Inhoudsindex
Week 1: oorsprong gehechtheidstheorie
VDH24 H1 & H2 Trap van pedagogische ondersteuning
Gehechtheidstheorie
3 grondleggers: Blatz (Security Theory,
secure base), Bowlby (Evolutionair systeem,
fasen), Ainsworth (SSP, sensitiviteit)
IWM
DUS24-H1 Ethologisch-evolutionaire
gehechtheidstheorie (psychoanalyse,
leertheorie, cognitieve wetenschap en
ethologie) Bowlby
Impact van scheiding
VDH & VDV-08 Veranderende opvattingen in ziekenhuizen
Geleidelijk proces en voorlopers
Week 2: gehechtheid en sensitiviteit
VDH24-H4 Universaliteit (De 4 kernhypothesen:
universaliteit, normativiteit, sensitiviteit,
competentie) en interculturele kritiek
VDH24-H7 Psychiatrische problematiek & EPA
Mentaliseren en INCAS
MES21 Cultuur & Opvoeding (Ethnotheorieën,
zorgsystemen, universele functie vs. unieke
vorm, Berry's acculturatiemodel)
MAD24 Meta-analyse sensitiviteit (Verband tussen
sensitiviteit en hechting bij moeders en
vaders, effectgroottes
MES16 Moederideaal wereldwijd: de
convergentiehypothese; universeel
verlangen naar een sensitieve moeder,
beïnvloed door SES
Week 3: nieuwe opvattingen over
gehechtheid
VDH24-H3 Lost in Translation: Kloof tussen
wetenschap en praktijk/ vakgebied
VDH24-H9 Paradox in de Jeugdhulpverlening
Constructverwarring
DUS24-H3 Individuele verschillen in Infant
Attachment
SSP
DUS24-H9 Gedesorganiseerde hechting & verder
ontwikkeling
MAD23 Meta-analyse 20.000 SSP's
HAM22 Hechtingsclassificaties in de
Jeugdbescherming
Week 4: ouderschap onder druk, adviseren
,VDH24-H5 Het Huildebat: psychologische kaders
LUI20 Slaap bij jonge kinderen
Aanpak: gedragsmatig of
gehechtheidstheorie
LUI24 Onzekerheid en ondersteuning
Wat is normaal?
LUI&RO25 Supporting families in the first 1,000 days
Ouder blaming
MOL19 Infant crying & calming response: smart crib
vs. ouderlijke soothing
HB-methode
LUI20 Kritiek op smart crib-studie
Moeder = machine ≠ sensitief
KU22 Transport Response: leg-probleem
Mechanisch en timen
RHEI22 Huid-op-huidcontact (SSC) bij voldragen
baby's > niet sign. effect
Week 5: hechting over de levensloop
VDH24-H10 Hechting in alle eenvoud + stijlen
DUS24-H5 Adult Attachment Interview (AAI)
Representaties
DUS24-H6 Hechting in Romantische Relaties en Religie
ECR-schaal, security priming
BAK24 Mapping de AAI (Meta-analyse
Patronen
,Week 1: De oorsprong van de gehechtheidstheorie: van idee naar impact
Van der Horst et al. (2024) H1: Inleiding en basis [VDH24-H1]
• Kernidee: Een evenwicht vinden tussen verbondenheid en autonomie is cruciaal voor de
gezonde sociaal-emotionele ontwikkeling, intieme relaties en emotieregulatie.
• Kernbegrippen uit de kindertijd:
o Eenkennigheidsfase (eind 1e jaar): Gerichtheid op één vaste verzorger; social
referencing (vraagkijken) > leren sociale situaties inschatten.
o Veilige basis & haven: Ouder biedt een veilige basis om te verkennen en leren
en een veilige haven voor steun bij spanning.
o Intern werkmodel: Geïnternaliseerde vroege ervaringen die verwachtingen
over anderen en het eigen zelfbeeld bepalen > mentale blauwdruk
o Dyadische regulatie: Emoties reguleren gebeurt in interactie met de ander;
vormt de basis voor latere emotieregulatie in relaties (gehechtheidstheorie)
• Trap van pedagogische ondersteuning (Timmers-Huigens, 2004):
1. Normaliseren & informeren: bij opvoedingsonzekerheid (binnen
eigen netwerk).
2. Adviseren & ondersteunen: bij opvoedingsspanning (lichte hulp
buiten netwerk, bijv. JGZ).
3. Intensieve hulp: bij opvoedingscrisis (specialistische
pedagogische hulp; ouders voelen onmacht).
