Hoofdstuk 1:
1. Een organisatie twijfelt of zij moet investeren in een nieuw CRM-systeem. Er is weinig inzicht in
waarom klanten afhaken. Wat is het meest passende onderzoeksdoel? (Het verzamelen van
informatie om een onderbouwde beslissing te nemen)
2. Een student verzamelt bestaande rapporten en databestanden van de organisatie om een
probleem te analyseren. Wat voor gegevens gebruikt hij? (Secundaire gegevens, Gegevens die al
eerder voor een ander doel zijn verzameld)
3. Een onderzoeker herhaalt exact dezelfde meetprocedure en krijgt vergelijkbare uitkomsten.
Welk kwaliteitscriterium wordt hiermee vooral geborgd? (Betrouwbaarheid, dit gaat over
consistentie en herhaalbaarheid van metingen.)
4. Een onderzoeker beschrijft nauwkeurig welke stappen zijn genomen, welke data zijn gebruikt
en welke beperkingen het onderzoek heeft. Welk kwaliteitsaspect staat hier centraal?
(Transparantie, dit gaat over controleerbaarheid van het onderzoek door anderen)
5. Een onderzoek is betrouwbaar uitgevoerd, maar meet uiteindelijk niet wat het had moeten
meten. Welke conclusie is het meest correct? (betrouwbaar, maar niet valide; Je kunt
consequent hetzelfde verkeerde meten)
6. Welke combinatie van kenmerken past het best bij fundamenteel onderzoek?
(Theorieontwikkeling – flexibel tijdschema – geen directe praktijkoplossing; Fundamenteel
onderzoek richt zich op kennis en theorie, niet op directe oplossingen, en kent meestal minder
tijdsdruk.)
7. Een onderzoeker laat zijn persoonlijke voorkeur voor een bepaalde uitkomst onbewust
meewegen bij de interpretatie van resultaten. Welk kwaliteitscriterium komt hierdoor vooral in
het geding? (Objectiviteit vereist een neutrale houding; persoonlijke voorkeuren leiden tot
subjectiviteit.)
8. Welke uitspraak laat het beste zien dat iemand begrijpt wat onderzoek onderscheidt van
dagelijkse informatieverzameling? (Onderzoek is systematisch en doelgericht opgezet; De kern
van onderzoek is een geplande, systematische aanpak met een duidelijk doel.)
9. Een organisatie wil snel een besluit nemen, maar het onderzoek is beperkt transparant
uitgevoerd. Wat is het grootste risico hiervan? (De resultaten zijn moeilijk te controleren en te
beoordelen)
10. Welke onderzoekskeuze is het minst verdedigbaar vanuit ethisch verantwoord onderzoek?
(Selectief rapporteren van resultaten die de opdrachtgever goed uitkomen)
11. Een opdrachtgever vraagt de onderzoeker om een doelstelling te formuleren als: “Het
verhogen van de omzet met 10%.” Wat is de beste beoordeling van deze doelstelling? (Geschikt
als organisatie doelstelling, niet als onderzoeksdoel; Omzet verhogen is een verantwoordelijkheid
van de organisatie, niet van de onderzoeker)
12. Welke afweging is het meest consistent met de definitie van ethisch verantwoord onderzoek?
(Transparant rapporteren, ook als conclusies ongunstig zijn; Ethisch onderzoek vereist eerlijkheid,
transparantie en verantwoordelijkheid, ook bij ongunstige uitkomsten.)
,Hoofdstuk 2:
1. Een opdrachtgever zegt: “We willen weten waarom klanten afhaken en hoe we dat kunnen
oplossen.” Welke centrale onderzoeksvraag past hier het best bij? (Wat zijn de oorzaken van
klantafhaakgedrag bij organisatie X?; De centrale vraag moet onderzoeken wat er is en waarom,
niet al sturen op oplossingen of interventies.)
2. Welke formulering voldoet het best aan de eisen van een onderzoeksdoelstelling? (Het
analyseren van factoren die bijdragen aan klantontevredenheid bij organisatie X, resulterend in
een adviesrapport; De doelstelling is specifiek, meetbaar (adviesrapport) en afgeleid van
onderzoek, niet van organisatieresultaten.)
