Dit is de stof van HC4 (28 september), OdG H6 en Marsh & Furlong, omgezet naar wat je op de
toets moet kunnen opschrijven. Gebruik dezelfde antwoordformule als bij week 1–3: definitie, bij
wie of welke stroming, toepassing, kernwoorden.
1. Ontologie en epistemologie: de basis (HC4)
Kernboodschap: elke wetenschapsopvatting rust op aannames over wat er bestaat (ontologie)
en hoe je dat kunt kennen (epistemologie). Een wetenschapper moet zich daarvan bewust zijn en
bewust kiezen.
Moet je kunnen: foundationalisme en constructivisme onderscheiden; uitleggen wat “a skin, not
a sweater” betekent; het voorbeeld van Vygotsky en Luria gebruiken.
Twee vragen, geen vaste antwoorden
1. Ontologisch: wat bestaat er in de wereld?
2. Epistemologisch: hoe kunnen we daar kennis over krijgen?
Er zijn geen logisch noodzakelijke antwoorden, wel verschillende posities. De twee hangen altijd
samen.
Foundationalisme vs constructivisme
Foundationalisme Constructivisme
(essentialisme) (antifoundationalisme)
Wereld Bestaat objectief, los van de Niet los te zien van de waarnemer
waarnemer
Objecten Hebben vaste, kenbare Kennis hangt af van begrippen en
eigenschappen perspectieven
Begint bij Ontologie: eerst wat er is, dan hoe Epistemologie: eerst hoe kennis
je het kent ontstaat, dan wat er is
Voorbeeld Man/vrouw als natuurlijke Man/vrouw als sociale constructie;
categorieën; intelligentie als echt intelligentie = wat de IQ-test
vermogen meet
Scepticisme: er is geen dwingende reden om alles wat we denken te weten automatisch voor
waar te houden.
ODG Week 4 · pagina 1 van 7
, A skin, not a sweater (Marsh & Furlong)
Ontologie en epistemologie zijn een huid, geen trui. Je kunt ze niet per onderzoek aan- en
uittrekken. Ze bepalen altijd wat je onderzoekt, welke methode je kiest en welke status je aan je
resultaten geeft, ook als je ze niet uitspreekt.
Kennis is contextafhankelijk: Vygotsky en Luria
Jaren ’30, Oezbekistan. Syllogisme: “Alle beren in het noorden zijn wit. Nova Zembla ligt in het
noorden. Welke kleur heeft een beer daar?”
Antwoord: “Ik ben er nooit geweest, dus ik weet het niet.”
De respondent redeneert vanuit eigen ervaring, niet vanuit abstracte premissen. Conclusie:
cognitieve strategieën zijn contextafhankelijk.
2. Hoe nemen we de wereld waar? (HC4)
Kernboodschap: we zien de wereld niet zoals ze is. Waarneming wordt gevormd door zintuigen,
hersenen en aangeleerde categorieën.
Positie Wie Kern
Empirisme Hume, Locke Alle kennis komt via de zintuigen.
Primaire kwaliteiten (vorm,
substantie, beweging) zitten in
het object; secundaire
kwaliteiten (kleur, smaak) geeft
de waarnemer eraan
Rationalisme Kant Kennis komt via de rede. We
ordenen waarneming met
aanschouwingsvormen (tijd,
ruimte, causaliteit). We kennen de
wereld alleen zoals ze aan ons
verschijnt
Waarnemingspsychologie James-Lange Waarneming = zintuigen +
hersenen, gelaagd van onbewust
naar bewust; bewuste
gewaarwording volgt op
verwerking. Hogere categorieën
zijn aan te leren (vogelaar,
schaker)
3. Drie wetenschapsopvattingen: positivisme,
interpretativisme, realisme (HC4 + Marsh)
Kernboodschap: de keuze tussen deze drie is geen oppervlakkige methodekeuze. Elke positie
bevat aannames over wat de sociale werkelijkheid is, welke kennis mogelijk is en wat een goede
verklaring is.
Moet je kunnen: per positie de ontologie, epistemologie, doel en methode noemen; per positie
de bezwaren geven; het voorbeeld globalisering toepassen.
ODG Week 4 · pagina 2 van 7