4. Complexe zorg: bij opvoedingsnood (top-
klinisch/jeugdzorg/psychiatrie, vaak buiten de regio).
Van der Horst et al. (2024) H2: Geschiedenis gehechtheidstheorie [VDH24-H2]
Drie Sleutelfiguren:
1. William Blatz (Security Theory):
• Ontwikkeling verloopt: afhankelijke security (vertrouwen in
ouder) → indepedent security (zelfvertrouwen door
vaardigheden) → dependent security (steun bij anderen als
volwassene).
o Introduceerde het idee van de ouder als veilige basis (secure base)
en het verlangen naar verandering als motor voor leren (behoeften
moeten steeds opnieuw vervuld worden → dit stimuleert leren en
ontwikkeling)
2. John Bowlby (Evolutionaire & Ethologische basis):
• Gehechtheid is een aangeboren overlevingssysteem (gehechtheidssysteem) dat
geactiveerd wordt bij stress/dreiging.
• Verwierp het idee dat hechting puur door voeding ontstaat (geïnspireerd door
Harlow’s resusapen: emotionele nabijheid en warmte winnen).
• Ontwikkelingsfasen: 0-2 mnd (geen onderscheid tussen personen) → 2-6 mnd
(enkele vaste verzorgers) → 6 mnd-4 jr (echte hechtingsrelatie/scheidingsangst)
→ vanaf 4 jr (goal-corrected partnership/ wederkerigheid).
3. Mary Ainsworth (Empirische operationalisering):
• Ontwikkelde de Strange Situation Procedure (SSP) en bracht empirisch bewijs voor
Bowlby's theorie.
, • Sensitiviteit: Het vermogen van de ouder om signalen op te merken, juist te
interpreteren en hier tijdig en passend op te reageren (essentieel voor co-regulatie
en veilige hechting).
Intern werkmodel (Bowlby) = Een mentaal schema met verwachtingen over:
o Beschikbaarheid van de hechtingsfiguur
o Het eigen gevoel van waarde.
• Ontwikkeling:
o Eerste versie rond 1 jaar.
o Wordt verder verfijnd in de kinderjaren.
• Betekenis:
o Bepaalt hoe kinderen (en later volwassenen) relaties aangaan.
o Niet vaststaand: kan veranderen door nieuwe, positieve ervaringen.
De gehechtheidstheorie verklaart hoe en waarom kinderen een band met hun
ouders/verzorgers aangaan, en hoe verstoring van deze band vooral in de vroege kindertijd
blijvende gevolgen kan hebben voor de psychische en sociale ontwikkeling (blauwdruk)
Gehechtheidscategorieën (SSP Wereldwijd) [MAD23]
• Veilig (51,6%): Gebruikt ouder als veilige basis; zoekt troost bij hereniging.
• Vermijdend (14,7%): Onderdrukt stress, vermijdt nabijheid bij hereniging.
• Ambivalent/Resistent (10,2%): Hevig overstuur, moeilijk te troosten, klampt zich vast én
is boos.
• Gedesorganiseerd (23,5%): Tegenstrijdig/verward gedrag (bevriezen, wegkijken); vaak
gelinkt aan beangstigend ouderlijk gedrag (frightened/frightening).
Duschinsky et al. (2024) H1: Ethologisch-evolutionaire gehechtheidstheorie (Bowlby)
[DUS24-H1]
John Bowlby’s theorie is een synthese van vier bronnen:
1. Psychoanalyse (Freud)
• Sterk: Belang van vroege familierelaties en innerlijke belevingswereld;
introduceerde developmental pathways (ontwikkeling is een pad dat bijgestuurd kan
worden).
• Kritiek / Bowlby's bezwaar: Te weinig empirisch/toetsbaar; te veel focus op fantasie i.p.v.
werkelijke ervaringen.
2. Leertheorie (o.a. Bandura)
• Sterk: Belang van werkelijke ervaringen, feedback en modelleren.
• Kritiek / Bowlby's bezwaar: Ging ten onrechte uit van onbeperkte maakbaarheid en zag
gehechtheid als secundair aan voeding. Bowlby stelde dat gehechtheid een
primair evolutionair systeem is.
3. Cognitieve wetenschap
• Sterk: Mensen vormen duurzame mentale modellen (interne werkmodellen) van
vertrouwen, intimiteit en zelfbeeld die verwachtingen sturen.
• Kritiek / Bowlby's bezwaar: Te weinig oog voor de kindertijd als basis en voor onbewuste
emoties/afweermechanismen.
4. Evolutionaire biologie & Ethologie (Lorenz, Hinde)