Samenvatting theorie voeding
Hoofdstuk 1: voedingsgewoonten
2. Biologische determinanten
o het lichaam geeft signalen bij honger of verzadiging
o deze signalen vertrekken uit:
de bloedbaan:
Laag bloedglucosegehalte = ontstaan van hongergevoel
Bloedglucose daal na ongeveer 4 uur
Tussentijds wordt glucosegehalte op peil gehouden door glycogeenvoorraad in de lever.
Glucagon in de lever zorgt voor omzetting van glycogeen naar glucose
de maag geef hoger en verzadigingsgevoel:
Hongergevoel wordt gestimuleerd door:
Zien, ruiken en proeven van voedsel
Verzadigingsgevoel wordt ervaren door een volle maag
Vezels, vetten en eiwitten remmen de maagontlediging
Hormonen
• Gherline vooral geproduceerd in de maag = stimuleert hongergevoel
Gherlinespiegel
• stijgt wanneer er niet wordt gegeten
• daalt na een maaltijd
Cholecystokinine(CKK) geproduceerd in de darm
• Vet stimuleert de afgifte van CKK
• Remt de maaglediging en de eetlust
Incretines (GLP-1) geproduceerd darm en lever
• Stimuleren de insulinesecretie en remmen de glucagonproductie
• Hierdoor daling van de glucose
• GLP remt de maaglediging
Hormoon peptide YY (PYY) geproduceerd in laatste deel van de darm
= verzadigingshormoon
Leptine: geproduceerd in het vetweefsel
• Tegengestelde van gherline
• = verzadigingshormoon
-> signalen gaan naar de hersenen – hypothalamus
-> resultaat: hongergevoel of eten/ verzadigingsgevoel en stoppen met eten
internaliteit: interne signalen (hierboven)
externaliteit: externe signalen (klok, andere mensen,…)
o maag zet zich uit als, we honger hebben begint maag te krimpen, als we vol zitten rekt maag uit
3. Bijkomende determinanten
Waarom we eten wat we eten is:
• slechts 50% fysiologisch bepaald
,• andere 50%: economisch, fysisch, sociaal, psychologisch, attitude
o Economisch:
- kostprijs
- inkomen
- beschikbaarheid
o Fysisch:
-bereikbaarheid en opvoeding
o Sociaal:
- cultuur
- familie
- eetpatroon
- omgeving
o Psychologisch:
- stemming
- stress
- schuldgevoelens
o Attitude:
- eigen vaardigheden en kennis
Het Gedragswiel
Waarom we eten heeft met het gedrag te maken:
Competenties:
= De kennis en vaardigheden (fysiek en psychisch) die ervoor zorgen dat je in staat bent om
een bepaald (gezond) gedrag te stellen
Fitheidscomponenten = Over de nodige fitheid beschikken om een bepaald (gezond)
gedrag te stellen bv. kracht
Psychische competenties Kennis = De mate waarin de doelgroep over de nodige
informatie beschikt
Drijfveren:
= de reflectieve motieven en automatische processen die een bepaald (gezond/ongezond)
gedrag activeren en richting geven
Context:
= De fysieke, sociaal-culturele, economische en politieke aspecten van de omgeving die het
gewenste gedrag mogelijk maken, ondersteunen en/of stimuleren.
4. Definitie eetgewoonte volgens Margaret Mead
= de wijze waarop een groep gebruik maakt van het beschikbare voedsel als gevolg van de op hen
uitgeoefende druk, zowel economisch, sociaal als cultureel.
