V. De verplichte pensioenverzekering:
2 categorieën van pensioenen:
Rustpensioenen: pensioenen vanaf pensioengerechtigde leeftijd om te rusten
Overleveringspensioen: pensioen aan echtgenoot van werknemer, zelfstandige of
ambtenaar als die komt te overlijden. Als je een bepaalde leeftijd hebt dan krijg je een
uitkering voor het verlies van de kostwinner. Als je die leeftijd nog niet hebt bereikt dan
met overgangsmaatregelen.
Zijn er andere pensioenverzekering dan verplichte pensioenverzekering? De aanvullende pensioenen
(daar gaan we niet op in) want het is geen echte component van de sociale zekerheid, maar wel
wettelijke omkadering. Er zijn ondernemingspensioenen waarbij je werkgever met je loonpakket
pensioenen gaat opbouwen. Of derdepijlerpensioenen waarbij je gaat sparen op je eigen rekening
voor een extra pensioen (pensioensparen).
1. Schets van de historische ontwikkeling:
Dit houdt verband met het professioneel categoriaal karakter van de sociale verzekeringen. Bij de
gezinsbijslagen is het verdwenen en volksverzekering geworden. Hier heeft elke beroepscategorie een
andere beroepsverzekering maar dus ook een andere historische ontwikkeling en andere wetgeving
per beroepsgroep. We focussen op de gemeenschappelijke zaken en de belangrijke verschillen
worden toegelicht.
Ambtenaren:
Rijksambtenaren:
Net zoals bij de gezinsbijslagen bijzonder (waar de werkgevers toeslagen toekenden aan de
werknemers). Voor ziektekosten en werkloosheid ontstaan ze uit de sociale strijd. Een oorsprong bij
de ambtenaren: de oudste pensioenverzekering komt uit de ambtenaren. Rijksambtenaren de eerste
met verplichte pensioenverzekering. Rijksambtenaren eerste beroepscategorie met wettelijk
ingerichte pensioenverzekering.
Ambtenaren met een bekwaamheid en goede verloning, maar toch te weinig om te sparen. Als ze
met pensioen waren dan vielen ze terug op niks omdat er geen spaargeld was. Ze hadden een goed
leven tot het einde van de dienst en daarna armoede. Bescheiden wedde bood geen garantie tegen
behoeftigheid na einde ambtsuitoefening.
De staat moet blijven zorgen voor de trouwe dienaren ook na het einde van het ambt. Er was een
theorie van het uitgestelde loon: een wedde, maar men verdiende meer dan men werkelijk kreeg wat
men kreeg na het einde van het ambt zodat de Staat bleef zorgen. Verder onderhoud voorzien door
de Staat voor de trouwe dienaren. Staat verantwoordelijk geacht voor verder levensonderhoud
dienaren.
1
, 21 juli 1844: Wet burgerlijke en kerkelijke pensioenen:
Het werd in een wet gegoten. In België betaalt de Staat de pensioenen van de dienaren van de Kerk.
- Voorziet ouderdomspensioen voor vast benoemde rijksambtenaren met leeftijd 65 jaar en 30
jaar dienst, berekend op grond van gemiddelde wedde laatste 5 dienstjaren, met maximum ¾
referentiewedde of plafondbedrag. Hier komt al een getal van 65 jaar als pensioenleeftijd als
ze dertig jaar dienst hadden. Het pensioen werd berekend op basis van het gemiddelde
wedde van de laatste 5 dienjaren. Gunstig want je loon stijgt met je anciënniteit en je laatste
5 jaren zijn de best vergoede dienstjaren. Er is een hoog weddebedrag waarop je het
pensioen gaat berekenen. MAAR plafond van maximum ¾ van het wedde van het gemiddeld
wedde van de 5 jaar dan kan worden gegeven.
- Voorziet overlevingspensioen weduwe ambtenaar, mits bijdragebetaling. Als de ambtenaar
komt de sterven dan kon de overlevende een uitkering krijgen om het verlies aan inkomsten
te denken. Het enige type van pensioen waar de ambtenaren bijdragen moeten betalen. Niet
bij ouderdomspensioen want dat was een uitgesteld loon dat de Staat zou betalen.
Hier al dualiteit tussen ouderdomspensioen en overlevingspensioen.
Regeling rijksambtenaren nadien model voor wettelijke pensioenregeling andere categorieën
ambtenaren: lokale besturen (1933), organismen openbaar nut (1958), … Deze regeling model voor
alle andere statuten in de ambtenarij. Het ambtenarenstatuut van de Rijksambtenaren is waar alles
vertrekt.
Sinds 1950:
Afstemming voorwaarden ter toekenning en uitbetaling ouderdomspensioenen ambtenaren op
regeling werknemers (stopzetting activiteit).
In jaren 50 een evolutie van het ambtenarenpensioen dat meer zal afgestemd worden op het
werknemerspensioen. Het blijven aparte regeling, maar ze evolueren naar een geharmoniseerde
regeling hoewel het verschillende wettelijke regelingen blijven.
