Sociale psychologie
➢ Sociale psychologie is het studiedomein binnen de psychologie dat een antwoord
wil bieden op de vraag hoe individuen reageren in sociale situaties.
➢ Welke invloed heeft de aanwezigheid van anderen op het gedrag van een individu
?
➢ “Je kan niet niet beïnvloed worden” : aanwezigheid van anderen beïnvloedt
denken, gedrag (verbaal/nonverbaal), emoties, motivatie,…
➢ Wij zijn kuddedieren : de mens heeft anderen nodig om te overleven, om zich veilig
te voelen, om taken te verdelen, om ideeën uit te voeren, om bij te leren, om steun
te vinden, om te zorgen en verzorgd te worden…
Studieobject en definitie van de sociale psychologie
Materieel en formeel object
● Materieel object: hoe het gedrag van mensen beïnvloed wordt door het gedrag van
andere mensen
● Beïnvloeding kan zowel bewust en observeerbaar zijn als subtiel en onbewust
● Voorbeeld onbewuste beïnvloeding: een gesprek dat op het moment onbelangrijk
lijkt, maar waarbij je achteraf merkt dat het toch meer impact heeft gehad dan je
dacht
● Formeel object: het zoeken naar wetmatigheden in hoe mensen met elkaar omgaan
Doelen van de sociale psychologie
● Begrijpen: inzicht krijgen in sociaal gedrag
● Verklaren: oorzaak en gevolg onderscheiden
● Voorspellen: wetmatigheden ontdekken in gedrag
● De sociaal psycholoog moet ook empathie kunnen aanwenden om de ander te
begrijpen en zich in te leven pas dan begrijp je echt waarover je spreekt
Conditionering
● Operante conditionering: leren via beloning en straf
○ Voorbeeld: als je spullen leent aan een vriend die ze nooit teruggeeft, zal je in
de toekomst minder snel geneigd zijn om nog dingen te lenen
● Klassieke conditionering: leren om een bestaande reactie te stellen ten aanzien
van een nieuwe prikkel
○ Bekendste voorbeeld: de hond van Pavlov die leerde saliveren bij een geluid
dat normaal geen speekselproductie uitlokt
○ Voorbeeld in sociale psychologie: een persoon die jou vaak gekwetst heeft,
zal je meer en meer vermijden je hebt een verband geleerd tussen die
persoon en een gekwetst gevoel
1
,Verschil met algemene psychologie en sociologie
● Algemene psychologie: bestudeert ook gedragingen buiten de sociale context
(herinneringen, emoties, optische illusies)
● Sociologie: bestudeert het gedrag van groepen en sociale structuren
● Sociale psychologie: bestudeert het gedrag van individuen in sociale relaties
→ De sociale psychologie bevindt zich op het raakvlak tussen beide disciplines en
kan een meerwaarde betekenen voor beide wetenschappen
Definitie van Gordon Allport
● Sociale psychologie tracht te begrijpen, verklaren en voorspellen hoe gedachten,
gevoelens en gedragingen van individuen beïnvloed worden door anderen
● Beïnvloeding kan gebeuren op basis van waargenomen, ingebeelde of impliciete
gedachten en gevoelens van anderen
● Je hoeft het gedrag van een ander dus niet eens te zien om erdoor beïnvloed te
worden veronderstellen is soms voldoende
Het belang van ons sociale leven
● “Into the Wild”, 2007
● Sociale behoeften en huidhonger
● Sociale verbondenheid als basisbehoefte in motivatietheorieën
● Introvert/extravert ?
● Empathie en spiegelneuronen
werkwijze van de sociale psychologie
→ 3 dimensies
1. Breedte-dimensie
● De sociale psychologie moet een zo breed mogelijk onderzoek uitvoeren met een
zo veelzijdig mogelijke theorievorming
● Zo veel mogelijk aspecten onderzoeken: attitudes, waarneming, beïnvloeding,
opvattingen, gedragingen, etc.
● De onderzoeksgroep (steekproef) moet alle lagen van de bevolking representeren:
alle leeftijden, niveaus, geslachten, etc.