3. Een student formuleert als deelvraag: “Is de communicatie binnen team A goed?” Wat is hier
het grootste probleem? (De vraag is normatief en gesloten; Deelvragen moeten open en
onderzoekbaar zijn)
4. Welke van de volgende vragen is het meest geschikt als empirische deelvraag? (Hoe ervaren
medewerkers van afdeling X de huidige aansturing?; Empirische deelvragen beantwoord je met
zelf verzamelde data (bijv. interviews of enquêtes)
5. Wat is het belangrijkste verschil tussen een organisatiedoelstelling en een
onderzoeksdoelstelling? (De ene richt zich op verandering, de andere op kennis;
Organisatiedoelstellingen sturen op resultaat; onderzoeksdoelstellingen sturen op kennis en
inzicht.)
6. Een centrale onderzoeksvraag luidt: “In hoeverre beïnvloedt leiderschapsstijl de betrokkenheid
van medewerkers?” Welke soort onderzoeksvraag is dit? (Verklarend; Er wordt expliciet gezocht
naar invloed/verband tussen variabelen)
7. Waarom worden voorlopige deelvragen vaak aangepast na literatuuronderzoek? (Omdat
nieuwe inzichten de focus kunnen verscherpen; Literatuuronderzoek kan blinde vlekken,
irrelevante vragen of ontbrekende perspectieven blootleggen.)
8. Welke samenhang tussen centrale vraag, doelstelling en deelvragen is methodologisch het
sterkst? (Deelvragen dragen direct bij aan beantwoording van de centrale vraag)
9. Een student formuleert veel interessante deelvragen, maar niet alle dragen bij aan de centrale
vraag. Wat is de beste methodologische keuze? (Deelvragen schrappen die niet bijdragen aan de
centrale vraag; Relevantie gaat vóór interesse; irrelevante deelvragen verzwakken focus en
haalbaarheid.)
10. Welke onderzoeksopzet is het minst geschikt bij een strak tijdschema en een duidelijke
managementvraag? (Fundamenteel onderzoek, kent vaak een flexibel tijdschema en geen
directe praktijktoepassing.)
11. Een opdrachtgever stuurt sterk op een vooraf gewenste uitkomst. Wat is vanuit onderzoeks-
methodologisch oogpunt de juiste houding van de onderzoeker? (Vasthouden aan een
onderzoekende en open vraagstelling; Onderzoek start zonder vooringenomen uitkomst; anders
komt objectiviteit en validiteit in gevaar.)
12. Welke formulering van een centrale vraag is het meest onderzoekstechnisch sterk? (Welke
factoren spelen een rol bij prestatieproblemen in organisatie X?)
, Hoofdstuk 3:
1. Een student leest meerdere artikelen, vergelijkt uitkomsten en legt verbanden tussen
theorieën in plaats van ze los samen te vatten. Wat is hij hier primair aan het doen?
(Analyseren en synthetiseren; Een kritisch literatuuroverzicht gaat verder dan samenvatten: het
vergelijkt, weegt af en verbindt inzichten (analyse + synthese).)
2. Welke bron is het meest geschikt om de meest recente stand van wetenschappelijke kennis te
achterhalen? (Een peer-reviewed wetenschappelijk artikel; Peer-reviewed artikelen worden
beoordeeld door vakgenoten en bevatten doorgaans actuele onderzoeksresultaten.)
3. Een student gebruikt een dissertatie vooral om te zien welke artikelen eerder onderzoek
hebben beïnvloed. Welk type bron gebruikt hij hier functioneel? (Tertiaire bron; Dissertaties
worden hier gebruikt als wegwijzer naar andere literatuur → tertiaire functie.)
4. Welke activiteit hoort het best bij het plannen van een literatuurstudie? (Het vooraf vastleggen
van trefwoorden en selectiecriteria; Een goede literatuurstudie start met een expliciete
zoekstrategie (trefwoorden, databanken, inclusie/exclusiecriteria).)
