INDIVIDUELE VERSCHILLEN: WAT EN HOE?
1. Doelstelling en Geschiedenis
1.1 Doelstelling
De psychologie van individuele verschillen (PID) richt zich — in tegenstelling tot takken
als de functieleer of sociale psychologie die naar algemene wetmatigheden zoeken — op
de variatie tussen en binnen mensen.
• Drie soorten verschillen:
o Inter-individuele verschillen: Verschillen tussen personen.
o Inter-groepsverschillen: Verschillen tussen groepen (bv. geslachten,
culturen, leeftijdsgroepen).
o Intra-individuele verschillen: Verschillen/schommelingen binnen één
persoon over de tijd of situaties.
• Twee grote deeldomeinen:
1. Cognitief functioneren: Intelligentie (prestatie/product) en cognitieve
stijlen (proces, bv. analytisch vs. holistisch).
2. Persoonlijkheid: Het affectieve en sociale domein (karakter, emoties,
sociaal gedrag).
• Kerndoelen van PID:
1. Beschrijven: Welke zijn de belangrijkste verschillen en hoe hangen ze
onderling samen?
2. Verklaren: Wat ligt aan de basis van deze verschillen?
§ Proximale verklaringen: Factoren die dichtbij in tijd/ruimte liggen
(bv. fysiologie, actuele situatie).
§ Distale verklaringen: Factoren die verderaf liggen in de tijd (bv.
genen, evolutie, vroege kindertijd/hechting).
• Expliciete vs. Impliciete theorieën:
o Expliciet: Wetenschappelijk geformuleerde en gepubliceerde theorieën.
o Impliciet: Onbewuste opvattingen van leken over gedrag en verschillen
(behoort tot de persoonsperceptie).
o Beide beïnvloeden elkaar (bv. wetenschappers/proefpersonen worden
beïnvloed door eigen vooroordelen; wetenschappelijke claims
verspreiden zich in de maatschappij).
,1.2 Geschiedenis
Benaming PID
• Henri & Binet (1895) introduceerden La Psychologie Individuelle.
• William Stern (1900) gebruikte als eerste de term Differentiële Psychologie met
een drievoudige taak: beschrijven, methode van onderzoeken en verklaren.
• Robert Yerkes (1913) sprak over comparatieve psychologie (= takken van
psychologie die vergelijken) (focus op experimentele dierstudies).
Historische mijlpalen in meten en beschrijven van individuele verschillen
Oude China (vanaf 2000 v.Chr.): Eerste gestandaardiseerde ambtenarenexamens voor
geschiktheid.
Pythagoras (6de eeuw v.Chr.): Gebruikte fysionomie (gelaat/lichaam) als toelatingstest
voor zijn broederschap.
Plato: Beschreef in zijn Ideale Staat dat mensen geboren worden met natuurlijke
begaafdheden en de juiste taken moeten krijgen. (militaire geschiktheidstest).
® Aangeboren verschillen en vaardigheden
Theophrastus: Schreef Karakters (eerste systematische studie van
persoonlijkheidstypen in westerse filosofie).
Navarro (16e eeuw): Examen de ingenios para las ciencias (belang van professionele
diagnostiek door de staat zodat men jongeren kan verplichten het kennisdomein te
bestuderen waarvoor meest geschikt).
Francis Galton (19e eeuw): Pionier in het ontwerpen van meetinstrumenten
(zintuiglijk/motorisch), databestanden en de grondlegger van de correlatiestatistiek en
eugenetica. Interesse in het meten van “mentale kracht”.
James McKeen Cattell: Introduceerde de term mental tests (metingen van individuele
vaardigheidsverschillen). Voorkeur voor elementaire sensori-motorische taken.
Alfred Binet: Ontwikkelde in 1905 de eerste officiële intelligentietest (Echelle métrique
de l'intelligence) gericht op hogere cognitieve processen ter detectie van zwakbegaafde
studenten. (later omgevormd tot stanford-binet test door terman).
Crisis in de jaren 1960: Kritiek op waardenconnotaties van trekken en de aanval
van Walter Mischel op het trekbegrip (gebrek aan cross-situationele consistentie).
