische aanpak
o Welke leerkrachten ze aanstellen
Voorbeelden:
o Keuze van leerkrachten
o Co-teaching invoeren
3. Vrije schoolkeuze
Ouders hebben het recht om zelf een school te kiezen voor hun kind
Dit betekent:
o Geen verplichte toewijzing (in principe)
o Discussies ontstaan wanneer men dit wil beperken (bv. dichter bij
huis)
2.1 . Wie mag een school oprichten? (De Inrichtende Macht)
In Vlaanderen mag zowel de overheid als een privépersoon of een vereniging een
school starten.
Natuurlijke persoon: Jij als individu.
Rechtspersoon: Een vzw, een kerkgenootschap of een stichting.
De partij die de school opricht en beheert, noemen we de Inrichtende Macht (IM)
of het schoolbestuur. Zij bepalen de visie van de school, nemen het personeel
aan en zijn verantwoordelijk voor de infrastructuur.
, 2.2 De rol van de Overheid: Neutraal en Verplicht
Hoewel anderen scholen mogen oprichten, heeft de overheid (de Vlaamse
Gemeenschap) een inrichtingsplicht. Zij móét zelf onderwijs aanbieden (het
officieel onderwijs) zodat elke ouder een neutrale keuze heeft.
Neutraliteit: In overheidsscholen worden de religieuze of filosofische
overtuigingen van de ouders gerespecteerd.
Keuzevrijheid: Ouders moeten in het officieel onderwijs altijd kunnen
kiezen tussen lessen in een van de erkende godsdiensten of niet-
confessionele zedenleer.
2.3. De "Deal": Subsidies in ruil voor Controle
Dit is een cruciale punt voor het ontstaan van nieuwe schoolvormen. Een school
oprichten mag altijd, maar een school financieren is duur.
Vrijheid: Je mag een school oprichten met een heel eigen methode
(bijvoorbeeld enkel buitenles of focus op kunst).
De Voorwaarde: Wil je dat de overheid de leraren betaalt en
werkingsmiddelen geeft (subsidiëring)? Dan moet je voldoen aan de
erkenningsvoorwaarden.
Controle: De overheid stuurt de inspectie langs. Zij controleren niet hoe je
lesgeeft (vrijheid van methode), maar wel of je de eindtermen haalt en of
de gebouwen veilig zijn.
2.4. Wat is het schoolbestuur (IM)?
Het is de juridische entiteit die verantwoordelijk is voor de school.
De Werkgever: Als leerkracht ben je niet in dienst van "de overheid" of "de
directeur", maar in dienst van het schoolbestuur. Zij tekenen je contract.
De Verantwoordelijke: Zij zijn aansprakelijk voor alles: van de veiligheid
van de gebouwen tot de kwaliteit van het onderwijs.
2.4.1 De trend: Schaalvergroting
Vroeger had elk klein dorp een eigen schoolbestuur (vaak de lokale pastoor of
een groepje ouders) voor één enkel schooltje. Vandaag zie je een sterke
beweging naar grotere besturen.
Efficiëntie: Eén groot bestuur kan voor 10 scholen tegelijk de
boekhouding doen, gebouwen renoveren en personeelszaken regelen. Dit
is goedkoper en professioneler.