+ normaal, niet-pathologisch verouderen
H1: Methodologie van het groeionderzoek
1.1 Situering
● Ontwikkelings-kinesiologie (vroeger zo genoemd dit vak)
o Kinantropologie = studie van menselijke soort
o Bestudeert verklaring van verschillen tussen mensen
▪ Genetische verschillen (gentica, etnische verschillen)
▪ Omgevingsverschillen (adaptie)
● Leeftijdspiramide
o Grootste deel van de cursus gaat over het onderste deel van de piramide (<20)
o Duidelijke verouderingscurve
● Groei bestuderen
o Heel lang in een ontwikkelingsfase
o Iedereen individueel groeiproces
o Belangrijk bevolkingsgroep
● Veroudering bestuderen
o Belangrijke bevolkingsgroep → vergrijzing
o Gezonde levensjaren
o Rol van FA en gezonde levensstijl
● Wetenschapsdomein
o Focus op variabiliteit, niet enkel op wetmatigheden
o Niet experimenteel
● Evalolutie van de levensverwachting bij de geboorte per
geslacht (1885-2020)
o Vrouwen leven gemiddeld langer leven dan mannen.
1.2. Terminologie: groei-maturatie-ontwikkeling
● GROEI (iets wat toeneemt in meter, volume, gewicht)
o Proces tot stand komt o.i.v. 3 elementen
▪ Celvermenigvuldiging (mitosis)
▪ (cel)volumetoename (hypertrofie)
▪ Toename van interstitieel weefsel/vocht volume
kwantitatieve gegevens (parameters)
- Groeisnelheid
- Piek groeisnelheid
- Versnelling
● Hangt ook af van weefsel, zenuwcellen groeien niet even snel dan huidsellen. Net zoals spierweefsel
vs vetweefsel
1
, ● MATURATIE
o Prenataal
▪ Celdifferentiatie
▪ 1 bevruchte eicel differentieert → cellenverzameling van 3 kiembladen
▪ Alle stappen die nodig zijn om van een bevruchte eicel tot werkbare
weefsels/systemen te bekomen die een mens maakt.
o Postnataal
▪ Hoeveel weg is er afgelegd naar volwassenheid
35% X 65%
▪ Timing: tijdstip mijlpaal (bv: leeftijd van menarche, je kan eicellen vormen)
▪ Tempo: tijd tussen mijlpalen (bv: tussen leeftijd menarche en leeftijd volwassen
gestalte
▪ Moeilijker te kwantificeren → meer kwalitatieve gegevens
▪ Maturiteit = status
o Maturatie = proces
kwalitatieve gegevens
o Bij jongens 2-20 jaar = 1-5 jaar is early childhood en 5-11 jaar (start groeispurt) is middle
childhood, daarna komt de adolescentiespurt.
• GROEI & MATURATIE:
- Hangen altijd samen
- Tijdstip maximale groei = timing aspect van maturatie
- Groeischijf bot verdwijnt = einde skeletale maturatie zorgt voor einde van de lengtegroei
(groeischrijven zijn dicht, dan einde lengtegroei)
- Specifieke pathologieën kunnen invloed hebben op groei, maar niet op maturatie of
omgekeerd (vb. Achondroplasie, dwerggroei
• ONTWIKKELING
o Omvattend begrip
▪ Groeiproces
▪ Maturatieproces
▪ Leerproces/evolutie initiatie
▪ Ervaringen
▪ Leren door omgeving
● Vb. motorische ontwikkeling: leren stappen
● Vb. emotionele ontwikkeling: perceptuele,
motorische ontwikkeling
Kinderen met overgewicht worden vaak anders bekeken dan normale/gemiddeld gewicht. Kinderen worden
ook uit de lessen gepikt door hun motorische handelingen.
Perceived competence = het gevoel van jezelf dat je ergens goed in bent. Hoe competent voel je je daar zelf
in?
