VEERMAN - HOOFDSTUK 1
INLEIDING
Het wordt steeds belangrijker dat interventies effectief zijn, ook in de jeugdzorg. Alle belanghebbers willen dat
psychosociale problemen van kinderen en jongeren de best mogelijke behandeling krijgen. In de nota Jeugd Terecht
van het Ministerie van Justitie valt te lezen dat het ministerie van plan is om in de toekomst alleen nog maar
effectieve of veelbelovende interventies te subsidiëren. Er is ook een erkenningscommissie opgericht, die gaat
beoordelen welke gedragsinterventies mogelijk effectief kunnen zijn. Het inzetten van evidence-based
behandelingen is hierbij het uitgangspunt. De kwaliteit van behandelingen moet ook blijken uit onder meer
wetenschappelijk verantwoord effectonderzoek. De belangrijkste vraag is nu wat men eigenlijk verstaat onder
effectiviteit en hoe deze aangetoond kan worden. Vanuit een praktijkperspectief betekent een effectieve interventie
dat gestelde doelen worden gerealiseerd en dat cliënten tevreden zijn. Vanuit een strikt wetenschappelijk
perspectief is een interventie pas effectief als is aangetoond dat er geen andere factoren in het spel zijn die het
effect ook hadden kunnen veroorzaken. In een ideaal effectonderzoek krijgt een experimentele groep de interventie,
waarvan het effect wordt onderzocht en krijgt een controlegroep geen interventie, een placebo-interventie of een
alternatieve interventie. Ook is het gewenst dat cliënten willekeurig worden toegewezen aan de experimentele of
de controlegroep. De interventie zelf moet helder omschreven zijn en bij voorkeur staat het ook vast wat bij welke
sessies zal gebeuren. Ook moet het duidelijk zijn voor wie de interventie geschikt is en voor wie niet. Ten slotte
wordt het effect bepaald aan de hand van het verschil tussen de experimentele en de controlegroep aan het eind
van de interventie.
WAT WETEN WE UIT EFFECTONDERZOEK ?
De onderzoeken die zijn uitgevoerd binnen de jeugdzorg tonen aan dat deze interventies gemiddeld genomen
effectief zijn. Er worden middelgrote tot grote effecten gevonden, wat vergelijkbaar is met interventies voor
soortgelijke problemen bij volwassenen. Dit lijkt goed nieuws, omdat er dus meerdere effectieve interventies zijn
waar behandelaars uit kunnen kiezen. Echter zijn er een viertal kanttekeningen.
- Het aantal experimenteel onderzochte interventies is maar een klein gedeelte van wat er gewoonlijk wordt
aangeboden
- Het aantal interventies dat is onderzocht bestaat voor het grootste deel uit interventies die in de praktijk
nauwelijks voorkomen
- De weinige wel in de praktijk uitgevoerde onderzoeken hebben maar een klein effect
- Veel interventies zijn in de praktijk nog niet expliciet genoeg om aan een goed effectonderzoek te
onderwerpen
HOE VERDER?
Er zijn twee manieren om meer kennis over de effecten van jeugdzorg te krijgen.
- Men kan top down interventies implementeren waarvan het effect met behulp van onderzoek is bewezen.
Dit helpt voor punt 2, wat ging over dat interventies die aangetoond effectief zijn nog niet veel in de praktijk
worden toegepast.
- Men kan bottom up onderzoek doen naar interventies die in de praktijk worden uitgevoerd.
Volgens de literatuur wordt de eerste manier aanbevolen. Dit houdt in dat men eerst op kleine schaal experimenteel
onderzoek uitvoert en daarna op grotere schaal de interventies in de praktijk implementeert. Dit is een
methodegestuurde benadering, waarbij de eisen van effectonderzoek vooraan staan. Het idee hierbij is dat er
maximale zekerheid ontstaat over de effectiviteit van interventies. Zo informeert de wetenschap de praktijk over de
beste interventies en het onderzoek draagt ook bij aan het ontwikkelen van evidence-based practice. De tweede
manier is veel minder uitgewerkt en is meer een vorm van practice-based evidence, waarbij de definitie van het
effect minder eenduidig is als men zou willen. Dat is dus een nadeel van deze manier. Echter is deze manier wel
sneller dan de eerste. In dit boek wordt vooral de tweede manier behandeld en dit wordt praktijkgestuurd
effectonderzoek genoemd.