Werknemers:
Eerste helft 19e eeuw:
“Voorzorgskassen” ingericht door werkgevers grote industrieën bieden occasioneel mogelijkheid tot
opbouw ouderdomsrente; weinig succes wegens te laag inkomen arbeiders voor bijdragebetaling,
lage levensverwachting,…
Voor de werknemers terug naar de 19 de eeuw waar de werkgevers initiatief nemen om iets te
voorzien op vlak van bescherming tegen ouderdom: voorzorgkassen. Deze kassen hadden ten doel de
werknemers zoveel mogelijk te binden aan de fabriek waar ze werken. Het komt uit Frankrijk naar
België en in de grote industriële sectoren zoals mijnbouw met een grote schaal worden kassen
georganiseerd. Een kas die de werkgever organiseert waar je een stuk van je loon kan afgeven waar
voordelen worden opgebouwd en dat de werkgever zal bijhouden bijv. bescherming voor ziekte of
ongeval (in concurrentie met de bijstandskassen) MAAR vooral op vlak van ouderdom waarbij je rente
opbouwt en als je te oud bent dan renterekening. MAAR je gaat sparen met je eigen gelden op je
eigen rekening. Het had weinig succes want de levensverwachting was laag (ongeveer 40 jaar) en de
2
, lonen waren laag waardoor je niets kon missen om af te staan. De combinatie maakt dat weinig
arbeiders willen sparen voor hun ouderdom.
1850: oprichting van de Algemene Lijfrentekas:
Doel: spaarzin en particuliere eigendom arbeidersklasse bevorderen, radicalisering emancipatiestrijd
arbeidersklasse temperen. Sommige betere verloonde werknemers deden wel mee met de
initiatieven. De Belgische staat wil het initiatief een duw in de rug geven: oprichting Algemene
Lijfrentekas. Een staatsinrichting om de spaarzin van de arbeiders aan te scherpen door te sparen
voor de oude dag te stimuleren. Dit initiatief was vooral gericht de arbeiders te disciplineren en het
verzet te kunnen beknotten. Als de arbeiders door te sparen met eigen geld deel worden van een
economisch systeem, dan zullen ze dat systeem niet omver werpen aangezien het hun eigen geld is.
Functie: verlenen staatswaarborg ter uitbetaling ouderdomsrenten opgebouwd via voorzorgskassen
of bij Algemene Lijfrentekas. De staatskas zou waarborgen verlenen aan de voorzorgkassen die
ouderdomsrente opbouwen van de werknemers. De voorzorgskassen als er geld was, was
ongeregeld. Het ergste wat er kon gebeuren is dat de pensioengerechtigden met recht op de rente
geen geld hadden omdat de werkgever voor iets anders had gebruikt of de onderneming failliet. De
Algemene Lijfrentekas zou garant staan voor de uitbetaling van de prestaties die opgebouwd zijn voor
de voorzorgkas om de financiële vrees weg te nemen. Je kon je ook bij de Algemene Lijfrentekas een
spaarboekje opbouwen.
1865: omvorming kas tot Algemene Spaar- en Lijfrentekas. In 1865 wordt de kas omgevormd. Je kan
er ook gewoon spaarrekening bij openen wat voor de boekhouding interessant is omdat er meer
financiële slagkracht is. Deze instelling zal mee België bepalen.
1900: Wet Arbeiderspensioenen:
Voorziet subsidie voor personen die rente vestigen; groeiend succes regeling, maar uiterst beperkte
stortingen en onbeduidende rente.
Er komt een wet arbeiderspensioenen die overheidssubsidie zal toekennen voor de personen die
rente vestigen. Stimuleren voor het opbouwen van rente door het subsidiëren. Men zal bijleggen als
men de rente opneemt. Stabiliseren en stimuleren. Veel mensen zetten de stap bij de algemene kas,
maar het is beperkte rente en beperkte stortingen omdat er te weinig loon is te sparen.
1911: Wet houdende invoering verplichte pensioensverzekering voor mijnwerkers:
Experiment ter toetsing verzekeringstechniek. Als ze echt de arbeidersklasse wil doen sparen voor de
oude dag, dan zal je moeten verplichten. Ze willen wel maar ze hebben te weinig geld. Door verplicht
te stellen iedereen aan boord en een evenwicht tussen inkomsten en uitgaven. Het begint met een
experiment in de mijnbouwsector aangezien het een bloeiende industrie en daar voor het eerst een
verplichte verzekering. Het werkt en de eerste verplichte pensioenverzekering voor de mijnwerkers.
1924: Wet ter invoering verplichte pensioensverzekering voor handarbeiders:
Opstap naar de veralgemeende pensioenverzekering voor de hele arbeidersbevolking in heel België.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen arbeiders en bedienden: ze worden anders behandeld.
Arbeiders zijn gevaarlijk en hebben het moeilijk. Bedienden hebben hogere functies.
Richt verplichte verzekering in voor arbeiders met beperkt jaarloon, met blijvende mogelijkheid tot
vrijwillige verzekering voor arbeiders met hoger jaarloon. De wet heeft een verplichte verzekering in
3