Funtionele anatomie van de extremiteiten
Begrippen
- Anatomie komt van het Griekse woord ‘anatomnein’ dat opensnijden betekent.
o Oorspronkelijk is ‘ontleedkunde’ de leer van levende wezens zoals die zich door dissectie aan ons
openbaren (in de tijd van Andreas Vesalius, die anatomie demonstreerde in Leuven vanaf 1536.)
- Algemene betekenis: het vakgebied uit de biologie die focust op de
vorm
structuur
organisatie
o Van de gemiddelde bouw van een volgroeid en normaal lichaam
- Microscopische anatomie – studie van eenvoudige structuren
o één enkele cel : de oudste en eenvoudigste levende wezens
o een weefsel : supra-cellulaire eenheid : grotere massa’s ontstaan door het aan elkaar kleven van
gelijke cellen die samenwerken om een specifieke functie uit te voeren
Macroscopisch zichtbaar maar een herhaling van eenvoudige structuren = microscopisch
Soorten weefsel
→ hard (botweefsel)
→ zacht (vetweefsel)
→ vloeibaar (bloed)
- Macroscopische anatomie – studie van de vorm en structuur van verbindingen
o Gedifferentieerde weefsels: gevormd wanneer de aaneenklevende cellen beïnvloed en permeabel
worden voor bepaalde stoffen waardoor de cellen niet gelijk blijven
Functionele specialisering in dienst van een georganiseerd geheel.
o Een orgaan: een verbinding van verschillende weefsels, is een orgaan
Vb. Een spier: bestaande uit de weefsels: spierweefsel, vet, vliezen en pezen
o Een stelsel: de verzameling van samenwerkende organen
Vb. bloedvatenstelsel (het hart, de bloedvaten en bloed)
o Een organisme: verzameling van verschillende stelsels
Vb. de mens
- Systematische (of stelselmatige) anatomie
o Lichaam beschreven volgens zijn systemen of stelsels
Ongeacht waar ze zich in het lichaam bevinden.
Bewegingsapparaat
→ Het beenderstelsel (met als organen bot, kraakbeen, beenverbindingen)
→ Het spierstelsel (met als organen skeletspieren, pezen, vliezen)
Doelmatige voorbereiding op de topografische
- Topografische anatomie
o Lichaam verdeelt in streken of regios
In elke regio bestudeert men de voorkomende organen
Nadruk op de ruimtelijke verhoudingen en onderlinge relaties.
Van groot belang bij palpatie.
- Functionele anatomie
o Kennis, niet van het lijk, maar van de levende mens belangrijk.
- Specifiek onderzoek in vivo is dan nodig omdat
o Na het afsterven sommige structuren wijzigen
o Pas na studie van beweging de samenhang tussen vorm en functie duidelijk wordt
,Anatomische nomenclatuur
- Binnen het bewegingsapparaat worden volgende afkortingen frequent gebruikt:
- Uitsteeksels (verhevenheden)
o condylus en caput: grote, ronde knobbels
o crista: kam
o Linea: een minder duidelijke aftekening dan een crista
o processus: algemene naam voor uitsteeksel
o tuberculum: kleine rond uitsteeksel
o tuberositas: ruwe verdikking
- Uithollingen (indeukingen)
o foramen: opening
o fossa: uitgehold vlak
o Sulcus: groeve
o sinus: kanaal
- Namen van spieren - refereren naar een specifiek kenmerk zoals:
o de vorm: m. deltoideus, m. quadratus
o grootte: m. gluteus maximus, m. teres minor
o aantal hoofden: m. biceps, m. triceps
o plaats in het lichaam: m. brachialis, m. palmaris longus
o functie: m. supinator, m. adductor magnus
Orientatietermen
- ‘anatomische houding’
o Rechtopstaand
o hoofd recht vooruit
o de armen afhangend met de palm van de hand naar voor (supinatie)
o de benen lichtjes gespreid met de voeten naar voor.
- een stelsel van 3 assen: loodrecht op elkaar
o de verticale of cephalo-caudale as
o twee horizontale assen
frontale of transversale as van links naar rechts
as van voor naar achter.
- vlakken wordt gevormd als twee assen elkaar snijden
o verticale of sagittale vlak (in midden = mediane vlak) door de verticale en sagittale as
o transversale vlak is de verbinding van de twee horizontale assen;
o frontale vlak is de combinatie van de verticale en de transversale as.
