Fysische geografie
Sociale en politieke geografie
Topografie (parate kennis)
Wat is ruimte?
Objectieve ruimte:
- Meetbare ruimte, de kosmos
- Ruimte die we op landkaarten kunnen vastleggen
- Objectiviteit van onze waarneming van ruimte
Subjectieve ruimte:
- Gebied aanduiden dat men beleeft en waardeert (het voelt hier klein,
of groot)
- Relaties tussen mensen bijvoorbeeld gesproken over ‘persoonlijke
ruimte’ en ‘bewegingsvrijheid’
- Beleefde ruimte is primair, kinderen kennen een gevoel van
verbondenheid
Fysieke en psychologische ruimte
Fysieke ruimte = ruimte die je kan waarnemen, waar we ons kunnen
voortbewegen
Pyschologische ruimte = mentaal gegeven, ruimte waarvan we een beeld of
andere voorstelling maken
- Mentale kaart (vaak niet correct of compleet, vaak onvolledig en
vervormd)
o Worden constant bijgewerkt en aangevuld door nieuwe
ervaringen
Kinderen kunnen niet terugvallen op een referentiekader
Taak van de leerkracht: ondersteunen bij het opbouwen en uitbereiden van
een coherente en correcte mentale kaart
Leren denken op verschillende ruimtelijke schaalniveaus
Kleuterjaren: omgeving rondom zichzelf
Lagere schooltijd: gekende omgeving steeds groter, local to global
- Eerste graad = aandacht voor de klas en de school
- Tweede graad = de schoolomgeving, gemeente en de provincies
- Derde graad = belgie, europa, werelddelen verkennen, ruimte rondom
het aardoppervlak
, - Cursorische opbouw maar de opbouw mag in kader van thematisch
werk doorbroken worden (tijdens andere lessen)
Naast feiten ook belangrijk om leerlingen ruimtelijke patronen te leren zien
(bv. Bevolking)
Cruciaal bij het verwerven van inzicht in de previece aard en omvang van tal
van maatschappelijke tendensen en problemen
Geografische of aardrijkskundige benadering is een manier van denken,
ruimtelijke vragen leren stellen en beantwoorden = aardrijkskundig denken
- Waarom daar? Waar? Waar ook? Hoe verandert het? Wat is het effect?
Geen vak waar we gewoon leren over feiten van landen en plaatsen
Om veelheid aan feiten en inzichten een plaats en context te geven, moet je
terug kunnen vallen op een goed ruimtelijk inzicht, een kader om allerlei
informatie aan vast te haken
Referentiekader:
Basiskennis + nieuwe kennis en ervaringen aan vast knopen
Aanvullen, uitdiepen, nuanceren
Inizcht krijgen en verklaren
Groeien tot verantwoordelijke, kritische (wereld)burgers
Kaartvaardigheid
Van wereldbol tot kaart
Kaarten = vereenvoudigde voorstellingen van de werkelijkheid
- Stadsplannetjes
- Metroplan
- Wegenkaarten
Iets wat je moet leren, ruimtelijk inzicht en kaartvaardigheden oefenen op
school
Makkelijkste manier om eenvoudig om de aarde af te beelden is de
wereldbol
Ronde vorm niet handig om raad te plegen -> proberen op papier zetten =
kaarten en atlassen
Punten en lijnen op de aardbol
Om een plaats te bepalen op de kaart/ wereldbol heb je een referentiestelsel
nodig
- Punten en plaatsen worden bepaald door de rotatie
,De halfronden
Punt dat op ziczelf draait = de polen
Bovenaan de noordpool en onderaan de zuidpool
Men richt zich naar de noordpool = het noorden
Richting naar de zuidpool = het zuiden
Richting met het draaien van de aarde mee = het oosten
Tegenovergestelde richting = het westen
Hoofdwindrichtingen
Tussenwindrichtingen
- Noordoost
- Zuidoost
- Zuidwest
- Noordwest
Alle windrichtingen samen vormen de windroos = gebruikt voor navigatie
Parallellen en meridianen
Nauwkeuriger indelen van de aardbol
- Circkels evenwijdig met de evenaar (0 graden)
o Parallel of breedtecirkel
- Oneindig veel kan je er tekenen
- Niet allemaal evenlang
o Evenaar het langst
o Korter naarmate dichter bij de polen
- Onderlinge afstand meet je in graden
o Afstand evenaar en polen = 90 graden
Ten noorden van de evenaar = noorderbreedte
Ten zuiden van de evenaar = zuiderbreedte
Evenaar = nullijn
- Kreeftkeerkring (23,5 graden N)
- Steenbokskeerking (23,5 graden Z)
- Noordpoolcirkel (66,5 graden N)
- Zuidpoolcirkel (66,5 graden Z)
Ook verdeelt in oostelijk en westelijk halfrond
- Lijnen die lopen van noord- naar zuidpool
- Meridiaan of lengtecirkel
- Nulmeridiaan (trekken door Greenwich, in Engeland)
- Alle plaatsen op een lijn hebben op hetzelfde moment middag
, - Ten oosten van de nulmeridiaan
o Oosterlengte
- Ten westen van de nulmeridiaan
o Westerlengte
Aanduiding van het kruispunt van breedte en lengtecirkel noemen we
coördinaten
Situeren = in welke windrichting iets ligt (ligt in het noordoosten van
westvlaanderen)
Lokaliseren = coördinaten geven
Kaartprojecties
Globes zijn exact juist voorgesteld
- Goed voor eerste graad: krijgen ook besef dat de aarde rond is
- Bol met de afbeelding van de aarde of een hemellichaam
- Groote; vorm, afstand tussen landen correct
Kaarten = niet juiste verhouding, lukt niet
- Voorstelling van het aardoppervlak op een plat vlak
- Meerdere kaarten = atlas
3 fundamentele eigenschappen
- Afstandsgetrouwheid
- Oppervlaktegetrouwheid
- Hoekgetrouwheid
Altijd een compromis, elke kaart kan ze niet allemaal hebben