5. Wat is het belangrijkste verschil tussen een kritisch literatuuroverzicht en een traditionele
samenvatting? (Een kritisch overzicht beoordeelt sterktes en zwaktes; Kritisch betekent:
afwegen, beargumenteren en positioneren, niet alleen beschrijven.)
6. Waarom is het opnemen van literatuur die je eigen ideeën tegenspreekt methodologisch
belangrijk? (Om bias te verminderen en objectiviteit te vergroten; Selectief citeren vergroot
confirmation bias; tegengestelde literatuur versterkt de wetenschappelijke kwaliteit.)
7. Welke combinatie past het best bij inductief onderzoek? (Waarnemingen → patronen → theorie;
8. Een student merkt dat nieuwgevonden artikelen vooral verwijzen naar bronnen die hij al kent.
Welke conclusie is methodologisch het meest logisch? (Dataverzadiging is waarschijnlijk bereikt;
Herhaling van dezelfde kernbronnen duidt vaak op theoretische verzadiging)
9. Een literatuurstudie bevat alleen recente bronnen (laatste 2 jaar), maar mist klassieke
theorieën. Wat is de beste beoordeling? (Zwak, want onvoldoende historisch perspectief; Zowel
klassieke als recente theorieën zijn nodig om het onderzoeksveld goed te positioneren)
10. Welke aanpak leidt het meest waarschijnlijk tot een zwak theoretisch kader? (Artikelen los na
elkaar bespreken; Een opsomming zonder samenhang toont geen analytisch of synthetiserend
vermogen)
11. Een student baseert zijn theoretisch kader vooral op managementblogs omdat deze
“praktischer” zijn. Wat is de meest terechte kritiek? (De bronnen missen vaak
wetenschappelijke onderbouwing; Blogs kunnen context geven, maar missen vaak
methodologische transparantie en toetsing.)
12. Wat is de sterkste rechtvaardiging om een literatuurstudie expliciet te koppelen aan de
onderzoeksvraag? (Het borgt relevantie en focus, Zonder expliciete koppeling dreigt de
literatuurstudie los te staan van het onderzoek.)
1. Een organisatie twijfelt of zij moet investeren in een nieuw CRM-systeem. Er is weinig inzicht in
waarom klanten afhaken. Wat is het meest passende onderzoeksdoel? (Het verzamelen van
informatie om een onderbouwde beslissing te nemen)
2. Een student verzamelt bestaande rapporten en databestanden van de organisatie om een
probleem te analyseren. Wat voor gegevens gebruikt hij? (Secundaire gegevens, Gegevens die al
eerder voor een ander doel zijn verzameld)
3. Een onderzoeker herhaalt exact dezelfde meetprocedure en krijgt vergelijkbare uitkomsten.
Welk kwaliteitscriterium wordt hiermee vooral geborgd? (Betrouwbaarheid, dit gaat over
consistentie en herhaalbaarheid van metingen.)
4. Een onderzoeker beschrijft nauwkeurig welke stappen zijn genomen, welke data zijn gebruikt
en welke beperkingen het onderzoek heeft. Welk kwaliteitsaspect staat hier centraal?
(Transparantie, dit gaat over controleerbaarheid van het onderzoek door anderen)
5. Een onderzoek is betrouwbaar uitgevoerd, maar meet uiteindelijk niet wat het had moeten
meten. Welke conclusie is het meest correct? (betrouwbaar, maar niet valide; Je kunt
consequent hetzelfde verkeerde meten)
6. Welke combinatie van kenmerken past het best bij fundamenteel onderzoek?
(Theorieontwikkeling – flexibel tijdschema – geen directe praktijkoplossing; Fundamenteel
onderzoek richt zich op kennis en theorie, niet op directe oplossingen, en kent meestal minder
tijdsdruk.)
7. Een onderzoeker laat zijn persoonlijke voorkeur voor een bepaalde uitkomst onbewust
meewegen bij de interpretatie van resultaten. Welk kwaliteitscriterium komt hierdoor vooral in
het geding? (Objectiviteit vereist een neutrale houding; persoonlijke voorkeuren leiden tot
subjectiviteit.)