5. Veranderende voedingsgewoonten
o Voedingsgewoonten zijn nooit stabiel, evolueren doorheen de tijd
o Wereldoorlog 1 en 2: schaarste aan levensmiddelen, koolhydraattrijke voeding
o Na 1945: overvloed en veel vetrijke voeding
o Vanaf 2000: overvloeden grote variatie aan voedingsmiddelen en kant en klare producten
6. Functies van voeding
o Biologische/ fysiologische functie
o Psychologische functie
, o Sociale en culturele functie
- Genots- of gastronomische functie
- Middel om eigen identiteit te benadrukken
o Religieuze en magische functie
o Communicatiemiddel
o Om economische weelde en status uit te drukken
o Om invloed en macht over anderen uit te drukken
o Houding en geloof rond voedsel
o Medische functie: dieet
Hoofdstuk 2: Voedingsgewoonten in België
1. Inleiding
Een gezonde levensstijl omvat meer dan alleen gezond eten:
o een evenwichtige voeding
o niet roken
o voldoende lichaamsbeweging
o coping (omgaan) met stress
o de nodige sociale contacten
o gezonde werkomstandigheden
o veiligheid in de privésfeer en in het verkeer
2. Relatie leefstijl en ziekten
Overvoeding
= grotere opname van energie en macronutriënten dan vereist is
Gevolgen:
§ Hypertensie: dalende trend owv verminderde hoeveelheid zout in voedingsmiddelen en
toename onverzadigde vetzuren
§ Obesitas
§ Hart- en vaatziekten: stijgt owv toenemende veroudering van de bevolking
§ Diabetes mellitus
§ Dyslipidemie: stijgt owv toename totale cholesterol en daling HDL
§ Kanker
Ondervoeding en wanvoeding
= voeding die gebrekkig is aan 1 of meerdere macro- of micronutriënten
o België: Jodium, ijzer en calcium
o Belangrijke indicator: inkomen
3. Trends inzake voedingsgewoonten België
Voeding speelt belangrijke rol in het ontstaan van ziekten
- Vroeger: tekorten
- Nu: teveel
• dalend energieverbruik: andere leef- en werkomstandigheden (t.o.v. hogere inname)
• Tijd tussen voedselinnames korter
• Aantal eetmomenten is gestegen
• Meer drinken tussendoor
• We eten vaker, we eten vloeibaarder-> verdikken
• We hebben graag gemakkelijk eten bv. Smoothies i.p.v stukken fruit
, o Voedingsleer is een wetenschap in ontwikkeling: altijd bijstuderen!
4. Voedingsaanbevelingen voor België
4.1 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen:
o Voedingsmiddelen
o Voedingsstoffen (nutriënten)
= alle moleculendeeltjes van een voedingsmiddel die via de spijsvertering kunnen worden
opgenomen en nuttig zijn voor het lichaam
o Macronutriënten:
-> brand- en bouwstoffen
-> veel van nodig, uitgedrukt in gram
-> eiwitten, vetten, koolhydraten
-> essentieel: zonder kan het lichaam niet functioneren
o Micronutriënten:
-> beschermende stoffen
-> weinig van nodig, uitgedrukt in mg of microgram
-> vitaminen en mineralen
-> leveren geen energie
o Voedingsvezels en water
-> leveren geen energie
o Energieleverende stoffen: eiwitten, vetten, koolhydraten (en alcohol)
o Energiedensiteit: hoge/lage
4.2 Voedingsbehoeften bepalen
Essentiële voedingsstoffen
= circa 50 voedingsstoffen die onmisbaar zijn en niet of onvoldoende in het lichaam worden
aangemaakt, ze moeten uit de voeding opgenomen worden. Eiwitten, vetten, koolhydraten,
vitaminen, mineralen en water.
Deficiëntie aan voedingsstoffen
= tekort aan een bepaalde voedingsstof verstoort de stofwisseling en kan leiden tot ziekte
-Vit C tekort -> scheurbuik (inwendige bloedingen)
-Vit B1 tekort -> beri beri (vermoeidheid, stijfheid benen, hoofdpijn, anorexie, kortademigheid..)
-Vit B-complex tekort -> pellagra (zeer wisselend optreden van verschijnselen maagdarmkanaal)
-> dosis bepalen om deficiëntie te vermijden
Latente deficiëntie
= marginale voedingstoestand -> tekort aan voedingsstof zonder ziekteverschijnselen (op de grens)
o Geen klinische verschijnselen
o Vage klachten: vermoeidheid, verminderde weerstand, …
o Gemakkelijker ontstaan van chronische ziekten in deze voedingstoestand
Intoxicatie
o Normaal wanneer meer van voedingsstof opgenomen dan nodig -> uitscheiding of afbraak
o Boven een bepaalde hoeveelheid kan dit niet meer -> intoxicatieverschijnselen = vergiftiging
door overdosering, onvoldoende afbraak en uitscheiding
o Voor elke voedingsstof een toxische grens: hierboven treedt intoxicatie op
Hoofdstuk 1: voedingsgewoonten
2. Biologische determinanten
o het lichaam geeft signalen bij honger of verzadiging
o deze signalen vertrekken uit:
de bloedbaan:
Laag bloedglucosegehalte = ontstaan van hongergevoel
Bloedglucose daal na ongeveer 4 uur
Tussentijds wordt glucosegehalte op peil gehouden door glycogeenvoorraad in de lever.
