• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 49 pages
Summary

Samenvatting Onderzoeksmethoden & Dataverwerking 2 | KU Leuven | 2026/27

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 49 pages

Volledige samenvatting van ppt's en les notities

Content preview

Voorkennis – bach 1
- Hypothesen
o Null Hypothese (H0) = wordt geaccepteerd/ afgewezen = statistische instelling
 stelt dat er geen verschil of verband is tussen variabelen
 de sampling distributie is een centrale distributie = gecentreerd rond 0 (geen
verschil)
o Alternatieve hypothese (HA) = voorspelt een verschil of associatie
 de sampling distributie is een non-centrale distributie = gecentreerd rond 5 bvb




o Belangrijk principe
 Je kunt nooit bewijzen dat H₀ waar is, je kunt H₀ alleen
 niet verwerpen (geen bewijs tegen H₀)
 verwerpen (bewijs tegen H₀)
- Populaties en steekproeven
o Populatie = hele groep
 De grotere groep waarop onderzoeksresultaten worden toegepast
 Voldoen aan een gespecificeerde reeks criteria
 Waarvoor we de resultaten van een onderzoek willen generaliseren
o Sample (steekproef)
 Gekozen door een samplingsproces = subgroep van de populatie
 Wordt geselecteerd via een samplingsproces
 Moet idealiter representatief zijn voor de populatie
 De kwaliteit van de steekproef bepaalt hoe betrouwbaar je conclusies zijn
- Inferentiële statistiek
o technieken waarmee je op basis van een steekproef uitspraken doet over de
populatie
o Omdat we de populatie meestal niet volledig kunnen meten
 Populatieparameters (bv. echt gemiddelde) zijn onbekend
 We gebruiken steekproefstatistieken om die parameters te schatten
 We weten dat er altijd foutmarge is
o Sampling error = willekeurig
 Ontstaat wanneer de steekproef toevallig afwijkt van de populatie
 Hoe groter de steekproef, hoe kleiner de fout.
 Kenmerken
 Is onvermijdelijk bij willekeurige steekproeven
 Het steekproefgemiddelde verschilt bijna altijd een beetje van het
populatiegemiddelde
 Deze verschillen zijn toevallig, niet door menselijke invloed
 Daarom gebruiken we statistiek om de fout te kwantificeren
 standaardfout
 betrouwbaarheidsinterval
o Sampling bias = niet willekeurig
 Sampling bias ontstaat wanneer de steekproef systematisch afwijkt van de
populatie
 Kenmerken
 Niet het gevolg van toeval, maar van selectieproblemen
 Bepaalde groepen worden over- of ondervertegenwoordigd
 Leidt tot vertekende resultaten die niet generaliseerbaar zijn
 Voorbeelden

,  Bewuste bias = bepaalde patiënten kiezen om een behandeling beter te
laten lijken
 Onbewuste bias = straatinterviews, niet representatief voor de hele
bevolking
 Belangrijk
 Een grotere steekproef lost bias niet op
 De selectiemethode bepaalt de geldigheid van je conclusies
 Generaliseerbaarheid = enkel als de steekproef representatief is voor de
populatie
- Probabiliteit
o de waarschijnlijkheid dat een gebeurtenis zal plaatsvinden, gezien alle mogelijke
resultaten
o Vertegenwoordigd door een kleine letter p met waarde van 0-1
o Aanname = bij willekeurige gebeurtenissen heeft elke uitkomst dezelfde kans om te
gebeuren!
- Betrouwbaarheidsintervallen (BI)
o geven een waarschijnlijk bereik voor de populatieparameter
o Waarden die met een bepaald betrouwbaarheidsniveau (bv. 95%) de
populatieparameter bevat
o BI = Xˉ ± z⋅Sn
 Xˉ = steekproefgemiddelde
 Sn = standaardfout
 z =1,96 voor 95% BI (p = .05)
- Steekproefverdeling
o Frequentieverdeling van een statistiek (bvb. gem) over willekeurige steekproeven uit
dezelfde pop.
o Belang
 Vormt de kern van inferentiële statistiek
 Laat zien hoeveel steekproefstatistieken variëren door toeval
 Maakt het mogelijk om BI’s en p waardes te berekenen
o Centrale limietstelling
 Voor n > 30 wordt de verdeling van steekproefgemiddelden ongeveer normaal
 Hierdoor kunnen we normale curve eigenschappen gebruiken voor inferentie.
 Voorbeeld = gemiddelde lengte van studenten
 Je neemt heel veel steekproeven uit dezelfde populatie.
 Je berekent voor elke steekproef het gemiddelde.
 Je plot die gemiddelden → histogram.
 Dat histogram wordt steeds normaler naarmate je meer steekproeven
neemt.
 Het gemiddelde van die steekproefgemiddelden nadert μ
(populatiegemiddelde).
o Is een steekproefverdeling theoretisch?
 Ja, want we nemen in de praktijk niet duizenden steekproeven
 Maar: de normale curve is voorspelbaar, dus we kunnen de eigenschappen
gebruiken om conclusies te trekken uit één steekproef
- Standaardfout (SEM)
o SEM = standaarddeviatie van de steekproefverdeling van het gemiddelde.
 Schatting van hoe sterk steekproefgemiddelden variëren rond μ.
o Interpretatie
 Grote SEM = veel variatie = steekproef is minder precies
 Kleine SEM = weinig variatie = steekproef is representatiever
o Grafieken