● Een steekproef is altijd slechts een schatting van de werkelijkheid → de ideale
steekproef zou gelijk zijn aan de gehele populatie
Problemen met de steekproef:
● Vaak worden goedkope of onbetaalde proefpersonen gebruikt (bijv. studenten) →
niet representatief voor de gehele bevolking
● Deelnemers zijn vaak niet gemotiveerd → gebrek aan inzet of zelfs tegenwerking
van het onderzoek
2
, ● Conclusies trekken naar andere culturen of landen is moeilijk wanneer de steekproef
voornamelijk uit autochtonen bestaat
2. Diepte-dimensie
● Wil doordringen tot het diepste van de mens, onder de oppervlakte of onder het
gedrag kijken
● We willen de sociale geaardheid van de mens beschouwen en verschijnselen en
wetmatigheden verklaren en begrijpen
● Neobehavioristen noemen dit de black box: hypothetische constructen die we niet
kunnen zien maar wel veronderstellen
● Wanneer deze constructen bepaalde fenomenen kunnen verklaren, kunnen we vrij
zeker zijn van hun bestaan
● De diepte-dimensie omvat ook onbewuste inhouden en dynamieken
● De dieptepsychologie van Sigmund Freud plaatst onbewuste processen centraal
en probeert ook sociale gedragingen vanuit deze onbewuste dimensies te begrijpen
3. Hoogte-dimensie
● Een theorie moet steen voor steen, bevinding op bevinding opgebouwd worden
● De basis wordt gevormd door empirische bevindingen die de theorie ondersteunen
● Men werkt hypothetisch-deductief: vanuit een theorie evidentie zoeken in de
empirie (experimenten)
● Hoe langer een theorie standhoudt onder empirische toetsing, hoe geloofwaardiger
ze wordt
Het falsificatiebeginsel van Karl Popper:
● Je kan slechts zeker zijn van je theorie wanneer ze fout blijkt te zijn
● Metafoor van de zwarte zwaan: ook al zie je duizenden witte zwanen, je kan nooit
zeker zijn dat alle zwanen wit zijn pas wanneer je één zwarte zwaan vindt, weet je
dat je hypothese fout was
● Wetenschap moet dus op zoek gaan naar de zwarte zwaan in een hypothese →
theorie bijsturen of een nieuwe theorie ontwikkelen
Probleem van de hoogte-dimensie:
● Overdaad aan theorieën: wanneer theorieën op elkaar gestapeld worden, kunnen
ze elkaar tegenspreken, aanvullen of beconcurreren → het geheel wordt
onoverzichtelijk en niet meer controleerbaar
● Wanneer een theorie niet klopt, komt de hele theorie met al haar gevolgen en
afgeleide theorieën op de helling te staan
3
, Het experiment als methode
Wat is een experiment?
● De methode bij uitstek in de sociale psychologie
● Doel: causale wetmatigheden zoeken en verklaren
● Vormt een stevige basis voor theorievorming
● Is een positief-wetenschappelijke benadering
Belangrijke begrippen
● Socius: de ander in de sociale situatie, iemand die deelneemt aan het experiment
● Rolspeler/pseudoproefpersoon: doet alsof hij een echte deelnemer is, maar zit in
het complot met de proefleider
● Naïeve proefpersoon: de echte proefpersoon die van niets weet en op wie de
meting wordt uitgevoerd
● Experimentele conditie: situatie waarin proefpersonen een bepaalde manipulatie
ondergaan
● Controleconditie: een 'nulmeting' om het gedrag zonder experimentele manipulatie
te meten
● Jukconditie: twee proefpersonen ondergaan exact dezelfde onaangename prikkel,
maar slechts één heeft controle over die prikkel
Voordelen van het experiment
● Onderzoeker kan tot ontegensprekelijke conclusies komen via cijfermateriaal
● Conclusies zijn meetbaar en herhaalbaar
● Maakt statistische bepalingen en correcties mogelijk
● Via een labosituatie kunnen alle onafhankelijke variabelen en storende factoren
onder controle gehouden worden:
○ Onafhankelijke variabele: de verandering die de onderzoeker aanbrengt
○ Afhankelijke variabele: de factor die wijzigt door de onafhankelijke
variabelen (doorgaans het gedrag)
○ Storende factoren: omgevingssituaties of persoonseigenschappen die het
resultaat kunnen vertekenen
Nadelen van het experiment
● Moeilijk praktisch uitvoerbaar: storende factoren volledig bedwingen is zeer
omslachtig
● Deontologie: sommige experimenten zijn onaangenaam of belastend voor
proefpersonen → ethische bezwaren
● Reactief gedrag: wanneer proefpersonen weten dat ze in een experiment zitten,
gaan ze zich anders gedragen
● Demand characteristics: proefpersonen gedragen zich zoals ze verwachten dat de
proefleider wil zien → vertekening van de meting
● Proefleidereffecten: de proefleider heeft eigen verwachtingen die de resultaten
onbewust kunnen beïnvloeden → selffulfilling prophecy
● Gebrek aan ecologische validiteit: zodra storende factoren onder controle worden
gehouden, verschilt de situatie van de natuurlijke werkelijkheid
4