2
, lOMoARcPSD|8560023
1.3. Bronnen van variatie
● Omgeving
o Micro-macro = afstand van omgevingsfactoren tov jezelf
o Prenataal: intra-uterine omgeving (omgeving waar je 9 maanden in zit), medicatie,
rookgedrag
o Postnataal: gezin, school, SES, indicatoren van welvaart
o Bio-culturele aspecten → specifieker op ingaan
● Genen
o Bestudering via moleculaire biologische varianten
o Studies van families, tweelingen, adoptiegezinnen
● Gen-omgevingsinteractie/COV
o Sensitiviteit op omgevingsinvloeden afh. van genotype, interactie tussen omgeving en
genetisch voorbestemdheid
o Bestudering via interventiestudies bij monozygote tweelingen (zelfde DNA), afhankelijk
van genotype hoe je reageert op training
1.4. Soorten groeionderzoek
Mogelijke effecten: (die we willen minimaliseren) Kennen: welke soort info we eruit krijgen, de voor- en nadelen, …
Vb. gestalte op tijdstip t (GESt) = cm
- Groei-effect (= som groeieffecten in gestalte die je meet)
- Cohort-effect (= groepseffecten met bepaalde gelijkaardige
geschiedenis) vb: kinderen van hetzelfde geboortejaar
- Meettijdstip effecten (= procedure en onderzoeker
effecten) vb: 1x meten of meermaals, groot of klein effect?
Zelfde moment meten op de dag
- Test-effecten (= proefpersoon afhankelijk, motivatie) vb:
bend arm hang wat is motivatie
1. Transversaal/cross-sectioneel
= eenmalige meting van representatieve steekproef
- Doel: uitspraak over populatie, op korte tijd veel informatie
verzamelen
- Eisen: grote steekproef (variatie), zowel M en J
- Info: normeringen, percentielschalen opstellen (N>>100 als
je op betrouwbare manier percentielwaardes wilt bekijken)
- Voordeel: korte periode (vb 1jaar) veel gegevens vb: BLOSO
paramer
- Nadeel: vermenging van cohorteffecten (kinderen van verschillende cohorten) en
groeieffecten, beperkte mogelijkheid om proces te beschrijven
GESt = GROEI + COHORT + MEETTIJDSTIP+ TEST+ FOUTEN
3
, lOMoARcPSD|8560023
→ geen meettijdstipeffecten hier, want maar 1 tijdstip gemeten. Er spelen altijd testeffecten en meetfouten
mee. Als je een volledige Belgische bevolking gaat vergelijken, heb je heel andere cohorten.
→ beperkte mogelijkheden om proces te beschrijven
- onderschatting van groeispurtsnelheden op basis van gemiddelde incrementen
2. Longitudinaal
= representatieve steekproef uit één geboortecohort*, meermaals gemeten op
regelmatige tijdstippen (= interval)
- Doel:
o Procesinformatie (individueel groeiproces info) →groeisnelheidsreferentiewaarden
o Groeisnelheidscurve ziet er anders uit bij een crossectioneel onderzoek dan een
longitudinaal onderzoek
o Tracking en kanalisatie
• Tracking: behoud van relatieve positie in de groep gedurende de tijd, hoge
interleeftijdscorrelaties (zwakkere blijven zwak bij handgrijpkracht) → willen
we doen bij talentscreening!!
• Kanalisatie: blijft iemand groeien in eenzelfde kanaal? Beiden hoog → hoge
voorspellingswaarden. Wanner je wisselt van verschillende kanalen is het
dekanalisatie
- Voordeel: uitgebreide info (proces, predictie)
- Nadeel: methodologische nadeel (vermenging groei), drop out, praktische problemen, geen last
van cohorteffecten want onderzoek naar 1 leeftijdsgroep, mogelijk wel meeteffecten
(minimaliseren door standardisatie) en testeffecten (minimaliseren door goede informering van
pp, zo juist mogelijk het werkelijk effect meten) output na enkele jaren pas
GESt = GROEI + COHORT + MEETTIJDSTIP + FEST + FOUTEN
→ drop out = te verwachten, mag niet te groot, mag niet selectief zijn (uitval van minder fitte individuen)
→ meettechnieken bij aanvang van studie kunnen achterhaald zijn bij follow-up metingen
3. Gemengd longitudinaal
= meting meerdere geboortecohorten (crossectioneel) op meerdere tijdstippen
(longitudinaal), minstens 1 overlapleeftijd, eindleeftijd van de ene groep overlapt
met beginleeftijd van de volgende groep
- Tanner: longitudinaal onderzoek waarin drop outs worden
vervangen door nieuwe individuen
- Schaie/Van ’t Hof: verschillende geboortecohorten op meerdere
tijdstippen onderzoeken (met overlap)
- Voordeel: efficiënter (veel kortere tijdsperiode meer info)
- Nadeel: groeieffecten gelden enkel voor longitudinale
gemeten leeftijdstukken Vb. 6-10j, 10-14j, 14-18j
o Cohorteffecten kunnen enkel voor de
overlapeffecten achterhaald worden (10j, 14j)
4