,- Parametrische vs. niet-parametrische statistiek
o Parametrische statistiek
 Gebruikt wanneer data voldoet aan aannames:
 Steekproeven zijn random getrokken.
 Data is normaal verdeeld (testbaar in SPSS).
 Variantie is gelijk tussen groepen.
 Data is interval of ratio.
 Voorbeelden: t-test, ANOVA, Pearson correlatie.
o Niet-parametrische statistiek
 Gebruik wanneer aannames niet worden gehaald:
 Data niet normaal verdeeld
 Ordinale data
 Kleine steekproeven
 Ongelijke varianties
 Voorbeelden: Mann-Whitney, Wilcoxon, Spearman.
- Measurement (meten)
o Het proces waarbij je waarden toekent aan variabelen volgens vaste regels.
o Doel = een kenmerk kwantificeren zodat je het kan beschrijven, vergelijken of
evalueren
o Variabelen
 Attribute (eigenschap) = krijgt numerals (cijfers als labels, geen hoeveelheid)
 Voorbeeld: 0 = man, 1 = vrouw.
 Quantity (hoeveelheid) = krijgt numbers (echte getallen met betekenis)
 Voorbeeld: lengte = 175 cm
o Numerals
 Cijfers als labels, geen kwantitatieve betekenis
 Dichotoom = 2 categorieën (bvb. 0 en 1)
 Polytomisch = meerdere categorieën
o Numbers
 Echte getallen met hoeveelheid
 Continu = alle waarden binnen een bereik mogelijk
 Discreet = alleen gehele getallen
o Direct vs indirect meten
 Direct = direct observeerbaar (lengte, gewicht)
 Indirect = niet direct observeerbaar (temperatuur, hartslag via sensor)
- Meetniveaus (NOIR)
o Ratio
 Gelijke intervallen
 Echt nulpunt (0 = afwezigheid)
 Geen negatieve waarden
 Voorbeelden = lengte, gewicht, tijd
o Interval
 Gelijke intervallen
 Geen echt nulpunt
 Negatieve waarden mogelijk
 Voorbeeld = temperatuur in °C
o Ordinaal
 Categorieën met rangorde
 Afstanden tussen categorieën onbekend
 Vaak gebruikt voor constructen (pijnschaal)
o Nominaal
 Categorieën zonder rangorde
 Wederzijds exclusief
 Voorbeeld = geslacht, kleur, type sport
- Betrouwbaarheid
o De mate waarin een meting consistent en vrij van toevalsfouten is.
 X=T±E (True score ± Error)
o Soorten meetfouten
 Systematische fout

,  Voorspelbaar, steeds dezelfde richting
 Geen bedreiging voor betrouwbaarheid
 Wel bedreiging voor validiteit
 Random fout
 Onvoorspelbaar, toevalsvariatie
 Gemiddeld = 0
 Bedreigt betrouwbaarheid
o Bronnen van meetfouten
 De beoordelaar (vaardigheid, bias, protocol niet volgen)
 Het instrument (onnauwkeurig, gevoelig voor omgeving)
 De proefpersoon (motivatie, vermoeidheid, fysiologische variatie)
 Omgeving (temperatuur, lawaai)
- Descriptieve statistiek
o Data wordt pas betekenisvol als je het beschrijft
o Vorm van verdelingen
 Rechts-scheef (positief) = veel lage waarden
 Normaal = symmetrisch, klokvorm
 Links-scheef (negatief) = veel hoge waarden
o Maten van centrale tendens




 Modus
 Score die het vaakst voorkomt in een distributie
 Types
 Unimodal = 1 score dat vaak voorkomt
 Bi-modal = 2 scores dat het vaakst voorkomen
 Multimodal = meerdere scores die vaak voorkomen
 Mediaan
 Waarde in het midden van de frequentieverdeling (evenveel scores erboven
als eronder)
 Oneven aantal waarnemingen = score in het midden
 Even aantal waarnemingen = gemiddelde score van de middelste twee
scores
 Voordeel = onaangetast door de waarde van extreme scores
 Gemiddelde
 Som van een set scores gedeeld door het aantal scores (n)
 Bevolkingsgemiddelde μ en samplegemiddelde X
o Variabiliteit
 Range
 Max – min
 Gevoelig voor uitschieters
 Percentielen & kwartielen
 Percentielen = positie binnen verdeling
 Kwartielen = Q1, Q2 (mediaan), Q3
 IQR = Q3 – Q1
 Variantie & standaarddeviatie
 Gebaseerd op alle scores
 Variantie = gemiddelde van de gekwadrateerde afwijkingen
 Voor steekproef = delen door n – 1
 Coefficient of Variation (cov)
 SD / Mean × 100%

Document information

Study
Uploaded on
September 29, 2026
Number of pages
49
Written in
2025/2026
Type
Summary
$12.59

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
0
Followers
1
Items
36
Last sold
-



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions