,20 open vragen (gemiddeld)......................................................................................................3
Hoofdstuk 1 – Grondbeginselen van het materiële strafrecht...............................................3
Hoofdstuk 2 – Strafbaarheid en delictsomschrijving.............................................................3
Hoofdstuk 3 – Wederrechtelijkheid en schulduitsluitingsgronden........................................4
Hoofdstuk 4 – Poging, deelneming en strafrechtelijke aansprakelijkheid.............................4
20 meerkeuze (lastig).................................................................................................................6
Hoofdstuk 5 – Poging, voorbereiding en vrijwillige terugtred...............................................6
Hoofdstuk 6 – Deelneming en medeplegen...........................................................................6
Hoofdstuk 7 – Opzet, schuld en causaliteit............................................................................7
Hoofdstuk 8 – Samenloop, strafbaarheid en strafrechtelijke aansprakelijkheid...................8
20 fill in the blank (moeilijk).....................................................................................................11
Hoofdstuk 9 – Opzet, culpa en bewijs van subjectieve bestanddelen.................................11
Hoofdstuk 10 – Wederrechtelijkheid, rechtvaardiging en verontschuldiging......................12
Hoofdstuk 11 – Overmacht, ontoerekenbaarheid en AVAS.................................................12
Hoofdstuk 12 – Causaliteit, samenloop en kwalificatie.......................................................13
15 casusvragen (zeer moeilijk).................................................................................................14
Hoofdstuk 13 – Dwaling, causaliteitsvarianten en delictsomschrijving...............................14
Hoofdstuk 14 – Daderschap en functionele verantwoordelijkheid.....................................15
Hoofdstuk 15 – Overtredingen, misdrijven en strafbaarheidsvoorwaarden.......................15
Hoofdstuk 16 – Legaliteit, interpretatie en strafrechtelijke kwalificatie..............................16
10 Rangschikvragen..................................................................................................................18
Hoofdstuk 17 – Rangschikken: leerstukken van strafbaarheid............................................18
Hoofdstuk 18 – Rangschikken: deelneming en daderschap.................................................19
Hoofdstuk 19 – Rangschikken: strafuitsluitingsgronden en verwijtbaarheid......................19
Hoofdstuk 20 – Rangschikken: causaliteit en samenloop....................................................20
15 Diagnostische beslisvragen (flowchart/redeneren)............................................................22
Hoofdstuk 21 – Diagnostische beslisvragen: toepasselijkheid van het strafrecht...............22
Hoofdstuk 22 – Diagnostische beslisvragen: territorialiteit en toepassingsbereik..............23
Hoofdstuk 23 – Diagnostische beslisvragen: wettelijke interpretatie en kwalificatie..........24
Hoofdstuk 24 – Diagnostische beslisvragen: strafrechtelijke aansprakelijkheid en
bijzondere constructies........................................................................................................24
,10 Foutdetectievragen.............................................................................................................28
Hoofdstuk 25 – Foutdetectie: algemene leerstukken..........................................................28
Hoofdstuk 26 – Foutdetectie: poging en deelneming..........................................................29
Hoofdstuk 27 – Foutdetectie: causaliteit en daderschap.....................................................29
Hoofdstuk 28 – Foutdetectie: legaliteit en strafrechtelijke kwalificatie...............................30
20 Argumentatievragen............................................................................................................32
Hoofdstuk 29 – Argumentatievragen: delictsstructuur en normtypen................................32
Hoofdstuk 30 – Argumentatievragen: opzet, schuld en bijzondere omstandigheden.........33
Hoofdstuk 31 – Argumentatievragen: delictsvormen en strafbaarheid...............................33
Hoofdstuk 32 – Argumentatievragen: deelneming, daderschap en samenloop.................34
Beslisbomen.............................................................................................................................37
Beslisboom: Is de gedraging strafbaar?...............................................................................37
Beslisboom: Bestanddeel of element?.................................................................................38
Beslisboom: Zijn alle bestanddelen vervuld?.......................................................................38
Beslisboom: Wederrechtelijkheid aanwezig?......................................................................38
Beslisboom: Verwijtbaarheid aanwezig?.............................................................................38
Beslisboom: Complete tentamenanalyse.................................................................................52
Alle antwoorden met uitleg apart einde – met nadruk op nieuwste wet/regelgeving en jurisprudentie 2026
Ps ik heb bij beslisbomen alleen de eerste 5 in de inhoudsopgave gezet, het zijn er 80 meest voorkomende.
Anders wordt het zo lang
20 open vragen (gemiddeld)
Hoofdstuk 1 – Grondbeginselen van het materiële strafrecht
1. Wat wordt verstaan onder materieel strafrecht en waarin verschilt dit van formeel strafrecht?
2. Wat houdt het legaliteitsbeginsel in en welke eisen vloeien hieruit voort voor de strafbaarstelling?
3. Waarom is het verbod van terugwerkende kracht een belangrijk onderdeel van het strafrechtelijke
legaliteitsbeginsel?
4. Wat is het verschil tussen analoge toepassing en interpretatie van een strafbepaling?
5. Welke betekenis heeft het lex-certa-beginsel voor de formulering van strafbepalingen?
Hoofdstuk 2 – Strafbaarheid en delictsomschrijving
6. Wat is het verschil tussen een delictsomschrijving en de wettelijke strafbaarstelling?
, 7. Leg uit wat wordt bedoeld met bestanddelen en elementen van een strafbaar feit.
8. Waarom moeten alle bestanddelen van een delictsomschrijving worden bewezen voordat tot
bewezenverklaring kan worden gekomen?
9. Wat is het verschil tussen formele en materiële wederrechtelijkheid?
10. Wat is het verschil tussen opzet en schuld als vormen van verwijtbaarheid?
Hoofdstuk 3 – Wederrechtelijkheid en schulduitsluitingsgronden
11. Wat wordt verstaan onder wederrechtelijkheid en welke functie heeft dit begrip binnen het
strafrecht?
12. Wat houdt de rechtvaardigingsgrond noodweer in en aan welke voorwaarden moet zijn voldaan?
13. Wat is het verschil tussen een rechtvaardigingsgrond en een schulduitsluitingsgrond?
14. Wat wordt verstaan onder overmacht en welke verschillende vormen van overmacht kunnen worden
onderscheiden?
15. Wat houdt het leerstuk van afwezigheid van alle schuld in en wanneer kan daarop een beroep worden
gedaan?
Hoofdstuk 4 – Poging, deelneming en strafrechtelijke aansprakelijkheid
16. Wanneer is sprake van een strafbare poging en welke voorwaarden gelden daarvoor?
17. Wat is het verschil tussen een vrijwillige terugtred en het ontbreken van een strafbare poging?
18. Welke vormen van deelneming aan strafbare feiten kent het Nederlandse strafrecht en waarin
verschillen deze van elkaar?
19. Wat zijn de belangrijkste voorwaarden voor medeplegen en hoe onderscheidt medeplegen zich van
medeplichtigheid?
20. Hoe moet worden beoordeeld of een persoon strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden
wanneer meerdere personen bij hetzelfde strafbare feit betrokken zijn?
Antwoorden
Hoofdstuk 1 – Grondbeginselen van het materiële strafrecht
1. Materieel strafrecht bepaalt welke gedragingen strafbaar zijn en welke straffen of maatregelen daarop
kunnen volgen. Formeel strafrecht bevat de regels over de wijze waarop strafbare feiten worden opgespoord,
vervolgd en berecht.
2. Het legaliteitsbeginsel vereist dat strafbaarstelling en bestraffing berusten op een vooraf bestaande
wettelijke grondslag. Het omvat onder meer het verbod van terugwerkende kracht, het verbod van analogie
ten nadele van de verdachte en het vereiste van voldoende bepaaldheid van strafbepalingen.
3. Een persoon moet vooraf kunnen weten welke gedragingen strafbaar zijn en welke straf daarop kan staan.
Daarom mag een nieuwe of zwaardere strafbepaling in beginsel niet worden toegepast op gedrag dat vóór de
inwerkingtreding heeft plaatsgevonden.
4. Interpretatie zoekt de betekenis die binnen de grenzen van de strafbepaling aan een wettelijke regel kan
worden gegeven. Analoge toepassing breidt een strafbepaling uit naar een geval dat niet onder de wettelijke
regeling valt. Analogie ten nadele van de verdachte is in strijd met het legaliteitsbeginsel.
Hoofdstuk 1 – Grondbeginselen van het materiële strafrecht...............................................3
Hoofdstuk 2 – Strafbaarheid en delictsomschrijving.............................................................3
Hoofdstuk 3 – Wederrechtelijkheid en schulduitsluitingsgronden........................................4
Hoofdstuk 4 – Poging, deelneming en strafrechtelijke aansprakelijkheid.............................4
20 meerkeuze (lastig).................................................................................................................6
Hoofdstuk 5 – Poging, voorbereiding en vrijwillige terugtred...............................................6
Hoofdstuk 6 – Deelneming en medeplegen...........................................................................6
Hoofdstuk 7 – Opzet, schuld en causaliteit............................................................................7
Hoofdstuk 8 – Samenloop, strafbaarheid en strafrechtelijke aansprakelijkheid...................8
20 fill in the blank (moeilijk).....................................................................................................11
Hoofdstuk 9 – Opzet, culpa en bewijs van subjectieve bestanddelen.................................11
Hoofdstuk 10 – Wederrechtelijkheid, rechtvaardiging en verontschuldiging......................12
Hoofdstuk 11 – Overmacht, ontoerekenbaarheid en AVAS.................................................12
Hoofdstuk 12 – Causaliteit, samenloop en kwalificatie.......................................................13
15 casusvragen (zeer moeilijk).................................................................................................14
Hoofdstuk 13 – Dwaling, causaliteitsvarianten en delictsomschrijving...............................14
Hoofdstuk 14 – Daderschap en functionele verantwoordelijkheid.....................................15
Hoofdstuk 15 – Overtredingen, misdrijven en strafbaarheidsvoorwaarden.......................15
Hoofdstuk 16 – Legaliteit, interpretatie en strafrechtelijke kwalificatie..............................16
10 Rangschikvragen..................................................................................................................18
Hoofdstuk 17 – Rangschikken: leerstukken van strafbaarheid............................................18
Hoofdstuk 18 – Rangschikken: deelneming en daderschap.................................................19
Hoofdstuk 19 – Rangschikken: strafuitsluitingsgronden en verwijtbaarheid......................19
Hoofdstuk 20 – Rangschikken: causaliteit en samenloop....................................................20
15 Diagnostische beslisvragen (flowchart/redeneren)............................................................22
Hoofdstuk 21 – Diagnostische beslisvragen: toepasselijkheid van het strafrecht...............22
Hoofdstuk 22 – Diagnostische beslisvragen: territorialiteit en toepassingsbereik..............23
Hoofdstuk 23 – Diagnostische beslisvragen: wettelijke interpretatie en kwalificatie..........24
Hoofdstuk 24 – Diagnostische beslisvragen: strafrechtelijke aansprakelijkheid en
bijzondere constructies........................................................................................................24
,10 Foutdetectievragen.............................................................................................................28
Hoofdstuk 25 – Foutdetectie: algemene leerstukken..........................................................28
Hoofdstuk 26 – Foutdetectie: poging en deelneming..........................................................29
Hoofdstuk 27 – Foutdetectie: causaliteit en daderschap.....................................................29
Hoofdstuk 28 – Foutdetectie: legaliteit en strafrechtelijke kwalificatie...............................30
20 Argumentatievragen............................................................................................................32
Hoofdstuk 29 – Argumentatievragen: delictsstructuur en normtypen................................32
Hoofdstuk 30 – Argumentatievragen: opzet, schuld en bijzondere omstandigheden.........33
Hoofdstuk 31 – Argumentatievragen: delictsvormen en strafbaarheid...............................33
Hoofdstuk 32 – Argumentatievragen: deelneming, daderschap en samenloop.................34
Beslisbomen.............................................................................................................................37
Beslisboom: Is de gedraging strafbaar?...............................................................................37
Beslisboom: Bestanddeel of element?.................................................................................38
Beslisboom: Zijn alle bestanddelen vervuld?.......................................................................38
Beslisboom: Wederrechtelijkheid aanwezig?......................................................................38
Beslisboom: Verwijtbaarheid aanwezig?.............................................................................38
Beslisboom: Complete tentamenanalyse.................................................................................52
Alle antwoorden met uitleg apart einde – met nadruk op nieuwste wet/regelgeving en jurisprudentie 2026
Ps ik heb bij beslisbomen alleen de eerste 5 in de inhoudsopgave gezet, het zijn er 80 meest voorkomende.
Anders wordt het zo lang
20 open vragen (gemiddeld)
Hoofdstuk 1 – Grondbeginselen van het materiële strafrecht
1. Wat wordt verstaan onder materieel strafrecht en waarin verschilt dit van formeel strafrecht?
2. Wat houdt het legaliteitsbeginsel in en welke eisen vloeien hieruit voort voor de strafbaarstelling?
3. Waarom is het verbod van terugwerkende kracht een belangrijk onderdeel van het strafrechtelijke
legaliteitsbeginsel?
4. Wat is het verschil tussen analoge toepassing en interpretatie van een strafbepaling?
5. Welke betekenis heeft het lex-certa-beginsel voor de formulering van strafbepalingen?
Hoofdstuk 2 – Strafbaarheid en delictsomschrijving
6. Wat is het verschil tussen een delictsomschrijving en de wettelijke strafbaarstelling?
, 7. Leg uit wat wordt bedoeld met bestanddelen en elementen van een strafbaar feit.
8. Waarom moeten alle bestanddelen van een delictsomschrijving worden bewezen voordat tot
bewezenverklaring kan worden gekomen?
9. Wat is het verschil tussen formele en materiële wederrechtelijkheid?
10. Wat is het verschil tussen opzet en schuld als vormen van verwijtbaarheid?
Hoofdstuk 3 – Wederrechtelijkheid en schulduitsluitingsgronden
11. Wat wordt verstaan onder wederrechtelijkheid en welke functie heeft dit begrip binnen het
strafrecht?
12. Wat houdt de rechtvaardigingsgrond noodweer in en aan welke voorwaarden moet zijn voldaan?
13. Wat is het verschil tussen een rechtvaardigingsgrond en een schulduitsluitingsgrond?
14. Wat wordt verstaan onder overmacht en welke verschillende vormen van overmacht kunnen worden
onderscheiden?
15. Wat houdt het leerstuk van afwezigheid van alle schuld in en wanneer kan daarop een beroep worden
gedaan?
Hoofdstuk 4 – Poging, deelneming en strafrechtelijke aansprakelijkheid
16. Wanneer is sprake van een strafbare poging en welke voorwaarden gelden daarvoor?
17. Wat is het verschil tussen een vrijwillige terugtred en het ontbreken van een strafbare poging?
18. Welke vormen van deelneming aan strafbare feiten kent het Nederlandse strafrecht en waarin
verschillen deze van elkaar?
19. Wat zijn de belangrijkste voorwaarden voor medeplegen en hoe onderscheidt medeplegen zich van
medeplichtigheid?
20. Hoe moet worden beoordeeld of een persoon strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden
wanneer meerdere personen bij hetzelfde strafbare feit betrokken zijn?
Antwoorden
Hoofdstuk 1 – Grondbeginselen van het materiële strafrecht
1. Materieel strafrecht bepaalt welke gedragingen strafbaar zijn en welke straffen of maatregelen daarop
kunnen volgen. Formeel strafrecht bevat de regels over de wijze waarop strafbare feiten worden opgespoord,
vervolgd en berecht.
2. Het legaliteitsbeginsel vereist dat strafbaarstelling en bestraffing berusten op een vooraf bestaande
wettelijke grondslag. Het omvat onder meer het verbod van terugwerkende kracht, het verbod van analogie
ten nadele van de verdachte en het vereiste van voldoende bepaaldheid van strafbepalingen.
3. Een persoon moet vooraf kunnen weten welke gedragingen strafbaar zijn en welke straf daarop kan staan.
Daarom mag een nieuwe of zwaardere strafbepaling in beginsel niet worden toegepast op gedrag dat vóór de
inwerkingtreding heeft plaatsgevonden.
4. Interpretatie zoekt de betekenis die binnen de grenzen van de strafbepaling aan een wettelijke regel kan
worden gegeven. Analoge toepassing breidt een strafbepaling uit naar een geval dat niet onder de wettelijke
regeling valt. Analogie ten nadele van de verdachte is in strijd met het legaliteitsbeginsel.