- Regios
o Axiale – vanaf de oksels tot aan de botten
Omvat het hoofd tot de buik en vormt de centrale lichaamsas
o Appendiculaire – ledematen en aanhangsels in verbinding met de axiale regio
- Oriëntatietermen – positie in de ruimte
o superior = boven
craniaal: in de richting van de cranium = schedel
, o inferior = onder
caudaal: in de richting van de cauda = staart
o anterior = vooraan
ventraal: in de richting van het venter = buik
o posterior = achteraan
dorsaal: in de richting van het dorsum = rug
o medialis = naar het midden (naar het mediane vlak)
o lateralis = naar buiten toe (weg van het mediane vlak)
o superficialis = oppervlakkig (externus)
o profundus = in de diepte (internus)
- orientatietermen – positie van de extremiteiten
o proximaal = naar de centrale as toe
o distaal = op een afstand van de romp, verder weg naar het uiteinde
o Faciaal = Heeft betrekking op het gezicht.
o Cervicaal = Met betrekking tot de nekstreek.
o Occipitaal = Met betrekking tot de achterkant van het hoofd.
o Brachiaal =Met betrekking tot de arm.
o Digitaal of falangeaal = Met betrekking tot de vingers of tenen.
o palmaris = naar de handpalm
o plantaris = naar de voetzool gericht
o dorsalis = naar de handrug of voetrug gericht
o radialis = aan de kant van de duim
o ulnaris = aan de kant van de pink
o Bekken: Met betrekking tot het bekken.
o Pubis/schaambeen: Met betrekking tot de schaamstreek.
o tibialis = aan de kant van de binnenenkel
o fibularis = aan de kant van de buitenenkel.
o Lumbaal: Met betrekking tot de onderrug of lendenen.
Bewegingen
- Natuurlijke bewegingen zijn meestal simultane bewegingen rond verschillende assen
- De algemene basisbewegingen:
o flexie (buigen) en extensie (strekken)
beweging rond een transversale as in het sagittale vlak.
o abductie (afvoeren) en adductie (aanvoeren)
beweging rond een sagittale as in het frontale vlak.
o exorotatie (naar buiten draaien) en endorotatie (naar binnen draaien)
, beweging rond een verticale as in het transversale vlak.
Weefsel
Dekweefsel
Spierweefsel - genereert krachten
Zenuwweefsel
Bindweefsel - kan krachten weerstaan
- opbouw
o Bestaat uit sterk vertakte cellen in een vormloze, stroperige grondstof (matrix) die door de cellen zelf
geproduceerd wordt
o Matrix
bevat bepaalde stoffen naargelang de specifieke ontwikkeling
kan doorweven worden met vezels
o De cel, de matrix en de vezels kunnen sterk verschillen
kan diverse vormen met specifieke mechanische kenmerken en functies
o Uit bindweefsel ontstaat onder meer vetweefsel, bloed en lymfe maar ook het steunweefsel
Begrippen
- Anatomie komt van het Griekse woord ‘anatomnein’ dat opensnijden betekent.
o Oorspronkelijk is ‘ontleedkunde’ de leer van levende wezens zoals die zich door dissectie aan ons
openbaren (in de tijd van Andreas Vesalius, die anatomie demonstreerde in Leuven vanaf 1536.)
- Algemene betekenis: het vakgebied uit de biologie die focust op de
vorm
structuur
organisatie
o Van de gemiddelde bouw van een volgroeid en normaal lichaam
- Microscopische anatomie – studie van eenvoudige structuren
o één enkele cel : de oudste en eenvoudigste levende wezens
o een weefsel : supra-cellulaire eenheid : grotere massa’s ontstaan door het aan elkaar kleven van
gelijke cellen die samenwerken om een specifieke functie uit te voeren
Macroscopisch zichtbaar maar een herhaling van eenvoudige structuren = microscopisch
Soorten weefsel
→ hard (botweefsel)
→ zacht (vetweefsel)
→ vloeibaar (bloed)
- Macroscopische anatomie – studie van de vorm en structuur van verbindingen
o Gedifferentieerde weefsels: gevormd wanneer de aaneenklevende cellen beïnvloed en permeabel
worden voor bepaalde stoffen waardoor de cellen niet gelijk blijven
Functionele specialisering in dienst van een georganiseerd geheel.
o Een orgaan: een verbinding van verschillende weefsels, is een orgaan
Vb. Een spier: bestaande uit de weefsels: spierweefsel, vet, vliezen en pezen
o Een stelsel: de verzameling van samenwerkende organen
Vb. bloedvatenstelsel (het hart, de bloedvaten en bloed)
o Een organisme: verzameling van verschillende stelsels
Vb. de mens
- Systematische (of stelselmatige) anatomie
o Lichaam beschreven volgens zijn systemen of stelsels
Ongeacht waar ze zich in het lichaam bevinden.
Bewegingsapparaat
→ Het beenderstelsel (met als organen bot, kraakbeen, beenverbindingen)
→ Het spierstelsel (met als organen skeletspieren, pezen, vliezen)
Doelmatige voorbereiding op de topografische
- Topografische anatomie
o Lichaam verdeelt in streken of regios
In elke regio bestudeert men de voorkomende organen
Nadruk op de ruimtelijke verhoudingen en onderlinge relaties.
Van groot belang bij palpatie.
