HET AXIAAL SKELET
Inleiding
Functies:
- Absorberen en overdragen van krachten
- Functionele bewegingen
- Bescherming anatomische structuren
- …
De wervelkolom
- Cervicaal
o Hoog cervicaal: C0 – C2
o Mid cervicaal: C2 – C5
o Laag cervicaal: C5 – C7
- Cervicothoracale overgang (CTO): C6 –
T4
- Thoracaal
o Hoog thoracaal: T1 – T4
o Mid thoracaal: T4 – T8
o Laag thoracaal: T8 – T12
- Thoracolumbale overgang (TLO): T11 –
L2
- Lumbaal: L1 – L5
- Lumbosacrale overgang (LSO): L5 – S1
- Scapulothoracaal systeem
o Artt. costovertebrales T1 – T9
o Artt. costotransversales T1 –
T9
o Artt. intervertebralis C4 – T9
- Lumbopelvische regio /
lumbopelvisch-heupcomplex
o Lumbosacrale artt.
intervertebralis
o Art. sacro-iliaca & symphysis pubis
o Art. coxae
,Het segment
Bestaat uit: bovenliggende wervel, discus intervertebralis,
onderliggende wervel en alle omliggende ligamentaire
structuren
DE WERVEL
DE DISCUS INTERVERTEBRALIS
Bestaat uit: nucleus pulposus, annulus fibrosus en vertebrale eindplaat
Nucleus pulposus:
- Gelachtige kern: bevat 70-90% water, proteoglycanen, collageen type II,
elastische vezels en andere proteïnen
- Functie: schokken absorberen en drukkrachten verdelen doorheen
verschillende segmenten (kern zelf is niet comprimeerbaar, maar geeft
druktoename door aan perifeer gelegen elastische annulus fibrosus)
Annulus fibrosus:
- Vezelachtige ring: bevat zelfde samenstelling, maar in totaal andere
verhoudingen: minder water en 3-4x meer collageen
- Opgebouwd uit 10-20 concentrische lagen die geschranst in een hoek van
65° met de verticale liggen, meer naar centraal toe liggen de vezels
horizontaler efficiënt opvangen van compressie-, tractie-, torsie- en
translatiekrachten uit alle richtingen
Vertebrale eindplaat:
- Dunne laag kraakbeen craniaal en caudaal van elke corpus vertebrae
- Verbindt collageenvezels van annulus fibrosus met corpus vertebrae
, Axiale druk op caudale eindplaat
van craniale corpus vertebrae: druk
op nucleus pulposus nucleus
pulposus zet uit naar periferie
vezelspanning annulus fibrosus
neemt toe stabiele situatie en
drukken worden doorgegeven naar
craniale eindplaat van caudale corpus vertebrae
Flexie, extensie, lateroflexie: vezels van annulus fibrosus komen onder spanning
aan convexe zijde van de buiging en verliezen spanning aan concave zijde van de
buiging, nucleus pulposus zal altijd de neiging hebben om te migreren in de
richting van de convexe zijde van de buiging
Axiale rotatie: vezels in lamellen van annulus fibrosus georiënteerd in de richting
van de rotatie zullen op rek komen en meer horizontaal komen te liggen, vezels
in lamellen van annulus fibrosus georiënteerd tegen de richting van de rotatie
zullen spanning verliezen en meer verticaal komen te liggen
Beweeglijkheid van een segment is afhankelijk van de relatieve discushoogte:
verhouding tussen hoogte discus vertebrae en hoogte corpus vertebrae, hoe
groter de verhouding, hoe meer beweeglijkheid (thoracaal: 5 mm, 1/5 < lumbaal:
9 mm, 1/3 < cervicaal: 3 mm, 2/5)
HET CAPSULO-LIGAMENTAIR SYSTEEM
Lig. interarcualia/lig. flavum: tussen 2
opeenvolgende wervels, groot elastisch vermogen
ter bescherming van ruggenmerg
Lig. longitudinale anterior: lange band over
ventrale zijde corpus, verweven met ventrale aspect
discus intervertebralis
Lig. longitudinale posterior: lange band over
dorsale zijde corpus, verweven met dorsale aspect
discus intervertebralis, beschermt ruggenmerg
tegen hernia
Lig. interspinale, lig. supraspinale en lig. nuchae (C7-occiput)