Historische verklaringen van verschillen
• Proximaal:
o Psychologisch: Ziel-opdelingen (Plato, Huarte).
, o Biologisch (Humorale theorie): Hippocrates & Galenus veronderstelden 4
lichaamsvochten/temperamenten: slijm (flegmatisch), bloed
(sanguinisch), gele gal (cholerisch), zwarte gal (melancholisch).
o Frenologie: Gall & Spurzheim veronderstelden dat schedelvorm de sterkte
van lokale hersenfuncties weerspiegelt.
• Distaal:
o Astrologie: Geen wetenschappelijk bewijs.
o Nature vs. Nurture: Rationalisme (Plato & Augustinus & Descartes :
aangeboren kennis) vs. Empirisme (Locke: Tabula Rasa).
o Behaviorisme: Watson (gedrag is 100% het resultaat van S-R
conditionering en leergeschiedenis).
o Evolutietheorie & Genetics: Darwin (natuurlijke selectie) en Galton
(stamboommethode, eugenetica, genialiteit is erfelijk).
2. Methoden in de Psychologie van Individuele Verschillen
2.1 Verzamelen van gegevens
De 4 databronnen (LOTS-data)
1. S-data (Self-report / Zelfrapportering):
o Vormen:
- On/semigestructureerd
(interviews, autobiografieën, projectieve technieken zoals
Rorschach of TAT)
- Gestructureerd
(vragenlijsten met Likert-schalen, video mediated-recall,
Experience Sampling Method / dagboekstudies).
o Voordelen: Directe toegang tot interne belevingswereld, snel veel info.
o Nadelen: Afhankelijk van inzicht/motivatie, gevoelig voor biassen (sociale
wenselijkheid, geheugenbias).
2. O-data (Observer-report / Observeerdersrapportering):
o Rapportering door :
- bekenden (partner, familie)
- getrainde beoordelaars (assessment, Facial Action Coding System).
o Plaats:
- Naturalistsiche setting
- laboratorium
o Voordelen: Minder zelfrepresentatiebias, mogelijkheid tot middelen over
beoordelaars (interbeoordelaarsbetrouwbaarheid).
o Nadelen: Observatorbiassen (bv. hostile attribution bias).
, 3. T-data (Test-data):
o Gegevens uit gestandaardiseerde tests of laboratoriumtaken (bv.
reactietijden, gedrag, zelfrapportering, fysiologie, fMRI, Impliciete
Associatie Test / IAT).
o Voordelen: Hoge standaardisatie, causale factoren manipuleerbaar, direct
vergelijkbaar, objectievere meting.
o Nadelen: Beperkte ecologische validiteit (is de labomgeving realistisch?).
4. L-data (Life-outcome data / Levensgegevens):
o Objectieve feiten uit het leven (opleiding, burgerlijke stand) en Big Data
(sociale media, smartphone-gebruik, aankopen).
o Voordelen: Objectief, levensecht, grootschalig.
o Nadelen: Privacyzorgen, risico op misbruik (bv. Cambridge Analytica).
Soorten variabelen
• Kwantitatief: Waarden drukken verschillen uit in gradatie/aantallen (volgen
vaak een normaalverdeling).
Kenmerken normaaldistributie:
- 50% van mensen: scoren boven/onder het gemiddeld
- Ongeveer 68% heeft score tussen -1/+1 SD van het gemiddelde
- Ongeveer 95% heeft score tussen -2/+2 SD van het gemiddelde
- Slechts 2,3% heeft score 2SD boven het gemiddelde
• Kwalitatief: Waarden drukken categorieën of groepen uit (weergave via
frequentietabellen).
2.2 Verbanden tussen verschillen
Afhankelijk van het type variabelen wordt de samenhang op verschillende manieren
beschreven:
• Kwalitatief – Kwalitatief: Bivariate frequent (implicationeel verband).
® Overlap tussen groepen
• Kwalitatief – Kwantitatief: Vergelijken van gemiddelden tussen groepen.
® Verschil tusen groepen
• Kwantitatief – Kwantitatief: Pearson correlatiecoëfficiënt