- Functionele anatomie
o Kennis, niet van het lijk, maar van de levende mens belangrijk.
- Specifiek onderzoek in vivo is dan nodig omdat
o Na het afsterven sommige structuren wijzigen
o Pas na studie van beweging de samenhang tussen vorm en functie duidelijk wordt
,Anatomische nomenclatuur
- Binnen het bewegingsapparaat worden volgende afkortingen frequent gebruikt:
- Uitsteeksels (verhevenheden)
o condylus en caput: grote, ronde knobbels
o crista: kam
o Linea: een minder duidelijke aftekening dan een crista
o processus: algemene naam voor uitsteeksel
o tuberculum: kleine rond uitsteeksel
o tuberositas: ruwe verdikking
- Uithollingen (indeukingen)
o foramen: opening
o fossa: uitgehold vlak
o Sulcus: groeve
o sinus: kanaal
- Namen van spieren - refereren naar een specifiek kenmerk zoals:
o de vorm: m. deltoideus, m. quadratus
o grootte: m. gluteus maximus, m. teres minor
o aantal hoofden: m. biceps, m. triceps
o plaats in het lichaam: m. brachialis, m. palmaris longus
o functie: m. supinator, m. adductor magnus
Orientatietermen
- ‘anatomische houding’
o Rechtopstaand
o hoofd recht vooruit
o de armen afhangend met de palm van de hand naar voor (supinatie)
o de benen lichtjes gespreid met de voeten naar voor.
- een stelsel van 3 assen: loodrecht op elkaar
o de verticale of cephalo-caudale as
o twee horizontale assen
frontale of transversale as van links naar rechts
as van voor naar achter.
- vlakken wordt gevormd als twee assen elkaar snijden
o verticale of sagittale vlak (in midden = mediane vlak) door de verticale en sagittale as
o transversale vlak is de verbinding van de twee horizontale assen;
o frontale vlak is de combinatie van de verticale en de transversale as.
- Regios
o Axiale – vanaf de oksels tot aan de botten
Omvat het hoofd tot de buik en vormt de centrale lichaamsas
o Appendiculaire – ledematen en aanhangsels in verbinding met de axiale regio
- Oriëntatietermen – positie in de ruimte
o superior = boven
craniaal: in de richting van de cranium = schedel
, o inferior = onder
caudaal: in de richting van de cauda = staart
o anterior = vooraan
ventraal: in de richting van het venter = buik
o posterior = achteraan
dorsaal: in de richting van het dorsum = rug
o medialis = naar het midden (naar het mediane vlak)
o lateralis = naar buiten toe (weg van het mediane vlak)
o superficialis = oppervlakkig (externus)
o profundus = in de diepte (internus)
- orientatietermen – positie van de extremiteiten
o proximaal = naar de centrale as toe
o distaal = op een afstand van de romp, verder weg naar het uiteinde
o Faciaal = Heeft betrekking op het gezicht.
o Cervicaal = Met betrekking tot de nekstreek.
o Occipitaal = Met betrekking tot de achterkant van het hoofd.
o Brachiaal =Met betrekking tot de arm.
o Digitaal of falangeaal = Met betrekking tot de vingers of tenen.
o palmaris = naar de handpalm
o plantaris = naar de voetzool gericht
o dorsalis = naar de handrug of voetrug gericht
o radialis = aan de kant van de duim
o ulnaris = aan de kant van de pink
o Bekken: Met betrekking tot het bekken.
o Pubis/schaambeen: Met betrekking tot de schaamstreek.
o tibialis = aan de kant van de binnenenkel
o fibularis = aan de kant van de buitenenkel.
o Lumbaal: Met betrekking tot de onderrug of lendenen.
Bewegingen
- Natuurlijke bewegingen zijn meestal simultane bewegingen rond verschillende assen
- De algemene basisbewegingen:
o flexie (buigen) en extensie (strekken)
beweging rond een transversale as in het sagittale vlak.
o abductie (afvoeren) en adductie (aanvoeren)
beweging rond een sagittale as in het frontale vlak.
o exorotatie (naar buiten draaien) en endorotatie (naar binnen draaien)
, beweging rond een verticale as in het transversale vlak.
Weefsel
Dekweefsel
Spierweefsel - genereert krachten
Zenuwweefsel
Bindweefsel - kan krachten weerstaan
- opbouw
o Bestaat uit sterk vertakte cellen in een vormloze, stroperige grondstof (matrix) die door de cellen zelf
geproduceerd wordt
o Matrix
bevat bepaalde stoffen naargelang de specifieke ontwikkeling
kan doorweven worden met vezels
o De cel, de matrix en de vezels kunnen sterk verschillen
kan diverse vormen met specifieke mechanische kenmerken en functies
o Uit bindweefsel ontstaat onder meer vetweefsel, bloed en lymfe maar ook het steunweefsel