CELBIOLOGIE
1
,H1: DE CHEMIE VAN DE CEL
1. DE CHEMISCHE SAMENSTELLING VAN CELLEN: ALGEMEEN
1.1 HET BELANG VAN 𝐻2 𝑂
- 3/4de cel
- Unieke chemische structuur
- Ongeladen, POLAIR
- H-bruggen:
o Cohesie (samenhang)
o Oppervlaktespanning
o Hoog kookpunt
o Hoge specifieke warmte (= veel warmte absorberen zonder dat temperatuur
stijgt)
- Goed solvent = oplosmiddel voor polaire molecuren
o HYDROFIEL → HYDROFOOB (vb. vetten)
o Hydratatie = oplossen door water (deeltjes omringd door water)
o Amfipathisch = stoffen zowel polair als apolair
1.2 HET BELANG VAN KOOLSTOF (C)
Valentie van 4
Cellulaire pH (~7) → organische verbindingen krijgen lading
ZUREN: stof dat p+ afgeven
(negatief geladen)
BASEN: stof dat p+ opnemen
(positief geladen)
1.3 HET BELANG VAN SELECTIEF PERMEABELE MEMBRAAN
Cel = entiteit (zelfstandig bestaan) → selectieve barrière nodig
- Deels apolair (lipiden): water-onoplosbaar = hydrofoob
- Bevatten andere macromoleculen (eiwitten: zorgen voor selectief) → communicatie en
uitwisseling
2
,1.4 HET BELANG VAN GROTE BIOMOLECULEN
= polymeren = lange keten van dezelfde bouwstenen (uit eenvoudige anorganische stoffen)
Links = anorganisch
Midden = bouwstenen
Rechts = biomoleculen
Bouwstenen aan elkaar zetten met ATP
1. Activatie monomeer (=koppeling aan carrier)
2. Condensatie (=binding van geactiveerde monomeren: dimeer)
3. Polymerisatie (=elongatie (verlenging) van keten door herhaling)
1.5 HET BELANG VAN ZELF-ASSEMBLAGE
- Intrinsiek proces (gebeurt vanzelf)
- 3D-opvouwing
- Verschillende moleculen → supramoleculaire structuren
- X → organellen + sub cellulaire structuren
- X → cel
- Gebeurt hiërarchisch (in stapjes)
➔ Gedreven door niet-covalente interacties
o H-bruggen
o Ionische bruggen
o Van der Waals interacties (= tussen 2 polaire moleculen)
o Hydrofobe interacties
2. DE BELANGRIJKSTE MACROMOLECULEN: OPBOUW EN STRUCTUUR
2.1 EIWITTEN OF PROTEÏNEN
- Meest abundant (alles doen)
- Verschillende functies: mono- vs multifunctioneel
o Structuureiwitten: geven steun en structuur aan cel en haar organellen
o Enzymen: katalysatoren (versnellen reacties)
o Bewegingseiwitten: voortbewegen / contractie / buiten cel
o Transporteiwitten: binnen cel
3
, o Beschermingseiwitten: vb. antilichamen in bloed (tegen ziekte of infectie)
o Regeleiwitten: controleren en coördineren noodzakelijke functies
o Hormonen: signalerende functie (communicatie tussen cellen)
o Receptoren: opvangen + doorgeven signalen
o Opslageiwitten
- Bouwstenen = AMINOZUREN
AMINOZUREN
Links = L-aminozuur = altijd menselijke cellen
Rechts = D-aminozuur
Carboxylgroep: zuur (negatief geladen)
Aminogroep: 𝑁𝐻3 (positief geladen 𝑁𝐻2)
Asymmetrisch: 2 verschillende stoffen
Verschillende R-groepen
Geel = R-groep
Hydrofoob
(niet vanbuiten kennen)
4
1
,H1: DE CHEMIE VAN DE CEL
1. DE CHEMISCHE SAMENSTELLING VAN CELLEN: ALGEMEEN
1.1 HET BELANG VAN 𝐻2 𝑂
- 3/4de cel
- Unieke chemische structuur
- Ongeladen, POLAIR
- H-bruggen:
o Cohesie (samenhang)
o Oppervlaktespanning
o Hoog kookpunt
o Hoge specifieke warmte (= veel warmte absorberen zonder dat temperatuur
stijgt)
- Goed solvent = oplosmiddel voor polaire molecuren
o HYDROFIEL → HYDROFOOB (vb. vetten)
o Hydratatie = oplossen door water (deeltjes omringd door water)
o Amfipathisch = stoffen zowel polair als apolair
1.2 HET BELANG VAN KOOLSTOF (C)
Valentie van 4
Cellulaire pH (~7) → organische verbindingen krijgen lading
ZUREN: stof dat p+ afgeven
(negatief geladen)
BASEN: stof dat p+ opnemen
(positief geladen)
1.3 HET BELANG VAN SELECTIEF PERMEABELE MEMBRAAN
Cel = entiteit (zelfstandig bestaan) → selectieve barrière nodig
- Deels apolair (lipiden): water-onoplosbaar = hydrofoob
- Bevatten andere macromoleculen (eiwitten: zorgen voor selectief) → communicatie en
uitwisseling
2
,1.4 HET BELANG VAN GROTE BIOMOLECULEN
= polymeren = lange keten van dezelfde bouwstenen (uit eenvoudige anorganische stoffen)
Links = anorganisch
Midden = bouwstenen
Rechts = biomoleculen
Bouwstenen aan elkaar zetten met ATP
1. Activatie monomeer (=koppeling aan carrier)
2. Condensatie (=binding van geactiveerde monomeren: dimeer)
3. Polymerisatie (=elongatie (verlenging) van keten door herhaling)
1.5 HET BELANG VAN ZELF-ASSEMBLAGE
- Intrinsiek proces (gebeurt vanzelf)
- 3D-opvouwing
- Verschillende moleculen → supramoleculaire structuren
- X → organellen + sub cellulaire structuren
- X → cel
- Gebeurt hiërarchisch (in stapjes)
➔ Gedreven door niet-covalente interacties
o H-bruggen
o Ionische bruggen
o Van der Waals interacties (= tussen 2 polaire moleculen)
o Hydrofobe interacties
2. DE BELANGRIJKSTE MACROMOLECULEN: OPBOUW EN STRUCTUUR
2.1 EIWITTEN OF PROTEÏNEN
- Meest abundant (alles doen)
- Verschillende functies: mono- vs multifunctioneel
o Structuureiwitten: geven steun en structuur aan cel en haar organellen
o Enzymen: katalysatoren (versnellen reacties)
o Bewegingseiwitten: voortbewegen / contractie / buiten cel
o Transporteiwitten: binnen cel
3
, o Beschermingseiwitten: vb. antilichamen in bloed (tegen ziekte of infectie)
o Regeleiwitten: controleren en coördineren noodzakelijke functies
o Hormonen: signalerende functie (communicatie tussen cellen)
o Receptoren: opvangen + doorgeven signalen
o Opslageiwitten
- Bouwstenen = AMINOZUREN
AMINOZUREN
Links = L-aminozuur = altijd menselijke cellen
Rechts = D-aminozuur
Carboxylgroep: zuur (negatief geladen)
Aminogroep: 𝑁𝐻3 (positief geladen 𝑁𝐻2)
Asymmetrisch: 2 verschillende stoffen
Verschillende R-groepen
Geel = R-groep
Hydrofoob
(niet vanbuiten kennen)
4