Glucagon in de lever zorgt voor omzetting van glycogeen naar glucose
de maag geef hoger en verzadigingsgevoel:
Hongergevoel wordt gestimuleerd door:
Zien, ruiken en proeven van voedsel
Verzadigingsgevoel wordt ervaren door een volle maag
Vezels, vetten en eiwitten remmen de maagontlediging
Hormonen
• Gherline vooral geproduceerd in de maag = stimuleert hongergevoel
Gherlinespiegel
• stijgt wanneer er niet wordt gegeten
• daalt na een maaltijd
Cholecystokinine(CKK) geproduceerd in de darm
• Vet stimuleert de afgifte van CKK
• Remt de maaglediging en de eetlust
Incretines (GLP-1) geproduceerd darm en lever
• Stimuleren de insulinesecretie en remmen de glucagonproductie
• Hierdoor daling van de glucose
• GLP remt de maaglediging
Hormoon peptide YY (PYY) geproduceerd in laatste deel van de darm
= verzadigingshormoon
Leptine: geproduceerd in het vetweefsel
• Tegengestelde van gherline
• = verzadigingshormoon
-> signalen gaan naar de hersenen – hypothalamus
-> resultaat: hongergevoel of eten/ verzadigingsgevoel en stoppen met eten
internaliteit: interne signalen (hierboven)
externaliteit: externe signalen (klok, andere mensen,…)
o maag zet zich uit als, we honger hebben begint maag te krimpen, als we vol zitten rekt maag uit
3. Bijkomende determinanten
Waarom we eten wat we eten is:
• slechts 50% fysiologisch bepaald
,• andere 50%: economisch, fysisch, sociaal, psychologisch, attitude
o Economisch:
- kostprijs
- inkomen
- beschikbaarheid
o Fysisch:
-bereikbaarheid en opvoeding
o Sociaal:
- cultuur
- familie
- eetpatroon
- omgeving
o Psychologisch:
- stemming
- stress
- schuldgevoelens
o Attitude:
- eigen vaardigheden en kennis
Het Gedragswiel
Waarom we eten heeft met het gedrag te maken:
Competenties:
= De kennis en vaardigheden (fysiek en psychisch) die ervoor zorgen dat je in staat bent om
een bepaald (gezond) gedrag te stellen
Fitheidscomponenten = Over de nodige fitheid beschikken om een bepaald (gezond)
gedrag te stellen bv. kracht
Psychische competenties Kennis = De mate waarin de doelgroep over de nodige
informatie beschikt
Drijfveren:
= de reflectieve motieven en automatische processen die een bepaald (gezond/ongezond)
gedrag activeren en richting geven
Context:
= De fysieke, sociaal-culturele, economische en politieke aspecten van de omgeving die het
gewenste gedrag mogelijk maken, ondersteunen en/of stimuleren.
4. Definitie eetgewoonte volgens Margaret Mead
= de wijze waarop een groep gebruik maakt van het beschikbare voedsel als gevolg van de op hen
uitgeoefende druk, zowel economisch, sociaal als cultureel.