1
, Literatuur behandeling – Week 3
OP WEG MET PRAKTIJK GESTUURD EFFECTONDERZOEK
De definitie van praktijkgestuurd effectonderzoek verwijst naar onderzoek waarin onderzoekers en
behandelingsfunctionarissen gezamenlijk optrekken met het doel informatie te verzamelen waarmee het effect van
het praktisch handelen van een individuele behandelingsfunctionaris, een groep van behandelingsfunctionarissen,
een instelling of groep van instellingen nader verhelderd en getoetst wordt, waardoor vervolgens het werk van de
betrokken behandelfunctionarissen of instellingen verbetert en tevens ten opzichte van buitenstaanders
gelegitimeerd kan worden. Er zijn drie kenmerken die belangrijk zijn:
Aansluiting. Dit houdt in dat onderzoek naar het effect van interventies aan moet sluiten bij het
ontwikkelingsniveau van die interventies. Het ontwikkelingsniveau wordt aangeduid door de mate waarin de
te onderzoeken interventie onderbouwd is. Het heeft namelijk geen nut om onderzoek te doen naar
interventies die niet voldoende onderbouwd zijn.
Inbedding. Onderzoek naar het effect van interventies dient ingebed te zijn in de uitvoering van de
interventie. Dit houdt in dat het gebruik van onderzoeksinstrumenten onderdeel is van het hulpverlenend
handelen en dat deze instrumenten passen bij de interventie. Er moet dus sprake zijn van
operationaliseringen van concepten die men op de werkvloer hanteert.
Benutting. De verzamelde gegevens met betrekking tot effectonderzoek moeten worden benut. Deze
benutting begint bij het primaire proces, bij individuele diagnostiek en behandelingsplanning en evaluatie
van de voortgang. Van daaruit kunnen deze gegevens op hogere niveaus worden geanalyseerd en kan er
bepaald worden wat de zicht is van een interventie, van een team, van een unit, een instelling, enzovoorts.
Zo wordt onderzoek opgenomen in een cyclus dat gericht is o praktijkverbetering. Deze drie kenmerken zijn
de werkzame principes van praktijkgestuurd effectonderzoek.
CONTOUREN VAN EEN PRAKTIJK GESTUURD ONDERZOEKSPROGRAMMA
Praktijkgestuurd effectonderzoek gaat niet uit van één ideaalmodel. Het kan verschillende vormen aannemen en
elke vorm kan bijdragen aan de ontwikkeling van kennis over de effectiviteit van de jeugdzorg. Wel is er een verschil
in bewijskracht en bieden sommige onderzoeken meer zekerheid. Er zijn vier verschillende niveaus van zekerheid te
onderscheiden.
NIVEAU 1: SPECIFICEREN ONDERDELEN INTERVENTIE
Op dit niveau is vooral de aard van de interventie belangrijk. De aandacht gaat hierbij uit naar het doel van de
interventie, de doelgroep van de interventie, die aanpak en de randvoorwaarden.
NIVEAU 2: THEORETISCH ONDERBOUWEN VAN DE WERKING VAN DE INTERVENTIE
In niveau 2 is het belangrijk dat behandelaars van elke interventie die ze bieden aannemelijk maken dat deze werkt.
Zo kan men zich afvragen hoe, door het inzetten van de interventie, de gewenste uitkomsten bij de beoogde
doelgroep wordt bereikt, welke rol de algemeen werkzame ingrediënten om de doelen te bereiken spelen en welke
specifieke werkzame ingrediënten de interventie hieraan toevoegt. Op deze manier wordt een interven tietheorie
opgesteld wat niet zozeer wetenschappelijk is, maar zowel praktijkervaringen als wetenschappelijke bevindingen
integreert.
NIVEAU 3: HET AANTONEN VAN GEWENSTE VERANDERINGEN BIJ EEN INTERVENTIE
Een goede omschrijving zoals in Niveau 1 en een onderbouwing zoals in Niveau 2 tonen het wat en waarom van een
interventie aan. Als men heeft voldaan aan Niveau 1 en Niveau 2, dan is de bewijsvoering van een effectieve
interventie weer een stapje verder gebracht. Echter moet er gemeten kunnen worden. Dit gebeurt op het derde
niveau, waar er wordt bekeken of de interventie wordt uitgevoerd zoals bedoeld, of de gewenste uitkomsten ook
behaald worden en of de beoogde doelgroep bereikt wordt. Op dit niveau is de praktijk dus een soort
meetlaboratorium. Om te kunnen meten, moet men bedenken welke kenmerken van de doelgroep, de interventies
en de uitkomsten gemeten moeten worden en met welke instrumenten. Hierbij is vooral ook de interventietheorie
belangrijk, want deze geeft aan welk concepten zijn gebruikt. Zo weet men wat er gemeten moet worden.
2