ORIËNTATIE OP DE
WERELD 2 (NATUUR)
David Vander Haeghen
2025-2026
VERKORT TRAJECT LAGER ONDERWIJS
, HOOFDSTUK 1: SYSTEMATIEK
1.1 TAXONOMIE, FYLOGENIE EN SYSTEMATIEK
De taxonomie en de fylogenie vormen samen de systematiek
Systematiek = dat is de methode om soorten op basis van kenmerken te
rangschikken en in te delen op basis van hun verwantschap, geeft dus
inzicht in de evolutionaire geschiedenis van het leven op aarde
Taxonomie = is de tak binnen de wetenschap die zich bezighoudt met het
vinden, beschrijven, tekenen, benoemen en indelen van organismen
Fylogenie = de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoeken van
de ontstaansgeschiedenis van een groep organismen
Cladogram of afstammingsschema = het model die de afstamming
schematisch weergeeft
Hoe gaan we organismen indelen of classificeren?
Classificeren = betekent dus grenzen trekken tussen verschillende groepen
Sinds de evolutietheorie van Darwin zijn ze tot het besluit gekomen dat het
belangrijk is dat je kunt afleiden welke soorten sterk verwant zijn, met
andere woorden dat de indeling de evolutionaire verwantschap tussen de
organismen weerspiegelt
De basiseenheid in een taxonomische opdeling is een soort (species) (=
een groep van organismen die zich onder natuurlijk omstandigheden (dus
zonder ingrijpen van de mens) onderling kunnen voortplanten en waarvan
de nakomelingen ook kunnen voortplanten
Als je een soort taxonomisch wil indelen, dan gebruiken we de
hiërarchische indeling met elk zijn eigen voorvoegsel: rijk, afdeling, klasse,
orde, familie, geslacht, soort
1.2 WETENSCHAPPELIJKE NAAMGEVING
Nomenclatuur = is het systeem van wetenschappelijke naamgeving dat wordt
toegepast op organismen
Legt een aantal regels op bij de naamgeving:
De soortnaam is meestal tweedelig en bestaat uit Latijnse of
gelatiniseerde woorden
Het eerste deel is de geslachtsnaam (genus) Vb: homo
Het tweede deel is specifiek voor elke soort Vb: sapiens of habilis
1.3 OP ZOEK NAAR EEN DIER, PLANT OF SCHIMMEL?
Dankzij de systematiek en een determineertabel kun je gemakkelijk de
soort op naam brengen
Voor elke groep van dieren, planten en schimmels bestaan
determineertabellen
1
,1.4 WAT IS LEVEN?
Kenmerken van levende wezens:
Ze kunnen gassen uitwisselen met de omgeving
Zich voeden
Afvalstoffen uitscheiden
Bewegen
Groeien
Waarnemen
Zich zelfstandig voortplanten
Evolutie vertonen
VIRUSSEN:
Ze voeden zich niet, ademen niet, scheiden geen afvalstoffen uit en
groeien niet
Ze infecteren cellen van levende wezens en maken nieuwe virussen door
gebruik te maken van de onderdelen van de cellen van deze levende
wezens
Virussen zijn een hoeveelheid erfelijk materiaal (RNA of DNA) in een
omhulsel van eiwit
Ze kunnen ons sterk ziek maken
Virusinfectie:
Het virus hecht zich vast aan een levende cel met de
hechtharen
Het erfelijk materiaal wordt in de cel ingespoten
Daar zal het genetisch materiaal van het virus zich
kopiëren dankzij de celstructuren van de levende cel
Er worden ook eiwitmantels gevormd en binnen het halfuur
kunnen zo’n tweehonderdtal nieuwe en complete virussen
ontstaan, die uit de cel vrijkomen
Op die manier kan de infectie zeer snel verlopen
1.5 ZES RIJKEN – WOESE (1977)
Om alle levende wezens op aarde in te delen in grote groepen heeft men
zich vooral gebaseerd op:
De aanwezigheid van een celkern
Een eencellige of meercellige bouw
De manier van voeden
De onderverdeling van alle levende wezens wordt gedaan aan de hand van
domeinen en rijken
Een domein is de hoogste taxonomische rang, daarop volgen de
rijken
Afhankelijk van het gebruikte systeem spreekt men van twee of drie
domeinen en drie tot zes rijken
2
, We gebruiken het systeem van Woese (1977), hij onderscheidde zes
rijken
Kernmembraan:
Archaea en Bacteria zijn eencellige organismen die geen kernmembraan
hebben en dus geen celkern hebben, bij deze organismen ligt het
genetische materiaal (chromosoom) vrij in de cel
De eukaryoten zijn organismen met een kernmembraan en een celkern,
het genetische materiaal (DN1) ligt in deze celkern opgeslagen
Voedingswijze:
Autotrofen = zijn organismen die uit een anorganische koolstofbron zelf hun
eigen voedsel
Heterotrofen = voeden zich met door andere organismen opgebouwde
voedingsstoffen (suikers), ze maken zelf geen suikers aan
Archaea, bacteriën en protisten kunnen autostroof of heterotroof zijn
Planten zijn bijna allemaal autostroof
Dieren en schimmels zijn heterotroof
Celwand:
Bacteriën hebben steeds een celwand
Archaea meestal maar niet altijd
Cellen van planten en schimmels hebben ook
altijd een celwand
Bij dierlijke organismen ontbreekt de celwand
Bouw:
Archaea en bacteriën zijn steeds eencellig (= ze zijn maar één cel groot)
Protisten en schimmels kunnen eencellig of meercellig zijn
Planten en dieren zijn altijd meercellig
3
WERELD 2 (NATUUR)
David Vander Haeghen
2025-2026
VERKORT TRAJECT LAGER ONDERWIJS
, HOOFDSTUK 1: SYSTEMATIEK
1.1 TAXONOMIE, FYLOGENIE EN SYSTEMATIEK
De taxonomie en de fylogenie vormen samen de systematiek
Systematiek = dat is de methode om soorten op basis van kenmerken te
rangschikken en in te delen op basis van hun verwantschap, geeft dus
inzicht in de evolutionaire geschiedenis van het leven op aarde
Taxonomie = is de tak binnen de wetenschap die zich bezighoudt met het
vinden, beschrijven, tekenen, benoemen en indelen van organismen
Fylogenie = de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoeken van
de ontstaansgeschiedenis van een groep organismen
Cladogram of afstammingsschema = het model die de afstamming
schematisch weergeeft
Hoe gaan we organismen indelen of classificeren?
