Hoofdstuk 1 Kostprijsberekening
1 Kostensoorten
1.1 Investeringen versus kosten
Investeringen op vlak van:
Productie (machines, magazijn…)
Verkoop (winkelruimte, verkoopkantoor…)
Algemeen beheer (bureau, kantoorinfrastructuur…)
Voorbeelden bedrijfskosten
Groep 60 Aankopen grondstoffen en handelsgoederen
Groep 61 Diensten en diverse goederen
Groep 62 Bezoldigen, sociale lasten en pensioenen
Groep 63 Afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen voor risico’s en kosten
Groep 64 Andere bedrijfskosten
1.2 Constante en variabele kosten
Constante kosten: veranderen niet op korte termijn
Variabele kosten: wijzigen mee met geproduceerde hoeveelheid
1.3 Directe en indirecte kosten
Directe kosten: rechtstreeks toe te wijzen aan kostendrager
Directe materiaalkosten
Directe arbeidskosten
Indirecte kosten: niet mogelijk om aan kostendrager toe te wijzen
Indirecte productiekosten
1.4 Werkelijke en gebudgetteerde kosten
Werkelijke kosten: kosten die effectief hebben plaatsgevonden
Gebudgetteerde kosten: geschatte toekomstige kosten
2 Principe van kostenallocatie
Directe kosten → kostendragers = goed of dienst waarvoor kost gemaakt wordt
Indirecte kosten (overheadkosten) → kostenplaatsen (= specifieke locatie of activiteit
binnen bedrijf waar bepaalde kost is ontstaan) → verdeelsleutel → kostendragers
Vb. verdeelsleutels: gewerkte uren, machine-uren, oppervlakte, aandeel t.o.v. omzet,…
Organogram geeft kostenplaatsen weer
3 Analyse van de kostprijs
3.1 Integrale kostprijsberekening
METHODE 1: eenvoudige integrale kostprijsberekening zonder
kostenverdeelplaatsen
Ondernemingen met beperkt aantal kostensoorten
Directe kosten → toewijzen aan → kost per kostendrager → bereken → kostprijs
per eenheid
Indirecte kosten → via verdeelsleutel toewijzen → kost per kostendrager →
bereken → kostprijs per eenheid
METHODE 2: integrale kostprijsberekening met kostenverdeelstaat