5. Veranderende voedingsgewoonten
o Voedingsgewoonten zijn nooit stabiel, evolueren doorheen de tijd
o Wereldoorlog 1 en 2: schaarste aan levensmiddelen, koolhydraattrijke voeding
o Na 1945: overvloed en veel vetrijke voeding
o Vanaf 2000: overvloeden grote variatie aan voedingsmiddelen en kant en klare producten
6. Functies van voeding
o Biologische/ fysiologische functie
o Psychologische functie
, o Sociale en culturele functie
- Genots- of gastronomische functie
- Middel om eigen identiteit te benadrukken
o Religieuze en magische functie
o Communicatiemiddel
o Om economische weelde en status uit te drukken
o Om invloed en macht over anderen uit te drukken
o Houding en geloof rond voedsel
o Medische functie: dieet
Hoofdstuk 2: Voedingsgewoonten in België
1. Inleiding
Een gezonde levensstijl omvat meer dan alleen gezond eten:
o een evenwichtige voeding
o niet roken
o voldoende lichaamsbeweging
o coping (omgaan) met stress
o de nodige sociale contacten
o gezonde werkomstandigheden
o veiligheid in de privésfeer en in het verkeer
2. Relatie leefstijl en ziekten
Overvoeding
= grotere opname van energie en macronutriënten dan vereist is
Gevolgen:
§ Hypertensie: dalende trend owv verminderde hoeveelheid zout in voedingsmiddelen en
toename onverzadigde vetzuren
§ Obesitas
§ Hart- en vaatziekten: stijgt owv toenemende veroudering van de bevolking
§ Diabetes mellitus
§ Dyslipidemie: stijgt owv toename totale cholesterol en daling HDL
§ Kanker
Ondervoeding en wanvoeding
= voeding die gebrekkig is aan 1 of meerdere macro- of micronutriënten
o België: Jodium, ijzer en calcium
o Belangrijke indicator: inkomen
3. Trends inzake voedingsgewoonten België
Voeding speelt belangrijke rol in het ontstaan van ziekten
- Vroeger: tekorten
- Nu: teveel
• dalend energieverbruik: andere leef- en werkomstandigheden (t.o.v. hogere inname)
• Tijd tussen voedselinnames korter
• Aantal eetmomenten is gestegen
• Meer drinken tussendoor
• We eten vaker, we eten vloeibaarder-> verdikken
• We hebben graag gemakkelijk eten bv. Smoothies i.p.v stukken fruit
, o Voedingsleer is een wetenschap in ontwikkeling: altijd bijstuderen!
4. Voedingsaanbevelingen voor België
4.1 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen:
o Voedingsmiddelen
o Voedingsstoffen (nutriënten)
= alle moleculendeeltjes van een voedingsmiddel die via de spijsvertering kunnen worden
opgenomen en nuttig zijn voor het lichaam
o Macronutriënten:
-> brand- en bouwstoffen
-> veel van nodig, uitgedrukt in gram
-> eiwitten, vetten, koolhydraten
-> essentieel: zonder kan het lichaam niet functioneren
o Micronutriënten:
-> beschermende stoffen
-> weinig van nodig, uitgedrukt in mg of microgram
-> vitaminen en mineralen
-> leveren geen energie
o Voedingsvezels en water
-> leveren geen energie
o Energieleverende stoffen: eiwitten, vetten, koolhydraten (en alcohol)
o Energiedensiteit: hoge/lage
4.2 Voedingsbehoeften bepalen
Essentiële voedingsstoffen
= circa 50 voedingsstoffen die onmisbaar zijn en niet of onvoldoende in het lichaam worden
aangemaakt, ze moeten uit de voeding opgenomen worden. Eiwitten, vetten, koolhydraten,
vitaminen, mineralen en water.
Deficiëntie aan voedingsstoffen
= tekort aan een bepaalde voedingsstof verstoort de stofwisseling en kan leiden tot ziekte
-Vit C tekort -> scheurbuik (inwendige bloedingen)
-Vit B1 tekort -> beri beri (vermoeidheid, stijfheid benen, hoofdpijn, anorexie, kortademigheid..)
-Vit B-complex tekort -> pellagra (zeer wisselend optreden van verschijnselen maagdarmkanaal)
-> dosis bepalen om deficiëntie te vermijden
Latente deficiëntie
= marginale voedingstoestand -> tekort aan voedingsstof zonder ziekteverschijnselen (op de grens)
o Geen klinische verschijnselen
o Vage klachten: vermoeidheid, verminderde weerstand, …
o Gemakkelijker ontstaan van chronische ziekten in deze voedingstoestand
Intoxicatie
o Normaal wanneer meer van voedingsstof opgenomen dan nodig -> uitscheiding of afbraak
o Boven een bepaalde hoeveelheid kan dit niet meer -> intoxicatieverschijnselen = vergiftiging
door overdosering, onvoldoende afbraak en uitscheiding
o Voor elke voedingsstof een toxische grens: hierboven treedt intoxicatie op