8. Welke uitspraak laat het beste zien dat iemand begrijpt wat onderzoek onderscheidt van
dagelijkse informatieverzameling? (Onderzoek is systematisch en doelgericht opgezet; De kern
van onderzoek is een geplande, systematische aanpak met een duidelijk doel.)
9. Een organisatie wil snel een besluit nemen, maar het onderzoek is beperkt transparant
uitgevoerd. Wat is het grootste risico hiervan? (De resultaten zijn moeilijk te controleren en te
beoordelen)
10. Welke onderzoekskeuze is het minst verdedigbaar vanuit ethisch verantwoord onderzoek?
(Selectief rapporteren van resultaten die de opdrachtgever goed uitkomen)
11. Een opdrachtgever vraagt de onderzoeker om een doelstelling te formuleren als: “Het
verhogen van de omzet met 10%.” Wat is de beste beoordeling van deze doelstelling? (Geschikt
als organisatie doelstelling, niet als onderzoeksdoel; Omzet verhogen is een verantwoordelijkheid
van de organisatie, niet van de onderzoeker)
12. Welke afweging is het meest consistent met de definitie van ethisch verantwoord onderzoek?
(Transparant rapporteren, ook als conclusies ongunstig zijn; Ethisch onderzoek vereist eerlijkheid,
transparantie en verantwoordelijkheid, ook bij ongunstige uitkomsten.)
,Hoofdstuk 2:
1. Een opdrachtgever zegt: “We willen weten waarom klanten afhaken en hoe we dat kunnen
oplossen.” Welke centrale onderzoeksvraag past hier het best bij? (Wat zijn de oorzaken van
klantafhaakgedrag bij organisatie X?; De centrale vraag moet onderzoeken wat er is en waarom,
niet al sturen op oplossingen of interventies.)
2. Welke formulering voldoet het best aan de eisen van een onderzoeksdoelstelling? (Het
analyseren van factoren die bijdragen aan klantontevredenheid bij organisatie X, resulterend in
een adviesrapport; De doelstelling is specifiek, meetbaar (adviesrapport) en afgeleid van
onderzoek, niet van organisatieresultaten.)
3. Een student formuleert als deelvraag: “Is de communicatie binnen team A goed?” Wat is hier
het grootste probleem? (De vraag is normatief en gesloten; Deelvragen moeten open en
onderzoekbaar zijn)
4. Welke van de volgende vragen is het meest geschikt als empirische deelvraag? (Hoe ervaren
medewerkers van afdeling X de huidige aansturing?; Empirische deelvragen beantwoord je met
zelf verzamelde data (bijv. interviews of enquêtes)
5. Wat is het belangrijkste verschil tussen een organisatiedoelstelling en een
onderzoeksdoelstelling? (De ene richt zich op verandering, de andere op kennis;
Organisatiedoelstellingen sturen op resultaat; onderzoeksdoelstellingen sturen op kennis en
inzicht.)
6. Een centrale onderzoeksvraag luidt: “In hoeverre beïnvloedt leiderschapsstijl de betrokkenheid
van medewerkers?” Welke soort onderzoeksvraag is dit? (Verklarend; Er wordt expliciet gezocht
naar invloed/verband tussen variabelen)
7. Waarom worden voorlopige deelvragen vaak aangepast na literatuuronderzoek? (Omdat
nieuwe inzichten de focus kunnen verscherpen; Literatuuronderzoek kan blinde vlekken,
irrelevante vragen of ontbrekende perspectieven blootleggen.)
8. Welke samenhang tussen centrale vraag, doelstelling en deelvragen is methodologisch het
sterkst? (Deelvragen dragen direct bij aan beantwoording van de centrale vraag)
9. Een student formuleert veel interessante deelvragen, maar niet alle dragen bij aan de centrale
vraag. Wat is de beste methodologische keuze? (Deelvragen schrappen die niet bijdragen aan de
centrale vraag; Relevantie gaat vóór interesse; irrelevante deelvragen verzwakken focus en
haalbaarheid.)