Classificeren = betekent dus grenzen trekken tussen verschillende groepen
Sinds de evolutietheorie van Darwin zijn ze tot het besluit gekomen dat het
belangrijk is dat je kunt afleiden welke soorten sterk verwant zijn, met
andere woorden dat de indeling de evolutionaire verwantschap tussen de
organismen weerspiegelt
De basiseenheid in een taxonomische opdeling is een soort (species) (=
een groep van organismen die zich onder natuurlijk omstandigheden (dus
zonder ingrijpen van de mens) onderling kunnen voortplanten en waarvan
de nakomelingen ook kunnen voortplanten
Als je een soort taxonomisch wil indelen, dan gebruiken we de
hiërarchische indeling met elk zijn eigen voorvoegsel: rijk, afdeling, klasse,
orde, familie, geslacht, soort
1.2 WETENSCHAPPELIJKE NAAMGEVING
Nomenclatuur = is het systeem van wetenschappelijke naamgeving dat wordt
toegepast op organismen
Legt een aantal regels op bij de naamgeving:
De soortnaam is meestal tweedelig en bestaat uit Latijnse of
gelatiniseerde woorden
Het eerste deel is de geslachtsnaam (genus) Vb: homo
Het tweede deel is specifiek voor elke soort Vb: sapiens of habilis
1.3 OP ZOEK NAAR EEN DIER, PLANT OF SCHIMMEL?
Dankzij de systematiek en een determineertabel kun je gemakkelijk de
soort op naam brengen
Voor elke groep van dieren, planten en schimmels bestaan
determineertabellen
1
,1.4 WAT IS LEVEN?
Kenmerken van levende wezens:
Ze kunnen gassen uitwisselen met de omgeving
Zich voeden
Afvalstoffen uitscheiden
Bewegen
Groeien
Waarnemen
Zich zelfstandig voortplanten
Evolutie vertonen
VIRUSSEN:
Ze voeden zich niet, ademen niet, scheiden geen afvalstoffen uit en
groeien niet
Ze infecteren cellen van levende wezens en maken nieuwe virussen door
gebruik te maken van de onderdelen van de cellen van deze levende
wezens
Virussen zijn een hoeveelheid erfelijk materiaal (RNA of DNA) in een
omhulsel van eiwit
Ze kunnen ons sterk ziek maken
Virusinfectie:
Het virus hecht zich vast aan een levende cel met de
hechtharen
Het erfelijk materiaal wordt in de cel ingespoten
Daar zal het genetisch materiaal van het virus zich
kopiëren dankzij de celstructuren van de levende cel
Er worden ook eiwitmantels gevormd en binnen het halfuur
kunnen zo’n tweehonderdtal nieuwe en complete virussen
ontstaan, die uit de cel vrijkomen
Op die manier kan de infectie zeer snel verlopen
1.5 ZES RIJKEN – WOESE (1977)
Om alle levende wezens op aarde in te delen in grote groepen heeft men
zich vooral gebaseerd op:
De aanwezigheid van een celkern
Een eencellige of meercellige bouw
De manier van voeden
De onderverdeling van alle levende wezens wordt gedaan aan de hand van
domeinen en rijken
Een domein is de hoogste taxonomische rang, daarop volgen de
rijken
Afhankelijk van het gebruikte systeem spreekt men van twee of drie
domeinen en drie tot zes rijken
2
, We gebruiken het systeem van Woese (1977), hij onderscheidde zes
rijken
Kernmembraan:
Archaea en Bacteria zijn eencellige organismen die geen kernmembraan
hebben en dus geen celkern hebben, bij deze organismen ligt het
genetische materiaal (chromosoom) vrij in de cel
De eukaryoten zijn organismen met een kernmembraan en een celkern,
het genetische materiaal (DN1) ligt in deze celkern opgeslagen
Voedingswijze:
Autotrofen = zijn organismen die uit een anorganische koolstofbron zelf hun
eigen voedsel
Heterotrofen = voeden zich met door andere organismen opgebouwde
voedingsstoffen (suikers), ze maken zelf geen suikers aan
Archaea, bacteriën en protisten kunnen autostroof of heterotroof zijn
Planten zijn bijna allemaal autostroof
Dieren en schimmels zijn heterotroof
Celwand:
Bacteriën hebben steeds een celwand
Archaea meestal maar niet altijd
Cellen van planten en schimmels hebben ook
altijd een celwand
Bij dierlijke organismen ontbreekt de celwand
Bouw:
Archaea en bacteriën zijn steeds eencellig (= ze zijn maar één cel groot)
Protisten en schimmels kunnen eencellig of meercellig zijn
Planten en dieren zijn altijd meercellig
3