10. Welke onderzoeksopzet is het minst geschikt bij een strak tijdschema en een duidelijke
managementvraag? (Fundamenteel onderzoek, kent vaak een flexibel tijdschema en geen
directe praktijktoepassing.)
11. Een opdrachtgever stuurt sterk op een vooraf gewenste uitkomst. Wat is vanuit onderzoeks-
methodologisch oogpunt de juiste houding van de onderzoeker? (Vasthouden aan een
onderzoekende en open vraagstelling; Onderzoek start zonder vooringenomen uitkomst; anders
komt objectiviteit en validiteit in gevaar.)
12. Welke formulering van een centrale vraag is het meest onderzoekstechnisch sterk? (Welke
factoren spelen een rol bij prestatieproblemen in organisatie X?)
, Hoofdstuk 3:
1. Een student leest meerdere artikelen, vergelijkt uitkomsten en legt verbanden tussen
theorieën in plaats van ze los samen te vatten. Wat is hij hier primair aan het doen?
(Analyseren en synthetiseren; Een kritisch literatuuroverzicht gaat verder dan samenvatten: het
vergelijkt, weegt af en verbindt inzichten (analyse + synthese).)
2. Welke bron is het meest geschikt om de meest recente stand van wetenschappelijke kennis te
achterhalen? (Een peer-reviewed wetenschappelijk artikel; Peer-reviewed artikelen worden
beoordeeld door vakgenoten en bevatten doorgaans actuele onderzoeksresultaten.)
3. Een student gebruikt een dissertatie vooral om te zien welke artikelen eerder onderzoek
hebben beïnvloed. Welk type bron gebruikt hij hier functioneel? (Tertiaire bron; Dissertaties
worden hier gebruikt als wegwijzer naar andere literatuur → tertiaire functie.)
4. Welke activiteit hoort het best bij het plannen van een literatuurstudie? (Het vooraf vastleggen
van trefwoorden en selectiecriteria; Een goede literatuurstudie start met een expliciete
zoekstrategie (trefwoorden, databanken, inclusie/exclusiecriteria).)
5. Wat is het belangrijkste verschil tussen een kritisch literatuuroverzicht en een traditionele
samenvatting? (Een kritisch overzicht beoordeelt sterktes en zwaktes; Kritisch betekent:
afwegen, beargumenteren en positioneren, niet alleen beschrijven.)
6. Waarom is het opnemen van literatuur die je eigen ideeën tegenspreekt methodologisch
belangrijk? (Om bias te verminderen en objectiviteit te vergroten; Selectief citeren vergroot
confirmation bias; tegengestelde literatuur versterkt de wetenschappelijke kwaliteit.)
7. Welke combinatie past het best bij inductief onderzoek? (Waarnemingen → patronen → theorie;
8. Een student merkt dat nieuwgevonden artikelen vooral verwijzen naar bronnen die hij al kent.
Welke conclusie is methodologisch het meest logisch? (Dataverzadiging is waarschijnlijk bereikt;
Herhaling van dezelfde kernbronnen duidt vaak op theoretische verzadiging)
9. Een literatuurstudie bevat alleen recente bronnen (laatste 2 jaar), maar mist klassieke
theorieën. Wat is de beste beoordeling? (Zwak, want onvoldoende historisch perspectief; Zowel
klassieke als recente theorieën zijn nodig om het onderzoeksveld goed te positioneren)
10. Welke aanpak leidt het meest waarschijnlijk tot een zwak theoretisch kader? (Artikelen los na
elkaar bespreken; Een opsomming zonder samenhang toont geen analytisch of synthetiserend
vermogen)
11. Een student baseert zijn theoretisch kader vooral op managementblogs omdat deze
“praktischer” zijn. Wat is de meest terechte kritiek? (De bronnen missen vaak
wetenschappelijke onderbouwing; Blogs kunnen context geven, maar missen vaak
methodologische transparantie en toetsing.)
12. Wat is de sterkste rechtvaardiging om een literatuurstudie expliciet te koppelen aan de
onderzoeksvraag? (Het borgt relevantie en focus, Zonder expliciete koppeling dreigt de
literatuurstudie los te staan van het onderzoek.)